Onderzoek professioneel handelen in de re-integratiedienstverlening

Professioneel handelen van re-integratieprofessionals is belangrijk voor goede en rechtvaardige dienstverlening. Samen met ZINZIZ en Zuyd Hogeschool voert Regioplan een onderzoek uit om zicht te krijgen op het professioneel handelen van UWV professionals in de re-integratiedienstverlening.

Het versterken van professioneel handelen is één van de sleutels tot een effectievere re-integratiedienstverlening. Tegelijkertijd is dit geen eenvoudige opgave. Professionals handelen soms routinematig, de urgentie voor professionele ontwikkeling is relatief laag en leidinggevenden sturen lang niet altijd op professioneel handelen. Daarnaast zetten capaciteitsproblemen de ruimte voor reflectie en ontwikkeling onder druk. Duidelijk is dat professioneel handelen complex is en dat het versterken ervan gerichte aandacht vraagt. Daarom voeren Regioplan, ZINZIZ en Zuyd Hogeschool in opdracht van UWV een kwalitatief onderzoek uit naar professioneel handelen. In dit onderzoek staat centraal hoe re-integratieprofessionals van UWV en hun leidinggevenden en managers aankijken tegen professioneel handelen, hoe zij hier in de praktijk invulling aan geven en welke factoren daarop van invloed zijn.

Het onderzoek wordt uitgevoerd bij meerdere UWV-locaties. We combineren verschillende methoden, zoals interviews, focusgroepen en observaties van gesprekken tussen professionals en cliënten en tussen professionals en leidinggevenden. Daarnaast maken we gebruik van Video Stimulated Recall. Hierbij worden gesprekken gefilmd en later samen met de betrokken professionals teruggekeken en besproken. Dit helpt om beter inzicht te krijgen in wat professionals doen, welke afwegingen en keuzes zij (soms onbewust) maken en welke factoren hun handelen beïnvloeden.

In het onderzoek zoomen we in op het krachtenveld waarbinnen professioneel handelen plaatsvindt en vorm krijgt. Daarvoor richten we ons op meerdere perspectieven. We kijken naar interacties tussen cliënten en professionals en tussen professionals en managers, naar het perspectief van professionals zelf en naar de organisatiecontext waarin zij werken. Ook besteden we expliciet aandacht aan de rol van leidinggevenden en managers en aan de invloed die zij hebben op het professioneel handelen. Vervolgens zoomen we uit om ook locatie-overstijgend inzicht te krijgen in professioneel handelen binnen UWV.

In verschillende fasen verzamelen en analyseren we ervaringen van professionals, leidinggevenden, managers en andere betrokkenen. We brengen patronen, overeenkomsten en verschillen in professioneel handelen in kaart. Op basis daarvan ontwikkelen we typologieën van professionals en beschrijven we welke factoren professioneel handelen stimuleren of juist belemmeren. Voor de operationalisatie en analyse gebruiken we het integratief gedragsmodel (IGM), aangevuld met een model van professionele autonomie. Daarmee duiden we zowel gedragsfactoren als de institutionele, technisch-instrumentele en ethisch-normatieve dimensies van professioneel handelen.

 

 

Behoefteonderzoek master digitale didactiek en digitale veiligheid

In het programma Digitaal Bekwaam MBO wordt multidisciplinair samengewerkt om de ICT-bekwaamheid van lesgevend personeel naar een hoger niveau te tillen. Het programma bestaat uit een zestal speerpunten. Een daarvan is het ontwikkelen van een master gericht op digitale didactiek en veilig digitaal onderwijs. In dit kader is Regioplan gevraagd om te onderzoeken of een master datgene is wat docenten nodig hebben om aan hun professionele groei en ontwikkeling op het gebied van digitale bekwaamheid te werken.

De doelstelling van het onderzoek was tweeledig:

  • het identificeren van specifieke professionaliseringsbehoeften van docenten in het mbo op het gebied van digitale bekwaamheid
  • het formuleren van een advies voor MBO Digitaal dat antwoord geeft op de vraag of de vorm van een master digitale didactiek en digitaal veilig onderwijs het aanleren van digitale bekwaamheid zal stimuleren

