Kosten ontoereikende hulpverlening Rotterdam

Dak- en thuisloosheid gaat gepaard met verschillende problemen. Deze problemen zorgen niet alleen voor groot persoonlijk leed, maar kunnen ook hoge kosten voor de maatschappij opleveren. Voor de stichting Lekker Geven zetten we deze kosten op een rij en onderzoeken we welke problematiek en kosten voorkomen hadden kunnen worden door toereikende hulp te bieden.

Het grootste probleem van dak- en thuisloze mensen is dat zij geen woning hebben. Het niet hebben van een woning kan vervolgens tot een veelvoud aan ernstige problemen leiden. Zo hebben dak- en thuisloze mensen vaak te maken met lichamelijke en mentale problemen en kampen ze vaak met verslavingsproblematiek. Dak- en thuisloze mensen lopen sneller verwondingen op, verouderen sneller en gaan uiteindelijk eerder dood.

Problemen die in eerste instantie relatief makkelijk op te lossen zijn, zoals een wondinfectie, worden niet altijd goed behandeld en verergeren of leiden tot nieuwe problemen. Vervolgens is specialistische hulp nodig, wat  gepaard met een aanzienlijke stijging in kosten.

De stichting Lekker Geven vermoedt dat het bieden van toereikende hulp in een eerder stadium voor minder problematiek op een later moment kan zorgen en daarbij de stijging in kosten kan voorkomen. De stichting heeft Regioplan gevraagd om de kosten van ontoereikende én toereikende hulp in kaart te brengen en te onderzoeken met welke besparingen toereikende hulp gepaard gaat. Hiermee wil de stichting een indicatie geven van de maatschappelijke kosten en baten bij (on)toereikende maatschappelijke ondersteuning.

Om de kosten en mogelijke besparingen te onderzoeken, hebben we een deel van de levensloop van drie (ex-)dak- en thuisloze mensen op een rij gezet. We interviewden hen over hun huidige situatie, hoe deze tot stand is gekomen, de problemen die zij hebben ervaren in hun levensloop en het beroep dat zij hebben moeten doen op (onder andere) opvang, zorg, en hulpdiensten. Hiervan hebben we de kosten op een rij gezet.

Vervolgens zijn we in gesprek gegaan met hulpverleners om te bespreken hoe deze drie personen het beste geholpen hadden kunnen worden, welke problemen dit had voorkomen en welk beroep op opvang, zorg en hulpdiensten hiermee bespaard had kunnen worden. Ook van dit alternatieve scenario hebben we de kosten en besparingen op een rij gezet, om zo een vergelijking te kunnen maken.

 

Toegankelijkheid podiumkunsten

In opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voert Regioplan samen met PodiumINC een onderzoek uit naar de toegankelijkheid van de podiumkunstensector voor mensen met een beperking die werken op of achter het podium.

Podiumkunsten zoals muziek, theater, dans en festivals bereiken een breed publiek en spelen daarmee een belangrijke maatschappelijke rol. Hoewel er binnen de sector steeds meer aandacht is voor diversiteit en inclusie, is er tot nu toe weinig bekend over de toegankelijkheid voor mensen met een beperking die werkzaam zijn in de sector. Dit geldt zowel voor artiesten op het podium als voor professionals achter de schermen, zoals technici en producenten.

Toegankelijkheid gaat daarbij verder dan fysieke toegankelijkheid alleen. Het onderzoek richt zich ook op arbeidsmatige, sociale, maatschappelijke en artistieke toegankelijkheid. Vanuit het VN-verdrag Handicap wil OCW beter inzicht krijgen in hoe toegankelijk de podiumkunstensector is voor mensen met verschillende beperkingen.

Aanpak van het onderzoek

Het onderzoek heeft een mixed-method aanpak. Met een enquête brengen we ervaringen met toegankelijkheid in de hele sector in kaart. Daarbij bevragen we mensen met een beperking die (willen) werken in de podiumkunsten, maar ook mensen zonder beperking en werkgevers. Daarnaast voeren we verdiepende interviews met mensen met een beperking en organiseren we focusgroepen met werkgevers.

Vanuit een narratief onderzoeksperspectief onderzoeken we hoe toegankelijkheid in de praktijk wordt ervaren en welke drempels en kansen daarbij een rol spelen. Het begrip ‘beperking’ benaderen we vanuit de Disability Studies, waarbij de wisselwerking tussen iemands beperking en de werkomgeving centraal staat.
Tijdens het onderzoek werken we samen met een klankbordgroep van ervaringsdeskundigen. Zij zijn werkzaam in de podiumkunstensector, hebben een beperking en voorzien het onderzoek gedurende het hele traject van gevraagd en ongevraagd advies.

Aan het einde van het onderzoek formuleren we concrete aanbevelingen voor een toegankelijkere podiumkunstensector. De resultaten vormen een belangrijke basis voor toekomstige beleidsontwikkeling.

Evaluatie Generieke Werkgeversvoorziening

Vanaf maart 2020 kunnen werkgevers aan de slag gaan met de Generieke Werkgeversvoorziening (GWV), waarmee zij werkplekken en -processen toegankelijk kunnen maken voor meerdere mensen met een structurele arbeidsbeperking. We onderzoeken voor UWV en het ministerie van SZW welke werkgevers gebruikmaken van deze werkplekgebonden voorziening en wat de ervaringen zijn met het aanvraagproces, de implementatie en het gebruik van de voorziening.

De GWV kent een innovatief karakter ten opzichte van andere vergoedingen voor werkplekaanpassingen. De GWV is namelijk niet persoons- maar werkplekgebonden. De voorziening is dus niet gericht op een individu, maar op groepen werkenden. Dit heeft als theoretische meerwaarde dat nieuwe doelgroepen met een beperking kunnen worden bereikt, werkzoekenden nog niet in beeld hoeven te zijn, en dat schaalvergroting optreedt omdat meerdere mensen van de werkplekaanpassing gebruik kunnen maken.

Wat gaan we doen?

Om te onderzoeken in hoeverre theorie en praktijk verschillen ondernemen we de volgende vier activiteiten:

1. Met deskresearch en input van sleutelfiguren stellen we een beleidstheorie op, waarin we de beoogde werking en effecten van de GWV beschrijven. Op basis van de beleidstheorie maken we een analysekader, waarmee we gericht informatie op kunnen halen.

2. We voeren een kwantitatieve analyse uit, waarin we de kenmerken van bedrijven die een aanvraag hebben gedaan analyseren. We vergelijken bedrijven aan wie de voorziening is toegekend met bedrijven waarvan de aanvraag is afgewezen. Ook onderzoeken we de ontwikkeling van arbeidsparticipatie na toekenning van de voorziening.

3. We interviewen verschillende werkgevers die een aanvraag hebben gedaan of hier over na hebben gedacht. We willen weten wat hun motieven waren om uiteindelijk een aanvraag te doen, of juist niet, en hoe zij het aanvraagproces ervoeren.

4. We bezoeken werkgevers om zicht te krijgen op de implementatie en de werking van de werkplekaanpassing en om de ervaring van alle betrokkenen, waaronder jobcoaches en arbeidsdeskundigen, in kaart te brengen.

Het eindrapport wordt begin volgend jaar verwacht.

Meer weten?

Neem dan contact op met projectleider Yannick Bleeker.