Landelijke evaluatie Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees II

De Rijksoverheid heeft zich ten doel gesteld om een landelijk dekkend aanbod voor sekswerkers die uit de prostitutie willen stappen te realiseren. De vraag is hoe het aanbod van zogeheten uitstapprogramma’s er nu uitziet. We onderzoeken in hoeverre er sprake is van een landelijke dekking van het ondersteuningsaanbod, hoe toekomstige structurele gelden voor uitstapprogramma’s verdeeld en beheerd kunnen worden en wat bekend is over de effectiviteit van de RUPS-programma’s.

Aanjagende functie
Het deelrapport bevat de evaluatie van de landelijke dekkingsgraad van uitstapprogramma’s en een verkenning van de verdeling en het beheer van de toekomstige structurele gelden voor uitstapprogramma’s.

Vanaf 2014 is in grote delen van het land uitstapaanbod beschikbaar is gekomen, echter er is nog geen sprake van een volledig landelijk dekkend netwerk. Om daar te komen, is 1) een fijnmaziger netwerk nodig zodat binnen een regio alle gemeenten bediend worden, en 2) een beter doelgroep-bereik nodig. Nu zien we dat nog niet alle doelgroepen voldoende worden bediend, zoals mannelijke sekswerkers, illegale sekswerkers, thuiswerkers, transgender sekswerkers en slachtoffers van seksuele uitbuiting.

Een vervolg zou dan ook een stimulans kunnen betekenen voor het nastreven van volledige landelijke dekking. Het continueren en doorontwikkelen van de subsidieregeling is op dit moment de meest wenselijke financiële systematiek voor de verdeling van het geld. De subsidieregeling heeft aantoonbaar een aanjagende functie voor de realisatie van een volledig landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma’s én biedt de mogelijkheid om administratieve lasten te verminderen.

Meer informatie?
Samen met Cebeon voeren we dit onderzoek uit in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

U kunt contact opnemen met Maartje.

Tussen besluit en bezwaar

Burgers die het niet eens zijn met een besluit van de overheid kunnen hiertegen bezwaar maken op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Uit onderzoek is al langer bekend dat de bezwaarprocedure door betrokkenen als formeel en weinig bevredigend wordt ervaren. Dit speelt ook in een grote gemeente in Nederland. Bovendien kost het afhandelen van deze bezwaarschriften de gemeente vaak veel tijd en geld. Deze omstandigheden geven de gemeente aanleiding om te proberen een informele bezwaarprocedure in te richten, waarin zij eerder – dat wil zeggen nog voordat er formeel bezwaar wordt gemaakt – in gesprek raken met de burgers over besluiten waarin zij zich niet kunnen vinden. Door vroegtijdig met de burger in gesprek te gaan over zijn of haar onvrede kan sneller, prettiger en goedkoper een beter besluit tot stand komen.

De gemeente is van plan om een dergelijke informele bezwaarprocedure in de vorm van een pilot uit te proberen en heeft ons gevraagd om hiervoor een vooronderzoek te doen. Om zicht te krijgen op de contouren van zo’n informele procedure, zijn we in gesprek gegaan met burgers, betrokken ambtenaren en advocaten. Dit heeft geleid tot een aantal aanbevelingen voor de pilot. Het rapport is niet openbaar.

Procesevaluatie pilot ‘SCIL 14-17’ in de jeugdstrafrechtketen

In de jeugdstrafrechtketen bestond de wens om zicht te krijgen op welke jeugdigen mogelijk kampen met een licht verstandelijke beperking (lvb). Begin 2017 is daarom een pilot gedaan met een screeningsinstrument, ontwikkeld en gevalideerd door het lectoraat LVB en Jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden. De pilot moest inzicht geven in de ervaringen met de screening van lvb in de praktijk en antwoord geven op de vraag in hoeverre de screening toegevoegde waarde heeft. In opdracht van het WODC (ministerie J&V) hebben wij de pilot geëvalueerd. De uitkomsten van de pilot bleken veelbelovend. Ze resulteerden in een landelijke toepassing van de screening van lvb in de jeugdstrafrechtketen.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Maartje.

Evaluatie van de beginnersregeling

Jonge bestuurders zijn veel vaker bij dodelijke verkeersongevallen betrokken dan meer ervaren bestuurders. De beginnersregeling geeft beginnende bestuurders strafpunten voor het begaan van ernstige verkeersovertredingen. Bij twee strafpunten kan een nieuw rijvaardigheidsonderzoek worden opgelegd. De regeling blijkt bij de doelgroep slechts beperkt bekend te zijn. De uitvoering is complex en vereist veel handwerk. Het aantal punten is gering, mede omdat een strafpunt alleen kan worden opgelegd na een overtreding waarvoor iemand staande wordt gehouden (dus bijvoorbeeld niet na flitsen). In het onderzoek zijn verschillende verbeterpunten geïdentificeerd. Tegelijkertijd blijft er twijfel aan de doeltreffendheid. Toch is de symboolfunctie belangrijk.

Evaluatie Wet voorwaardelijke sancties en Wet rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregelen

In 2012 zijn de Wet voorwaardelijke sancties (Wvs) en Wet rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregelen (Wvm) in werking getreden. Wat was het doel van deze wetten, zijn die doelen gehaald en zijn er verbeterpunten?

De Wvs is gericht op recidivebeperking. Door het opleggen van voorwaarden, zoals een training of een behandeling, kan gedrag beter worden beïnvloed dan met een relatief korte gevangenisstraf. De persoonsgerichte benadering in de Wvs geeft meer structuur aan een al langer bestaande uitvoeringspraktijk. Uit het onderzoek blijkt dat de Wvs in een behoefte voorziet en dat de beoogde voorwaarden voor gedragsverandering en recidivevermindering in de praktijk worden gerealiseerd. De verankering van de bijzondere voorwaarden heeft geleid tot een verbetering in de uitvoeringspraktijk.

