Met gepast geweld. Aard, omvang en ontwikkeling van politiegeweld in Nederland in 2016.

Politiegeweld staat opnieuw volop in de aandacht. Wat weten we over politiegeweld in Nederland? Wij deden samen met de Vrije Universiteit Amsterdam onderzoek naar geweldgebruik door agenten in 2016, in vergelijking met de jaren 2000, 2005 en 2010.

Het onderzoek laat zien dat de politie naar verhouding minder vaak fysiek politiegeweld gebruikt maar relatief vaker pepperspray en vuurwapen inzet. De omvang en achtergrond van politiegeweld is nauwelijks veranderd. Een mogelijke verklaring voor de geconstateerde verschuiving van fysiek geweld naar de inzet van geweldsmiddelen als pepperspray en vuurwapen is dat politiemensen meer oog hebben voor de eigen veiligheid: meer afstand houden en daarmee ook minder fysiek geweld gebruiken maar eerder andere geweldsmiddelen Ook veranderingen in de aansturing van politiemensen, zoals meer druk op noodhulp en gebruik van actuele informatie over de melding, bieden wellicht een verklaring.

#MeToo laat maatschappelijke machtsverschillen zien tussen man en vrouw

#MeToo kaart de rol van gender en machtsmisbruik bij seksueel geweld aan. Dezelfde mechanismen liggen ook onder huiselijk geweld, schrijft onze collega Katrien de Vaan in haar recente bijdrage aan Sociale Vraagstukken. Ze betoogt dat het nodig is om die onderliggende mechanismen te adresseren, willen we dit geweld succesvol kunnen bestrijden.

Het artikel vindt u hier.

Slachtoffers van zedenmisdrijven: een verkenning van de overwegingen voor contact met politie en/of hulpverlening

Slachtoffers van zedenmisdrijven doen minder vaak aangifte bij de politie dan andere slachtoffers. Er zijn bovendien aanwijzingen dat de aangiftebereidheid de laatste jaren verder is afgenomen. Hoe kan dit?

Om daar meer grip op te krijgen, voerden we een verkennend onderzoek uit naar de factoren en de overwegingen die een rol spelen bij volwassen slachtoffers van zedenmisdrijven om het delict wel of niet te melden bij de politie, wel of geen aangifte te doen van het delict en de keuze om wel of geen hulp te zoeken.

In het onderzoek werden verschillende bronnen geraadpleegd. Naast de interviews met slachtoffers werkten vijftien professionals mee aan een telefonisch interview, is een beknopte internationale literatuurstudie uitgevoerd en zijn geanonimiseerde registraties van de Nationale Politie en een hulpinstantie geanalyseerd.

Meer informatie?
Neem contact op met Yannick.

Lees ook het artikel over dit onderzoek dat in de Secondant verscheen.

Dit onderzoek vond plaats in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Terugkeer van overvallers en straatrovers naar gemeenten. Evaluatie van de pilot BIOS

De terugkeer van ex-gedetineerden naar gemeenten heeft in het verleden tot problemen met de openbare orde geleid. Het is belangrijk dat de burgemeester zich hierop kan voorbereiden en zo nodig maatregelen kan nemen. Daarvoor is een informatiekanaal ingericht. Vanwege de bescherming van de privacy staat dat los van de bestaande gegevensstroom ten behoeve van nazorg aan ex-gedetineerden (huisvesting, inkomen, documenten). We evalueerden de informatievoorziening in de pilots BIVGEG en BIJ voor terugkerende daders van gewelds- en zedendelicten. Nadat de informatievoorziening was uitgebreid naar daders van overvallen en straatroven (pilot BIOS) voerden we opnieuw een evaluatie uit met aandacht voor de acties van burgemeesters en voor de privacy van de ex-gedetineerden.

Meer informatie?
De evaluaties voerden we uit in opdracht van het ministerie van JenV en van het WODC.

U kunt contact opnemen met Ger.

Woningovervallen op senioren

Uit een eerdere studie van het KLPD ‘Woningovervallen ontmaskerd’ naar de modus operandi van het fenomeen woningovervallen, is gebleken dat circa één vijfde (21,5%) van de slachtoffers bejaard is, dat wil zeggen 65 jaar of ouder. Deze verkenning die Regioplan in opdracht van Politie en Wetenschap uitvoerde richt zich daarom op senioren als slachtoffer en is gebaseerd op een literatuuronderzoek, analyses van cases in het Landelijk Overvallen en Ramkraken Systeem (LORS) waarbij 573 gevallen uit de jaren 2009 t/m 2012 zijn geanalyseerd en interviews met negen slachtoffers van woningovervallen.



De onderzochte woningovervallen laten zien dat daders van woningovervallen op senioren relatief jong zijn en weinig georganiseerd te werk gaan. Niet zelden loopt een babbeltruc aan de voordeur uit tot een worsteling en het binnendringen van de woning.
Het algemene beeld dat ontstaat is dat (de mate van) verweer daarnaast voornamelijk afhankelijk is van onder andere fysieke persoonskenmerken van slachtoffers. Zoals ook uit eerder onderzoek blijkt, zijn senioren vaker geneigd verweer te plegen dan slachtoffers van woningovervallen in het algemeen (20 ten opzichte van 15%). De slachtoffers die werden geïnterviewd geven aan in een impuls te handelen. In veel van de geanalyseerde gevallen leidt geweld van de zijde van het slachtoffer tot meer geweld van de dader(s). Schreeuwen of op een andere wijze alarm slaan blijkt vaker zijn vruchten af te werpen. Daders slaan doorgaans op de vlucht.
Het gemak waarmee een woning binnen te komen is, is van belang bij de toevalskeuze van daders voor een te overvallen woning. Daarmee wordt niet bewust voor een ouder slachtoffer gekozen. Bij veel van de woningovervallen wordt aangebeld en proberen daders met geweld toegang tot de woning te krijgen.



