Kernwoord: Seksueel geweld
Evaluatie pilot nieuwe werkwijze hulpverlening aan slachtoffers van seksueel geweld
In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC) evalueerden Regioplan en het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) een nieuwe werkwijze voor de ondersteuning van slachtoffers van seksueel geweld, gebaseerd op een uniform eerste contact, multidisciplinaire triage en casusregie. De pilot laat zien dat deze aanpak potentie heeft om de samenwerking en de ondersteuning van slachtoffers te versterken, maar dat succesvolle implementatie vraagt om duidelijke rollen, bestuurlijk commitment, gedragsverandering en structurele ondersteuning van uitvoerende professionals.
Slachtoffers van seksueel geweld krijgen vaak te maken met meerdere organisaties voor hulp, bescherming, herstel en eventuele strafrechtelijke vervolging. Om deze ondersteuning beter op elkaar af te stemmen, ontwikkelden het Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling, het Openbaar Ministerie en de politie gezamenlijk een nieuwe werkwijze.
Regioplan en het NSCR onderzochten in opdracht van het WODC de pilot van de nieuwe werkwijze in twee regio’s. Daarbij stond de vraag centraal in hoeverre de werkwijze bijdraagt aan betere samenwerking tussen organisaties, meer integrale ondersteuning en een betere ervaring van slachtoffers.
De nieuwe werkwijze: uniform eerste contact, triage en casusregie
Het doel van deze nieuwe werkwijze is om slachtoffers laagdrempeliger, samenhangender en meer slachtoffergericht te ondersteunen. De nieuwe werkwijze bestaat uit drie samenhangende onderdelen: een uniform en traumasensitief eerste contactmoment, multidisciplinaire triage waarbij organisaties gezamenlijk de hulpvraag beoordelen, en casusregie door één vaste professional die als aanspreekpunt fungeert voor het slachtoffer.
Aanpak van de evaluatie: wat werkt, waarom, en onder welke omstandigheden?
We hebben de veronderstelde werking van de nieuwe werkwijze geconstrueerd in een Theory of Change. Deze hebben we getoetst en kritisch onderzocht aan de hand van wetenschappelijke literatuur. Vervolgens hebben we de ervaringen met de nieuwe werkwijze onderzocht van uitvoerende professionals, slachtoffers en naasten.
Vanwege de korte doorlooptijd van de pilot schetst deze evaluatie de eerste ervaringen met de nieuwe werkwijze en biedt het inzicht in randvoorwaarden voor succesvolle implementatie. Het onderzoek laat zien wat nodig is om ervoor te zorgen dat de werkwijze daadwerkelijk bijdraagt aan de oorspronkelijke doelen: betere samenwerking, integrale ondersteuning en een betere ervaring voor slachtoffers.
Resultaten: potentie van de nieuwe werkwijze
De evaluatie laat zien dat de nieuwe werkwijze goed aansluit bij bestaande wetenschappelijke kennis over slachtoffergericht werken, multidisciplinaire samenwerking en regievoering. Professionals ervaren meerwaarde van structurele multidisciplinaire triage, betere onderlinge contacten en een bredere blik op de behoeften van slachtoffers. Ook onderschrijven zowel professionals als slachtoffers het belang van één duidelijk aanspreekpunt.
Tegelijkertijd blijkt dat de potentie van de werkwijze in de praktijk nog beperkt tot uiting kwam. Rollen en verantwoordelijkheden, met name rondom casusregie, werden door professionals en managers verschillend geïnterpreteerd. Daarnaast ontbraken belangrijke randvoorwaarden zoals bestuurlijk commitment en ondersteuning bij het eigen maken van de nieuwe werkwijze. Hierdoor vielen professionals regelmatig terug op bestaande werkwijzen en routines.
Ook de ervaringen van slachtoffers en naasten laten een wisselend beeld zien. Positieve ervaringen hangen samen met duidelijke communicatie, snelle hulp en een pro-actieve regiehouder. Negatieve ervaringen ontstaan wanneer informatievoorziening onvoldoende aansluit op de behoeften van slachtoffers en naasten of wanneer de regierol leidt tot verwachtingen die niet worden waargemaakt.
Vervolgstappen: verdere ontwikkeling en implementatie van de werkwijze
Het onderzoek laat zien dat de nieuwe werkwijze aanknopingspunten biedt voor verbetering van de ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld. Voor bredere implementatie is echter meer nodig dan nieuwe procesafspraken tussen organisaties en professionals. We concluderen dat een effectieve gezamenlijke werkwijze vraagt om bestuurlijk commitment, heldere rolafbakening en werkafspraken, voldoende ondersteuning van uitvoerende professionals bij gedragsverandering en een lerende evaluatie van de nieuwe aanpak.
Lees hier het rapport en de samenvatting. Vragen? Neem contact op met Coco.
Resultaat & Effectmeting Hulplandschap Seksueel Geweld
Zes landelijke partners hebben een nieuwe gezamenlijke werkwijze ontwikkeld om slachtoffers van seksueel geweld effectiever te ondersteunen. In opdracht van het WODC voert Regioplan samen met NSCR een resultaat- en effectmeting uit om deze nieuwe werkwijze, die vanaf september 2025 wordt getest in Oost-Brabant en Den Haag, te evalueren.
