Woon- en werkoverwegingen kinderopvang en (jeugd)zorg Amsterdam

Amsterdam kampt met personeelstekorten in de kinderopvang en de (jeugd)zorg. De gemeente wil daar iets aan doen, maar wil eerst weten hoe het precies zit met de woon- en werksituatie van de werknemers in deze sectoren. Dit brachten wij in beeld op basis van bestaande en nieuw verzamelde informatie. Dat deden we ook voor de onderwijssector in Amsterdam.

Meer informatie?
Neem contact op met Hedwig of Jos.

Inventarisatie beschikbare gegevens over kwaliteit en effectiviteit van vve in de G37

In opdracht van het ministerie van OCW heeft Regioplan een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar de beschikbaarheid van gegevens over kwaliteit en effectiviteit van voor- en vroegschoolse educatie (vve) bij de G37 gemeenten.
Het rapport is niet openbaar.

Evaluatie specifieke uitkering en gemeentelijk beleid inzake onderwijsachterstanden

In 2010 is de Wet Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie (wet Oke) in werking getreden. In het kader van deze wet ontvangen gemeenten sinds 2011 een nieuwe specifieke uitkering ter bestrijding van onderwijsachterstanden. In samenwerking met Cebeon heeft Regioplan de besteding van deze geoormerkte uitkering onderzocht. Het ging hierbij zowel om uitgavenanalyses als om beleidskeuzen van gemeenten.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat G37-gemeenten de wettelijke taken naar behoren uitvoeren. Voor niet-G37-gemeenten kon niet met zekerheid worden vastgesteld of de uitvoering van de wettelijke taken voldoende wordt ingevuld. Daarnaast laten de G37 op het gebied van de bovenwettelijke taken een duidelijke verbetering zien, al is er op enkele onderdelen nog winst te behalen.

Evaluatie VVE scholingsactiviteiten

Regioplan onderzocht voor de gemeente Den Haag in hoeverre het door hen gesubsidieerde scholingsaanbod voor aanbieders van voor- en vroegschoolse educatie aansluit bij de praktijk. Op basis van de uitkomsten schreven we een advies over het vve-scholingsbeleid in de toekomst. Het rapport is niet openbaar.

Kinderopvang en sociaal-medische indicatie – een scenariostudie

In 2005 is de Wet op de kinderopvang in werking getreden, die de stelselverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de kinderopvang bij de gemeenten legt. Artikel 23 van de wet zou voorzien in de mogelijkheid dat ouders die in principe niet voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang in aanmerking komen, toch gesubsidieerd gebruik kunnen maken van kinderopvangvoorzieningen als er sprake is van sociaal-medische redenen. Dit artikel is nooit in werking getreden. Daarvoor in de plaats is een tijdelijke regeling getroffen die gemeenten de mogelijkheid biedt een eigen gemeentespecifieke regeling te treffen en zijn er via het gemeentefonds gelden beschikbaar gesteld.

Regioplan bracht voor het ministerie van SZW in kaart op welke manier gemeenten uitvoering geven aan de regeling en wat hun ervaringen en wensen zijn ten aanzien van een eventuele wettelijke borging daarvan. Op grond daarvan zijn een aantal scenario’s voor het al dan niet wettelijk borgen van de regeling en de mogelijkheden daarvoor geschetst.

Ervaringen met en effecten van de rekentool beroepskracht-kindratio

Sinds 1 januari 2013 maakt de GGD bij de inspectie van kinderopvanglocaties gebruik van de rekentool beroepskracht-kindratio. Met de invoering van dit instrument als enige correcte manier om het benodigde aantal pedagogisch medewerkers te bepalen, moest er een einde komen aan de interpretatieverschillen van de daarvoor geldende regels.
Evaluatieonderzoek van Regioplan in opdracht van het ministerie van SZW wijst er op dat de rekentool aan de verwachtingen lijkt te voldoen. De rekentool wordt door bijna alle gebruikers als een nuttig en gebruiksvriendelijk instrument gezien, en zowel kinderopvangorganisaties als GGD-inspecteurs zijn in meerderheid van mening dat de rekentool tot meer duidelijkheid heeft geleid over de beroepskracht-kindratio.