Regioplan komt op basis van de resultaten met enkele tips voor senioren en voor slachtoffers van woningovervallen in het algemeen.

Meerwaarde integrale opvang en hulpverlening aan slachtoffers van seksueel geweld

De laatste jaren zijn verschillende initiatieven gestart om de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld in de acute fase te verbeteren. De Centra seksueel geweld in Utrecht en Nijmegen hebben als doel het bieden van integrale hulp aan slachtoffers. Regioplan en het Verwey Jonker instituut hebben de werkwijze van deze twee centra en vier andere initiatieven onderzocht.



Het rapport is opgesteld in opdracht van de ministeries van VWS en VenJ. De conclusies van dit rapport en de reacties op dit rapport van het landelijk netwerk van CSG’s en andere betrokkenen zoals de VNG, zullen door de ministeries worden meegenomen bij de formulering van een opdracht voor een stimuleringsproject. Het stimuleringsproject heeft tot doel om de verschillende wijzen waarop de bundeling van CSG-functies succesvol kunnen zijn, landelijk te verspreiden. Daarnaast is het project bedoeld om CSG’s te helpen de gesignaleerde knelpunten op te lossen. Tot slot is het stimuleringsproject erop gericht om een betere regionale en lokale bestuurlijke inbedding te bevorderen.

Metamonitor Veilige Publieke Taak 2013

Met het programma Veilige Publieke Taak (VPT) stimuleert de overheid de vermindering van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Het ministerie van BZK heeft in de afgelopen jaren drie keer een centraal onderzoek in de VPT-sectoren laten uitvoeren naar de omvang van agressie en geweld, de gevolgen ervan en de implementatie van maatregelen in organisaties.



In 2013 liet het ministerie van BZK, in tegenstelling tot in eerdere jaren, geen centraal enquêteonderzoek uitvoeren, maar een metamonitor. Een metamonitor gebruikt resultaten van eerdere onderzoeken om een beeld van (in dit geval) agressie en geweld te vormen. Regioplan voerde deze eerste metamonitor VPT voor het ministerie van BZK uit.



Uit het onderzoek blijkt dat metamonitoring een geschikt instrument is om gericht de ontwikkelingen in de verschillende VPT-sectoren te volgen. Een duidelijke meerwaarde van een metamonitor is de mogelijkheid om sectorale onderzoeken te betrekken die veel gerichter de sectorspecifieke omstandigheden kunnen belichten dan dat in een centrale meting mogelijk is.

De onderlinge vergelijkbaarheid van de gegevens uit de sectorale monitoren is, zoals verwacht, beperkter omdat de opzet en uitvoering van de onderzoeken per sector sterk verschillen. In deze metamonitor is er daarom voor gekozen om – in aanvulling op de sectorale monitoren – de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) van TNO te gebruiken om een landelijk beeld te genereren.



Het onderzoeksrapport, met daarin de resultaten per VPT-sector, kunt u hieronder downloaden.

Ontwikkeling van sociale veiligheid in en rond scholen p(s)o en v(s)o 2006-2012: brochure

Op 21 december 2012 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de brochure ‘Ontwikkeling van sociale veiligheid in en rond scholen p(s)o en v(s)o 2006-2012’ aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin zijn gegevens opgenomen over het sociaal veiligheidsbeleid en veiligheidsmaatregelen van scholen, ervaring van sociale (on)veiligheid van betrokkenen in het onderwijs en de mate waarin incidenten voorkomen. De gegevens uit de monitor leveren belangrijke achtergrondinformatie voor het brede maatschappelijke debat over pesten dat de staatssecretaris samen met de Kinderombudsman begin januari 2013 gaat organiseren. De monitor is uitgevoerd door ITS en Regioplan.

Evaluatie Amsterdamse aanpak eergerelateerd geweld

In opdracht van de gemeente Amsterdam evalueren we de lokale aanpak van eergerelateerd geweld. De vraag naar de samenwerking staat daarbij centraal: er zijn veel partijen betrokken bij de aanpak. Doen zij de goede dingen, en doen zij die dingen goed?

Monitor agressie en geweld Openbaar Bestuur 2012

Voor de kwaliteit van het openbaar bestuur is het van groot belang dat ambtenaren, bestuurders en volkvertegenwoordigers zichtbaar zijn en midden in de samenleving staan. Dit maakt hen helaas ook kwetsbaar voor agressie en geweld door burgers en voor beschuldigingen van belangenverstrengeling of ander ongewenst gedrag. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vindt het, gesteund door de beroepsorganisaties, van groot belang goed inzicht te hebben in de aard van deze problematiek en in de mate waarin organisaties een actief beleid voeren.



Het onderzoek is voor de tweede keer uitgevoerd onder politieke ambtsdragers (gemeente, provincie enwaterschappen) en overheidsmedewerkers. Tevens is het onderzoek dit jaar aangevuld met een onderzoek onder griffiers (gemeenten, provincies) en secretarissen (gemeente, provincie, waterschappen en departementen.