Veel slachtoffers van seksueel geweld hebben moeite om hun weg te vinden naar passende ondersteuning, mede vanwege een versnippering in het hulpaanbod. Zes landelijke partners (Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis, Slachtoffer Hulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling, het Openbaar Ministerie en de politie) hebben daarom een gezamenlijke werkwijze ontwikkeld. In deze werkwijze staan een zorgvuldig eerste contact, multidisciplinaire triage en regie per casus centraal. De aanpak moet niet alleen de kwaliteit van de hulp en de ervaringen van slachtoffers verbeteren, maar ook zorgen voor betere samenwerking tussen professionals. Twee pilotregio’s zijn inmiddels gestart met deze nieuwe werkwijze: Den Haag en Oost-Brabant.
In opdracht van het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid) voert Regioplan samen met NSCR (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving) een resultaat- en effectmeting uit. We willen zicht krijgen op de resultaten van de nieuwe werkwijze in de ervaringen van slachtoffers en professionals. Daarnaast brengen we de werkzame mechnismen van de nieuwe werkwijze in kaart. Dat doen we aan de hand van vijf stappen:
- Stap 1: Vaststellen van de Theory of Change en indicatoren voor het meten van de resultaten en effecten. Hierdoor krijgen we zicht op de doelen en werkzame mechanismen van de nieuwe werkwijze.
- Stap 2: Verzamelen van data bij alle betrokkenen. We observeren de multidisciplinaire overleggen waarbij triage plaatsvindt en we voeren interviews met slachtoffers en professionals over hun ervaringen met de nieuwe werkwijze.
- Stap 3: We bespreken de voorlopige resultaten met de begeleidingscommissie.
- Stap 4: We analyseren de verzamelde data – eerst voor beide regio’s apart, en vervolgens kijken we naar verschillen en overeenkomsten. In een duidingssessie met professionals bespreken en verdiepen we de opgehaalde inzichten.
- Stap 5: De bevindingen van het onderzoek worden in een rapportage beschreven.
Parallel aan ons onderzoek voert PwC een uitvoerbaarheidstoets van de nieuwe werkwijze uit. Tijdens het project werken we daarom nauw samen en wisselen inzichten uit.
Evaluatie Handhaving van het verbod op seksuele intimidatie in het openbaar
Achtergrond
De afgelopen jaren is er veel veranderd in de opvattingen over seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Dat heeft geleid tot aanscherping van de wetgeving op dit vlak. Onderdeel daarvan is de strafbaarstelling, per 1 juli 2024, van seksuele intimidatie in het openbaar. Handhaving van dit verbod gebeurt door de politie. In een aantal zogenaamde ‘koplopergemeenten’ worden daarnaast ervaringen opgedaan met handhaving door buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s).
Het onderzoek
Beide vormen van handhaving zijn het komende jaar onderwerp van evaluatie door Regioplan en de Open Universiteit. Daarbij staat de vraag centraal hoe de handhaving in de praktijk verloopt, welke resultaten dat oplevert en of de handhaving effectief is. Specifiek voor de handhaving door boa’s wordt onderzocht aan welke randvoorwaarden moet worden voldaan om in de toekomst handhaving van dit verbod door boa’s ook in andere gemeenten in te kunnen voeren.
De uitkomsten van de evaluatie worden medio 2026 verwacht.
Instrumentontwikkeling regionaal zicht op seksueel geweld
In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het programma Geweld hoort nergens thuis– in samenwerking met de VNG en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen – worden vijf regio’s (Gelderland-Zuid, Groningen, Haaglanden, West-Brabant en Zuid-Holland-Zuid) ondersteund bij de ontwikkeling van een regionale aanpak seksueel geweld. Op dit moment is er echter weinig tot geen zicht op de aard en omvang van seksueel geweld en informatie over de slachtoffers en plegers op regionaal (en lokaal) niveau. Dit bemoeilijkt het opstellen van een effectieve regionale aanpak en de keuzes om in te zetten op de juiste interventies.
Wij zijn gevraagd om voor deze pilotregio’s een instrument te ontwikkelen dat, op basis van bestaande data, zicht geeft op de aard en omvang van seksueel geweld in de regio. Hiervoor zijn zowel landelijke als regionale databronnen geraadpleegd. De inzichten uit deze verschillende databronnen zijn samengebracht in één instrument per regio. Hoewel in het ontwikkeltraject is gebleken dat (over sommige indicatoren) nog weinig informatie beschikbaar is, is met de instrumentontwikkeling een eerste stap gezet in het bijeen brengen van regionale informatie. De instrumenten bevatten informatie over:
- de prevalentie van seksueel geweld (bijvoorbeeld aantal meldingen);
- kenmerken van het geweld (bijvoorbeeld vorm, setting);
- kenmerken van slachtoffers (bijvoorbeeld sekse, leeftijd, seksuele oriëntatie);
- kenmerken van plegers (bijvoorbeeld sekse, leeftijd)
De instrumenten kunnen door de regio’s ingezet worden voor het aanscherpen van de regionale aanpak. Zo kunnen de cijfers over de aard en omvang richting geven voor de speerpunten in de aanpak en in te zetten interventies, maar kunnen ook ingezet worden voor monitoring, evaluatie en sturing. Daarnaast kan het instrument bijdragen aan het agenderen van de urgentie van de problematiek.
Meer weten?
Meer weten over de instrumentontwikkeling of interesse in een instrument voor uw regio of gemeente? Of wilt u weten wat wij voor de aanpak seksueel geweld in uw regio of gemeente kunnen betekenen? Neem dan contact op met Katrien de Vaan.