Kernwoord: Jeugd
Wegwijzer voor domeinoverstijgende aanpak jeugdcriminaliteit
Steeds vaker maken criminele netwerken gebruik van jongeren in kwetsbare posities voor ogenschijnlijk eenvoudige taken – zoals het doorgeven van berichten of het ophalen van pakketjes – die uiteindelijk kunnen leiden tot een diepere rol in de criminele onderwereld. Dit vraagt om een samenhangende aanpak waarin zowel sociale steun als veiligheid centraal staan. Gemeenten hebben hierin een belangrijke rol, maar die samenwerking verloopt niet altijd vanzelfsprekend.
De nieuwe wegwijzer brengt gemeenschappelijke uitdagingen in kaart en biedt concrete suggesties, voorbeelden en inzichten uit de praktijk om samenwerkingsprocessen te verbeteren. Hoewel het geen kant-en-klare recepten bevat, biedt het document handvatten om de samenwerking tussen verschillende gemeentelijke teams en partners in de wijk beter vorm te geven.
Het document is tot stand gekomen via intensieve samenwerking met 26 gemeenten, die hun ervaringen en knelpunten hebben gedeeld via bijeenkomsten en interviews. Hiermee is de wegwijzer een reflectie van wat werkt en wat in de praktijk kan worden toegepast.
Het doel van deze wegwijzer is om gemeenten uit te nodigen om de samenwerking tussen het sociaal en veiligheidsdomein verder te versterken, zodat jongeren op een vroegtijdige en effectieve manier geholpen kunnen worden en de leefomgeving voor iedereen veiliger wordt.
Kennissynthese Kansrijke Start
In 2018 startte het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) het actieprogramma Kansrijke Start, met als missie om zoveel mogelijk kinderen een gezonde en veilige start in het leven te bieden. In 2022 kreeg het programma een vervolg met Kansrijke Start 2022-2025 Sterke ouders, gezonde kinderen.
Het actieprogramma zet in op extra ondersteuning voor gezinnen in kwetsbare omstandigheden, met als essentieel onderdeel een goede samenwerking tussen het medische en het sociale domein en de publieke gezondheidszorg. De ambitie is dat de aanpak in elke gemeente structureel vorm krijgt, via coalities Kansrijke Start, zodat door adequate ketensamenwerking en de inzet van werkzame interventies (aanstaande) ouders in een kwetsbare situatie tijdig passende zorg en ondersteuning ontvangen. Het uiteindelijke doel is dat zo veel mogelijk kinderen een kansrijke start krijgen.
Zeven jaar na het begin van het actieprogramma is nu de balans opgemaakt. In opdracht van het ministerie van VWS voerde Regioplan een kennissynthese Kansrijke Start uit. Deze analyse is bedoeld om inzicht te geven in de mate in hoeverre de ambities, doelstellingen en beoogde effecten van het programma zijn behaald. Waar staat het programma anno 2025? En welke lessen zijn er te trekken voor een toekomstbestendige aanpak na 2025?
Uit het onderzoek volgt dat Kansrijke Start breed is omarmd, maar dat de implementatie nog ongelijkmatig is: zo heeft 87% van de gemeenten een lokale of regionale coalitie Kansrijke Start. Bij een deel van de gemeenten ontbreekt echter nog een plan van aanpak. Daarnaast is vroegsignalering van kwetsbare situaties cruciaal, maar nog niet structureel geborgd. Tot slot betekent de overgang van Kansrijke Start van landelijk actieprogramma naar beleidsthema in 2026 dat gemeenten, regio’s en lokale netwerken meer verantwoordelijkheid moeten nemen. Het rapport benadrukt het belang van duurzame financiering, monitoring en leerinfrastructuur om dit te ondersteunen.
Meer weten over het onderzoek? Lees dan hier het eindrapport!
Bescherming kinderen tegen afsluiting van drinkwater en energie
Afgelopen jaar heeft Regioplan, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en het Ministerie van Economische Zaken, onderzoek gedaan naar de vraag of en wat er nodig is om kinderen beter te beschermen tegen de afsluiting van drinkwater en energie. Middels interviews met experts en betrokkenen en kwantitatieve data van onder andere het CBS hebben we onderzocht wat er nodig zou zijn om huishoudens met kinderen beter te beschermen tegen afsluiting van drinkwater en energie. Daarnaast hebben we een internationale verkenning uitgevoerd om maatregelen uit het buitenland te beschrijven en daarmee oplossingsmogelijkheden voor Nederland te onderzoeken. Specifiek daarbij hebben we de mogelijkheden voor een drinkwaterfonds onderzocht.
