Kernwoord: Medezeggenschap
De beleidsmatige aandacht voor medezeggenschap is onderhevig aan cycli. De huidige tendens is om de uitvoering van wetgeving (WAA, ATW, Arbo) vooral over te laten aan overleg tussen werkgevers en werknemers. De periode hiervoor werden zoveel mogelijk taken toebedeeld aan de OR. Deze veranderingen in beleid weerspiegelen zich in de uitgevoerde onderzoeken.
Breed gesprek governance en (mede)zeggenschap in het funderend onderwijs
De invloed van gedrag en cultuur bij (mede)zeggenschap, het belang van het goede gesprek, knelpunten in de medezeggenschap, het ontbreken van een formele rol voor de schoolleider en de verantwoording als last zijn enkele van de vele bevindingen die uit het onderzoek komen. Dat blijkt uit onderzoek naar governance en (mede)zeggenschap in het funderend onderwijs, dat we in samenwerking met CAOP en Leeuwendaal – in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) – uitvoerden.
Het onderzoek bestond uit deskresearch, 76 groepsgesprekken en een werkconferentie. Aan de brede gesprekken hebben onder meer leerlingen, ouders, (g)mr-leden uit verschillende geledingen, onderwijspersoneel, schoolleiders, schoolbestuurders, intern toezichthouders, belangenbehartigers en vertegenwoordigers van samenwerkingsverbanden en gemeenten meegedaan.
Governancestructuur en medezeggenschap
De huidige governancestructuur kan als werkbaar worden beschouwd. Aan grote wijzigingen in de structuur van de (mede)zeggenschap bestaat geen behoefte. Die werkbaarheid kan evenwel worden versterkt door aandacht te (blijven) schenken aan de organisatiecultuur van de medezeggenschap, in het bijzonder door middel van het goede gesprek en de kennis en vaardigheid waarover betrokkenen dienen te beschikken.
Versterken van de (mede)zeggenschap
De werkbaarheid van medezeggenschap kan worden versterkt door het belang van medezeggenschap te blijven communiceren, vooral ook voor nieuwkomers in de school, en te zorgen voor een goede informatievoorziening, facilitering en kwalificering van de mr-leden. Wederzijds vertrouwen vormt een basisvoorwaarde.
Ervaringen van betrokkenen
De systematiek van meer middelen naar de klas is werkbaar, hoewel het draagvlak niet bij iedereen en onder alle geledingen even groot is. Mr-leden wijzen vooral op meer betrokkenheid en draagvlak voor de keuzes die worden gemaakt. Bestuursleden zien risico’s in financial control en mogelijke spanning tussen de keuzes van het team en het brede belang van de school of het bestuur.
Rol en positie van de schoolleider
Met name vanuit schoolleiders zelf is er behoefte aan een betere positionering. Er zijn verschillende routes mogelijk: een juridische route, een vertrouwensroute of een alternatieve route, in de vorm van afspraken in het managementstatuut. Er is nader onderzoek nodig om te komen tot een gedegen afweging over de positie van de schoolleider.
Begrotings- en verantwoordingscyclus
De huidige begrotingssystematiek en taakverdeling tussen bestuur en schoolleiding is werkbaar. De mate waarin dit tot administratieve lasten leidt verschilt per schoolbestuur en wordt mede bepaald door ondersteuning van het stafbureau. Punt van aandacht vormen de tijdelijke subsidieregelingen, die vaak wel tot extra verantwoordingslast leiden.
Het functioneren van Europese Ondernemingsraden
Op 24 januari 2024 presenteerde de Europese Commissie een voorstel tot herziening van de richtlijn voor Europese Ondernemingsraden. De nieuwe richtlijn moet tekortkomingen in de huidige richtlijn aanpakken en ervoor zorgen dat Europese ondernemingsraden (EOR’s) hun recht op informatie en raadpleging goed kunnen uitoefenen. Daarmee moet de richtlijn de EOR’s versterken en ervoor zorgen dat ondernemingen effectiever beslissingen kunnen nemen. Ons onderzoek, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van SZW, richt zich op het functioneren van EOR’s onder Nederlands recht, de ervaringen van werkgevers en werknemers met de Wet op Europese Ondernemingsraden (WEOR), en relevante thema’s uit de voorgestelde richtlijn. We hebben hiervoor samengewerkt met experts van SBI Formaat.