Van knelpunten naar kansen. Oude en nieuwe rollen van gemeenten in de kinderopvang.

Met de invoering van de wet op de kinderopvang in 2005 werd kinderopvang een taak van de markt. Behalve een handhavingstaak had de gemeente vanaf dat moment formeel geen bemoeienis meer met de kinderopvangbranche. Verschillende ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat gemeenten zich opnieuw zijn gaan positioneren ten opzichte van de kinderopvangbranche.



In deze publicatie worden daarvan voorbeelden gegeven uit de gemeenten Amersfoort, Amsterdam, Den Haag, Ede, Haarlem, Nijmegen, Rotterdam en Utrecht. Deze gemeenten sloten in 2011 een convenant met het Ministerie van Sociale Zaken ter bestrijding van de wachtlijsten in de kinderopvang. De voorbeelden beperken zich niet tot acties ter bestrijding van de wachtlijsten in de kinderopvang maar zijn breder van aard. Daarbij staat de rol van de gemeente in vier thema’s centraal: de afstemming van vraag en aanbod in de kinderopvang, kinderopvang en het achterstandenbeleid, kinderopvang in de jeugdketen en kwaliteit.

Ontwikkelingen in de omvang en de gemeentelijke financiering van het peuterspeelzaalwerk

In het kader van de evaluatie van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (WKO) heeft Regioplan onderzoek gedaan naar de omvang en financiering van, en ontwikkelingen in het peuterspeelzaalwerk.
De resultaten laten zien dat capaciteit van het peuterspeelzaalwerk de afgelopen jaren verder is gedaald. Ook de bestedingen van gemeenten aan het (reguliere) peuterspeelzaalwerk zijn, ondanks de extra middelen die gemeenten voor de versterking het peuterspeelzaalwerk ontvangen hebben, gedaald.
Belangrijke organisatorische ontwikkelingen binnen gemeenten zijn: de samenwerking van peuterspeelzaal- en kinderopvangorganisaties en het fysiek bij elkaar brengen van peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en onderwijs. De wet OKE lijkt hiermee vruchten af te werpen.

Het gebruik van en de behoefte aan kinderopvang in de gemeente Amersfoort

De gemeente Amersfoort wenste een duidelijker beeld te krijgen van de mogelijke tekorten aan kinderopvang en de wijken waar deze tekorten zich voor zouden doen. Daarvoor zijn de behoefte en het gebruik van kinderopvang voor 0- tot 4-jarigen en voor 4- tot 12-jarigen in kaart gebracht met behulp van een enquête onder ouders van een representatieve steekproef van kinderen uit deze leeftijdsgroepen. Het onderzoek geeft inzicht in de redenen van het (niet) gebruiken van kinderopvang, de tevredenheid over de kinderopvang, de ontwikkelingen in de vraag naar kinderopvang in het afgelopen jaar en de verwachtingen voor het komend jaar.

Monitor capaciteit kinderopvang 2008-2010: Capaciteitsgegevens in het jaar 2010

Op verzoek van het Netwerkbureau Kinderopvang brengt Regioplan in de periode 2008-2010 jaarlijks de landelijke capaciteit aan dagopvang en buitenschoolse opvang in kaart. Uit de meting van eind 2010 blijkt dat de capaciteit nog steeds groeit. In de dagopvang is het aantal kindplaatsen ten opzichte van 2009 met 16% gegroeid naar 191.514. De buitenschoolse opvang is met 20% opnieuw harder gegroeid naar 224.501 volledige kindplaatsen.
In 2010 is er, in tegenstelling tot eerdere jaren, sprake van een daling van het aantal organisaties dat gastouderopvang aanbiedt. Deze daling is waarschijnlijk toe te schrijven aan de nieuwe eisen die er sinds 1 januari 2010 aan de gastouderopvang worden gesteld.