De uitkomsten van dit onderzoek hebben geleid tot een aantal aanbevelingen zoals:
- Optimaliseren van het (vroeg)signaleringsproces door de signalen die drinkwaterbedrijven en gemeenten uitwisselen te harmoniseren: bijvoorbeeld door middel van een minimaal bedrag en een minimaal aantal maanden betalingsachterstanden voor een vroegsignaal, informatie over de aanwezigheid van kinderen en verplicht drinkwaterbedrijven om een afsluitsignaal te sturen voordat zij tot afsluiting overgaan.
- Optimaliseer de afsluitregeling drinkwater naar voorbeeld van de afsluitregeling energie.
- Verken de mogelijkheid van schuldenbewind om mensen te beschermen tegen verdere financiële problemen.
- Het overwegen om kinderen op te nemen onder de definitie van kwetsbare afnemers in de afsluitregeling voor drinkwater.
- Op basis van onder andere onze aanbevelingen gaat het kabinet aan de slag met het verbeteren van het sociaal incassoproces en de afsluitregeling voor drinkwater.
De volledige reactie van de ministers kun je lezen in deze kamerbrief.
Evaluatie Pilot Regie Jeugd in gemeente Leidschendam Voorburg
In januari 2023 is de gemeente Leidschendam-Voorburg de pilot Regie Jeugd gestart waarbij regie wordt gevoerd op casussen waarbij onveiligheid speelt. We onderzoeken hoe de pilot Regie in de praktijk vorm heeft gekregen en wat dit betekent voor de betrokkenen (consulenten, cliënten en partners) en welke aanknopingspunten er zijn voor de verdere ontwikkeling van de regiefunctie.
Achtergrond
In januari 2023 is in de gemeente Leidschendam-Voorburg de pilot Regie Jeugd gestart. In deze pilot wordt er regie gevoerd op casussen waarbij onveiligheid speelt in de vorm van (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling en op casussen waarin behoefte is aan regie op afstemming van de door gemeentelijke consulenten toegewezen hulp als onderdeel van de wettelijke toeleidingstaak van de gemeente. Rond de zomer van 2023 heeft een tussenevaluatie van de pilot plaatsgevonden waarbij vanuit het perspectief van betrokkenen binnen de gemeente heeft geleid tot een verdere afbakening van de regierol.
Doel van het onderzoek
De gemeente Leidschendam-Voorburg ziet, met het oog op het aflopen van de pilot, graag een eindevaluatie waarbij alle perspectieven meegenomen worden (zowel van externe als interne partners en het perspectief van cliënten). Regioplan voert deze evaluatie uit en beantwoordt middels het onderzoek de hoofdvraag ‘Hoe heeft de pilot Regie in de praktijk vorm gekregen, wat betekent dit voor de betrokkenen (consulenten, cliënten en partners) en welke aanknopingspunten zijn er voor een verbeterde vormgeving van de regiefunctie?
Regie op dit soort complexe casuïstiek is een zeer actueel onderwerp voor gemeenten: zowel het Toekomstscenario als de Hervormingsagenda Jeugd vragen namelijk van gemeenten dat ze een actieve en centrale rol pakken, meer dan nu het geval is. Het onderzoek zal daarom zowel voor de gemeente Leidschendam-Voorburg als andere gemeenten waardevolle kennis opleveren over hoe deze functie effectief kan worden ingevuld.
Meer weten?
Neem dan contact op met Coco Bastiaansen.
Evaluatie clausulering recht op omgang na partnerdoding
De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij samen met onderzoekers van Avans Hogeschool een evaluatie van deze wet uit.
Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Tevens probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.
Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.
Borging van expertise
Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen wiens ouders in detentie verblijven.
Tevens is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan dergelijke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in dergelijke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.
Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd, wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege personeelstekorten en het hoge personeelsverloop, waar ook GI’s mee te kampen hebben.