We hebben op basis van verschillende methoden een schatting gemaakt van het aantal EOR’s in Nederland, en vervolgens EOR-leden en werkgevers in een vragenlijst en focusgroep gevraagd naar hun ervaringen met de EOR.
We schatten het aantal EOR’s in Nederland op 73. Van het overgrote deel van de Nederlandse EOR’s zetelt ook de moederonderneming in Nederland, daarna volgen de Verenigde Staten. Met betrekking tot de man-vrouwsamenstelling van de EOR’s ligt die met 34 procent vrouwelijke leden lager dan de in het voorstel gewenste 40 procent. Binnen de beperkt comités ligt dit een fractie lager met 30 procent. Het voorstel om naar een 40 procent minimum aan vrouwen en 40 procent minimum aan mannen te gaan lijkt voor de onderzochte EOR’s haalbaar. Het voorstel om standaard tot twee jaarlijkse vergaderingen te komen, zal waarschijnlijk ook niet tot grote wijzigingen leiden, de meeste EOR’s vergaderen al twee keer of vaker. Het kan de positie van de EOR wel versterken om minimaal twee maal per jaar met het hoofdbestuur samen te komen.
Van de ondervraagde EOR-leden en werkgevers oordeelt het overgrote deel neutraal of negatief over het beïnvloeden van beslissingen van het hoofdbestuur. Het agenderen van punten op de agenda wordt daarentegen overwegend als positief ervaren.
Het informeren en raadplegen van de EOR is de kern van de richtlijn en de WEOR. Hier is een groot verschil zichtbaar in interpretatie van de toepassing van het recht op informatie en raadpleging tussen werkgevers en werknemers. Waar slechts een klein deel van de EOR-leden stelt dat informatie en raadpleging plaatsvindt vóór een besluit is genomen, antwoordt iets meer dan de helft van de werkgevers dat dit het geval is. Dit terwijl de WEOR duidelijk aangeeft dat de EOR tijdig moet worden geïnformeerd, zodat het binnen een redelijke termijn advies kan uitbrengen waarmee rekening gehouden kan worden bij het besluit.
Deze informatie over het vóórkomen en functioneren van EOR’s, de ervaringen met de huidige EOR-RL en de WEOR kan helpen om tot een Nederlands standpunt te komen over het voorstel voor de wijziging van de EOR-RL en een eventuele aanpassing van de WEOR.
Evaluatie Landelijke Commissie Geschillen WMS en Geschillencommissie Passend Onderwijs
Er is een Landelijke Commissie voor Geschillen bij de Wet medezeggenschap op scholen (LCG WMS) en een Geschillencommissie passend onderwijs (GPO). Die krijgen een jaarlijkse subsidie van het ministerie van OCW. OCW-subsidies worden elke vijf jaar geëvalueerd. Wij voerden het recente evaluatieonderzoek uit.
We verzamelden daarvoor informatie over de ontwikkeling van de werkzaamheden van de commissies. Bovendien hielden we interviews met geschilpartijen, belanghebbende organisaties en samenwerkingsverbanden passend onderwijs. De commissies vervullen een belangrijke functie en worden over het algemeen als deskundig en onafhankelijk gezien.
Nalevingsonderzoek van de Wet op Ondernemingsraden 2011
Elke drie jaar wordt onderzoek gedaan naar de naleving van de Wet op de ondernemingsraden. In 2012 heeft Regioplan deze meting voor de tweede keer uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Medezeggenschap van werknemers wordt in Nederland geregeld in de Wet op ondernemingsraden (WOR). Bedrijven (en instellingen) met meer dan 50 werknemers moeten een ondernemingsraad (OR) hebben. Bedrijven met 10 tot 50 werknemers kunnen vrijwillig een OR instellen, maar moeten in elk geval een personeelsvertegenwoordiging (PVT) hebben of periodiek een personeelsvergadering houden.