De Wvm maakt het mogelijk dat contactverboden, gebiedsverboden en een meldplicht als zelfstandige sanctie worden opgelegd, dus niet alleen als bijzondere voorwaarde bij een sanctie. De Wvm blijkt een weinig toegepaste maatregel, enerzijds omdat het een maatregel is voor bijzondere situaties, anderzijds hangt dit mogelijk ook samen met de relatieve onbekendheid van deze sanctiemogelijkheid.

Meer informatie?
Wij hebben de Wvs en Wvm geëvalueerd samen met de Vrije Universiteit in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Neem contact op met Ger.

Impact van beleid op terugdringen recidive jeugd

De recidivecijfers van jeugdige daders lopen al een aantal jaren terug. Wat is de rol van overheidsbeleid in deze daling? Is er een link tussen de implementatie en de impact van beleidsmaatregelen gericht op recidivevermindering en de daling in de recidive onder jeugdigen? In hoeverre spelen alternatieve verklaringen een rol? Deze vragen onderzochten wij in twee trajecten in opdracht van, en deels samen met, het WODC van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Maartje.

Slachtoffers van zedenmisdrijven: een verkenning van de overwegingen voor contact met politie en/of hulpverlening

Slachtoffers van zedenmisdrijven doen minder vaak aangifte bij de politie dan andere slachtoffers. Er zijn bovendien aanwijzingen dat de aangiftebereidheid de laatste jaren verder is afgenomen. Hoe kan dit?

Om daar meer grip op te krijgen, voerden we een verkennend onderzoek uit naar de factoren en de overwegingen die een rol spelen bij volwassen slachtoffers van zedenmisdrijven om het delict wel of niet te melden bij de politie, wel of geen aangifte te doen van het delict en de keuze om wel of geen hulp te zoeken.

In het onderzoek werden verschillende bronnen geraadpleegd. Naast de interviews met slachtoffers werkten vijftien professionals mee aan een telefonisch interview, is een beknopte internationale literatuurstudie uitgevoerd en zijn geanonimiseerde registraties van de Nationale Politie en een hulpinstantie geanalyseerd.

Meer informatie?
Neem contact op met Maartje.

Lees ook het artikel over dit onderzoek dat in de Secondant verscheen.

Dit onderzoek vond plaats in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Maatschappelijke kosten van criminele en overlastgevende jeugdgroepen

Veel gemeenten hebben de laatste jaren gewerkt aan een integrale aanpak die zich specifiek richt op problematische jeugdgroepen. Bij gemeenten en het ministerie van Veiligheid en Justitie groeide zo de behoefte aan meer duidelijkheid over de vraag welke maatschappelijke effecten voortvloeien uit het groepsgedrag van jongeren in criminele en overlastgevende jeugdgroepen? En – in het verlengde hiervan – de vraag in hoeverre deze effecten kunnen worden vertaald in kosten en om welke bedragen het dan gaat?

In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum heeft Cebeon in samenwerking met Regioplan explorerend onderzoek gedaan naar deze intrigerende vragen. Voor het eerst zijn de maatschappelijke effecten van criminele en overlastgevende jeugdgroepen gestructureerd in beeld gebracht. Tevens is een methodiek ontwikkeld om deze effecten uit te drukken in kosten. De inzichten die dit oplevert, zijn van belang voor zowel gemeenten als het ministerie. Het onderzoek onderstreept niet alleen het maatschappelijke belang om gerichte interventies te ontwikkelen voor problematische jeugdgroepen, maar laat ook zien dat zulke interventies zich (gedeeltelijk) kunnen terugverdienen. Dit inzicht kan bijdragen aan verdere optimalisering van de lokale aanpak en het faciliteren van de ketenpartners hierbij.

Klik hier voor het onderzoeksrapport.

Procesevaluatie kwaliteitsverbetering werkstraffen

Het project kwaliteitsverbetering werkstraffen had als doel om de slagingskans van de werkstraf te vergroten en een bijdrage te leveren aan recidivevermindering. Daarnaast moest het een positieve impuls geven aan het draagvlak voor en de beeldvorming over de werkstraf. Het project werd eind 2013 afgesloten. Het resultaat was een landelijke methode coördinatie taakstraffen met als doel om landelijk een eenduidige werkwijze te bereiken.

In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft Regioplan onderzocht in hoeverre de maatregelen en activiteiten ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van werkstraffen – zoals voortgekomen uit het project – worden uitgevoerd zoals beoogd. Het onderzoek moest vragen beantwoorden over de opzet, de implementatie en de uitvoering van het project.

Summary Process and efficacy evaluation Multidimensional Treatment Foster Care (MTFC)

Multidimensional Treatment Foster Care (MTFC) is a behavioural intervention for adolescents (12-17 years of age) with severe antisocial behaviour. One of the aims of the intervention is to decrease recidivism. It consists of intensive supervision within a foster family, in which adolescents receive social skills training.

Between 2012 and 2014, Regioplan conducted a study that was commissioned by the Research and Documentation Centre (WODC) of the Dutch Ministry of Security and Justice, in which the development of a group of MTFC-participants was mapped out and compared with the development of participants in a juvenile correctional institution (JJI). The central question of the study was the extent to which the intervention is effective and adds value compared to usual care in a JJI. The intention was to measure the effectiveness of the intervention in terms of reduction of criminal recidivism, within a maximum of three years after the efficacy study.

The full text of the study is only available in Dutch. However, the summary is also available in English (see below).