Het niet benoemen van een bijzondere curator
Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.
Conclusies
De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken. Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken op welke wijze en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over diens leven worden genomen.
Meer weten?
Download hieronder dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.
Evaluatie projectsubsidie NJi
Het NJi heeft in de periode 2017 tot en met 2021 jaarlijkse projectsubsidies ontvangen van het ministerie van OCW. Het ministerie van OCWS heeft ons gevraagd om de doelmatigheid van de besteding van het subsidiebedrag te evalueren.
In de periode 2017 tot en met 2021 heeft het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) jaarlijkse projectsubsidies ontvangen van het ministerie van OCW voor het verbeteren van de samenwerking tussen het onderwijs- en jeugddomein door middel van het ontwikkelen van een kennisinfrastructuur op / tussen deze domeinen.
Het doel van het onderzoek is om de doelmatigheid van de besteding van het subsidiebedrag te evalueren. Daarnaast geven we aanbevelingen voor het monitoren van de doelmatigheid van een eventuele instellingssubsidie.
De subsidie
Aanvankelijk was de projectsubsidie onderdeel van de implementatie van passend onderwijs, waarbij het doel was het ondersteunen van de verbinding tussen passend onderwijs en de jeugdzorg door middel van kennis. In de loop der jaren is de focus van de kennisrol van het NJi binnen het kader van deze projectsubsidie verbreed naar samenwerkings- en aansluitingsvraagstukken tussen het onderwijs- en het jeugdveld.
Bij het uitvoeren van het onderzoek was het NJi als subsidieontvanger en het OCW (samen met VWS) als subsidieverstrekker nauw betrokken. Daarnaast is er een enquête uitgezet onder stakeholders. Met enkele stakeholders hebben we daarnaast verdiepende interviews gevoerd. Naast een algemeen beeld van de opbrengsten van de kennisactiviteiten van het NJi, vroegen we ook naar de lessen die er uit de praktijk van de afgelopen periode getrokken kunnen worden.
Meer informatie? In het onderzoeksrapport rapporteren we de belangrijkste kernbevindingen van de evaluatie en schetsen we op basis daarvan enkele toekomstscenario’s voor het vervolg van de subsidieopdracht. Lees het onderzoeksrapport hier of neem contact op met onderzoeker Suna Duysak voor meer informatie.
Evaluatie programma Jong Leren Eten
Het programma Jong Leren Eten heeft als doel jeugdigen tot 18 jaar voedselvaardiger te maken door zowel landelijk als regionaal netwerken te versterken en activiteiten gericht op duurzaamheid en op gezond eten aan elkaar te verbinden. Regioplan voert de tussen- en eindevaluatie uit van de twee programmaperiodes (2021-2024).
Veel jeugdigen weten niet waar voedsel vandaan komt en eten ook onvoldoende groente en fruit. Het aanbod van activiteiten die jeugdigen voedselvaardiger kunnen maken, is versnipperd. Het doel van Jong Leren Eten is gericht op samenwerking tussen partners die actief zijn op thema’s duurzaamheid en gezondheid, zodat netwerken rondom voedseleducatie versterkt worden. Jong Leren Eten richt zich op de setting van kinderopvang en onderwijs (po, vo en mbo).
Tussen- en eindevaluatie
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) – de uitvoerder van Jong Leren Eten – heeft Regioplan gevraagd om een tussen- en eindevaluatie uit te voeren van de programmaperiode 2021-2024. De tussenevaluatie wordt begin 2023 uitgevoerd; de eindevaluatie midden 2024.
Regioplan heeft ook de vorige evaluatie van Jong Leren Eten uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de samenwerking rondom voedseleducatie is toegenomen en activiteiten gericht op duurzaamheid en gezondheid meer verknoopt zijn geraakt. De netwerkaanpak bleek echter niet volledig geborgd. Voor de tweede (huidige) programmaperiode wordt daarom de focus gelegd op borging van de netwerksamenwerking zodat er verankering is van voedseleducatie gerich op gezonde en duurzame voeding.
Regioplan onderzoekt tijdens de tussenevaluatie in hoeverre Jong Leren Eten op koers ligt om de doelen van de tweede programmaperiode te bereiken. Dit doen we door in gesprek te gaan met onder andere netwerkpartners.