Behalve op de naleving van de wet richt het onderzoek zich op de structuur, het functioneren en de meerwaarde van medezeggenschap. Voor het onderzoek zijn bestuurders (in de zin van de WOR), directieleden of P&O-functionarissen van ondernemingen met tien of meer werknemers bevraagd.
Naleving van de wet op de ondernemingsraden: stand van zaken 2008
In de wet op de ondernemingsraden staat dat vestigingen met meer dan vijftig werknemers een ondernemingsraad moeten hebben. Minimaal om de drie jaar laat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de naleving meten. Eind 2008 bedraagt het aantal vestigingen met meer dan vijftig werknemers dat een OR heeft ingesteld zeventig procent.
Nu alle zeilen bij!
Het almaar afnemende aantal gekwalificeerde zeevarenden vanaf de Nederlandse arbeidsmarkt baart de Nederlandse zeescheepvaart grote zorgen. De branche heeft al jaren te maken met een tekort aan gekwalificeerde zeevarenden (met name officieren en kapiteins). De vraag naar goed opgeleid personeel overstijgt het aanbod van de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit is een probleem waar niet alleen de zeescheepvaart mee te kampen heeft. Samen met Regioplan heeft Nautilus NL een integraal aanvalsplan opgesteld om de verdunning van de Nederlandse inbreng een halt toeroepen en verdere groei mogelijk te maken. Dit plan sluit nauw aan bij de doelstellingen voor 2016 en de visie van Nautilus NL hierop. De visie is specifiek gericht op de huidige en toekomstige zeevarenden. Met deze visienota wenst Nautilus NL een positieve bijdrage te leveren aan de te varen koers. Nautilus NL streeft naar een Nederlandse zeescheepvaartsector die nationaal en internationaal toonaangevend is in kwaliteit van dienstverlening, arbeid en duurzaamheid.
Automatische prijscompensatie in de CAO Woondiensten
Voor de CAO-partijen in de woningcorporatiesector onderzocht Regioplan de voor- en nadelen van de automatische prijscompensatie. Aan de hand van een gestructureerde aanpak zijn de voor- en nadelen van de CAO-artikel op macro-, meso- en microniveau in kaart gebracht. Het rapport is niet openbaar.
Monitor CAO Sociale Werkvoorziening
Regioplan Beleidsonderzoek heeft een monitorinstrument ontwikkeld om de implementatie van CAO-afspraken te volgen. De monitor brengt van een aantal CAO-regelingen de toepassing, de uitwerking en het gebruik in kaart. Ook behandelt de monitor de redenen voor gebruik en factoren die het gebruik beïnvloeden.Het instrument – dat bestaat uit één vragenlijst voor personeelsmanagers en één vragenlijst voor OR-voorzitters – is ontwikkeld in opdracht van de sociale partners in de Sociale Werkvoorziening. Het nieuwe instrument is ook toegepast in in deze sector. Het betreft een zogenaamde ‘nulmeting’. Mede door de actieve rol van de sociale partners in dit project, was de deelname door personeelsmanagers en OR-voorzitters zeer hoog.
De rol van de OR bij de totstandkoming van arbeidsvoorwaarden
Het doel van het onderzoek, dat eind 2002 plaatsvond, is om te achterhalen in welke mate binnen arbeidsorganisaties (decentraal) wordt overlegd over arbeidsvoorwaarden, alsmede welke rol ondernemingsraden hierin spelen. Er zijn tweeduizend publieke en private organisaties aangeschreven uit industrie, bouw, handel/horeca, zakelijke dienstverlening en de overheid. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Ernst & Young Human Resource Services en Holland Van Gijzen Advocaten. De opvallende resultaten van het onderzoek kunt u nalezen in samenvatting.
Trendrapport medezeggenschap 1995-1998
Dit rapport biedt een overzicht van ontwikkelingen op het terrein van medezeggenschap. Het rapport bevat relevante informatie over beleidsontwikkeling en -uitvoering op dit terrein. Het rapport is zoveel mogelijk samengesteld op basis van informatie uit bestaande informatiebronnen.