Aanpak jeugdwerkloosheid voor kwetsbare schoolverlaters
Om kwetsbare schoolverlaters een duwtje in de rug te geven richting werk, worden zij extra ondersteund door hun scholen en gemeenten. Wij onderzoeken hoe deze ondersteuning in de praktijk vorm krijgt en welke lessen we hieruit kunnen trekken.
Kwetsbare schoolverlaters aan het werk
Jongeren worden in coronatijden hard geraakt door het plotselinge verlies in werkgelegenheid in bepaalde sectoren. Als onderdeel van het sociaal pakket heeft het kabinet specifieke middelen vrijgemaakt om schoolverlaters met een grotere kans op werkloosheid naar werk of (vervolg)onderwijs te begeleiden. Deze middelen gaan naar scholen (voortgezet speciaal onderwijs, praktijkonderwijs en mbo’s) en gemeenten (afdeling W&I en RMC). Aan hen de taak om samen te werken om kwetsbare schoolverlaters te ondersteunen. Hiertoe ontplooien zijn activiteiten in drie fases: tijdens school, van school en nazorg.

De praktijk in kaart brengen
Het ministerie van SZW wil via een praktijkgericht onderzoek graag inzicht in de ervaringen met de maatregelen van de aanpak jeugdwerkloosheid in de praktijk. Hoe werken de betrokkenen professionals vanuit de scholen en gemeenten op uitvoeringsniveau samen om de jongeren te helpen in de overgang van school naar werk? En welke interventies zetten zij hierbij in, en wat zijn daarmee hun ervaringen? De uitkomsten van het onderzoek worden gebruikt voor toekomstige beleidsontwikkeling en voor de verantwoording richting de Tweede Kamer.
Tussentijdse inzichten
Ons onderzoek bestaat uit een verkenningsfase en een verdiepingsfase. Begin 2022 hebben we de verkenningsfase uitgevoerd, bestaande uit een literatuurstudie naar praktijkvoorbeelden en interviews met regionale coördinatoren jeugdwerkloosheid. De inzichten hieruit zijn geland in een tussenrapportage.
Deze tussenrapportage laat zien dat de aanpak van jeugdwerkloosheid in de arbeidsmarktregio’s golfbewegingen kent, afhankelijk van wanneer hier rijksfinanciering voor beschikbaar is. Dit is onwenselijk voor het behoud van de regionale samenwerking en coördinatie van de aanpak. Verder zien we dat veel interventies erop gericht zijn om jongeren een doorgaande begeleiding te bieden tijdens de transitie van school naar werk, door de begeleiding vanuit de gemeente te vervroegen of juist vanuit de school door te laten lopen.
Dit is in lijn met aanbevelingen uit het IBO jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt, dat in 2019 verscheen. Wel signaleren veel regiocoördinatoren dat er nog te veel in ‘hokjes’ wordt gedacht, omdat bepaalde vormen van ondersteuning bijvoorbeeld alleen beschikbaar zijn voor jongeren zonder startkwalificatie of op Mbo Entree niveau. Ook jongeren die buiten deze ‘hokjes’ vallen, kunnen kwetsbaar zijn en aanvullende ondersteuning behoeven.
Vervolg: Verdieping in de praktijk
In de tweede helft van 2022 vindt de verdiepingsfase van het onderzoek plaats, waarin we een aantal casestudies uitvoeren in arbeidsmarktregio’s. Daarbij gaan we met de verschillende professionals uit de praktijk in gesprek over hun aanpak en samenwerking. Ook voeren we interviews met de jongeren zelf en gaan we activiteiten observeren. Naast een eindrapport ontwikkelen we een actiegericht product voor professionals, mede geholpen door een praktijkpanel met daarin diverse veldpartijen.
Impactmonitor Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht
Overgewicht onder kinderen en jongeren neemt toe. Zo ook in Amsterdam. In 2012 startte de gemeente Amsterdam daarom met de Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht (AAGG). Het uiteindelijk streven van het programma is dat alle Amsterdamse kinderen op gezond gewicht zijn in 2033. De AAGG wil graag meer zicht op het (mogelijke) succes van het programma en handvatten voor de verdere inrichting van de aanpak. Wij helpen de AAGG daarom bij het ontwikkelen van een impactmonitor.