Het onderzoek laat zien dat er een duidelijke behoefte is aan verdere ontwikkeling bij docenten, maar hoe precies, dat varieert. Enerzijds is er een groep docenten die (net niet) basisvaardig is, wel baat heeft bij verdere professionalisering op dit gebied, maar niet de interesse heeft en de tijd ervaart om hiermee aan de slag te gaan. Anderzijds is er ook een groep “koplopers” die zich graag in een voortrekkersrol ziet, en zich verder wil ontwikkelen. Hun leervragen bevinden zich op het gebied van de inhoud. Zij zoeken naar inspiratie, willen op de hoogte blijven van (nieuwe) trends als Virtual Reality of AI en hebben behoefte aan theoretische onderbouwing voor de activiteiten die zij momenteel al uitvoeren. Verder ligt er een grote ontwikkelvraag op het gebied van veranderkunde, innovatie en implementatie. Het is de vraag of een nieuwe master digitale didactiek het juiste instrument is om in de leerbehoefte te voorzien. Zo zijn er twijfels bij het onderscheiden van digitale didactiek ten opzichte van didactiek en ondervangt de MLI grotendeels de ontwikkelvraag met betrekking tot veranderkunde.

Aan de hand van de opgehaalde informatie uit vragenlijsten en focusgroepen, formuleerden wij enkele aanbevelingen voor het programma Digitaal Bekwaam:

  • Samenwerking met lerarenopleidingen: Versterk de integratie van digitale vaardigheden in het curriculum van eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen en PDG-trajecten, zodat toekomstige docenten vanaf het begin digitaal vaardiger zijn.
  • Bijscholing voor huidige docenten: Onderzoek de mogelijkheden voor bijscholing van huidige docenten, waarbij de Monitor leren en lesgeven met ICT als basis kan dienen.
  • Laagdrempelige professionalisering: Stimuleer informele en inspirerende activiteiten die bijdragen aan de professionele ontwikkeling van docenten.
  • Module voor specialisatie: Verken de mogelijkheid om een losse of aanvullende module te ontwikkelen voor docenten die zich willen specialiseren in digitale didactiek en digitaal veilig onderwijs.

Op basis van deze aanbevelingen werkt MBO Digitaal aan verschillende scenario’s om de professionaliseringsbehoefte beter te adresseren.

Effectmeting Voortgezet Leren 2021-2023

De VO-raad stimuleert onder vo-scholen en schoolbesturen integraal en duurzaam te werken aan onderwijs- en schoolontwikkeling door middel van de activiteiten van het programma Voortgezet Leren scholen. De VO-raad heeft behoefte aan een jaarlijkse monitor van de voortgang en heeft ons gevraagd een impactmeting uit te voeren, bestaande uit een meting in de herfst van 2021 en een meting in 2022.

Doelstelling programmaplan
Het doel van Voortgezet Leren is het integraal werken aan onderwijs- en schoolontwikkeling in de scholen te versnellen, te verbreden en te verduurzamen. Het programma kent daartoe drie strategische doelen:

  1. scholen werken duurzaam aan onderwijsontwikkeling ter versterking van de onderwijskwaliteit;
  2. scholen ontwikkelen zich duurzaam als professionele schoolorganisatie;
  3. het voortgezet onderwijs ontwikkelt zich verder als een lerende sector.

In 2019 en 2021 zijn al twee metingen uitgevoerd voor de eerste fase van het programma Voortgezet Leren 2019-2020. In de meting van 2021 is een aanvullende nulmeting gehouden naar de mate waarin de sector zich toegerust voelt om duurzaam en integraal te werken aan de schooleigen ambities. Concreet wil het programma binnen de termijn van drie jaar (2021-2023) de volgende effecten realiseren:

  1. Een toename van de mate waarin bestuurders en schoolleiders de meerwaarde ervaren en bijbehorende mogelijkheden kennen van de verschillende onderwerpen waarlangs zij integraal en duurzaam aan de slag kunnen met onderwijs- en schoolontwikkeling.
  2. Een toename van de mate waarin onderwijsprofessionals zich toegerust voelen om integraal en duurzaam te werken aan het realiseren van de schooleigen ambities ten aanzien van het onderwijs en de professionalisering van de schoolorganisatie.
  3. Een toename in het aantal scholen voortgezet onderwijs dat integraal en duurzaam werkt aan het realiseren van de schooleigen ambities ten aanzien van het onderwijs en de professionalisering van de schoolorganisatie.

Onderzoeksmethode
Om de voortgang van de impactdoelstelling te meten is gebruikgemaakt van een online enquête ten behoeve van de dataverzameling. De enquête is breed uitgezet in de sector en heeft geïnventariseerd in welke mate scholen duurzaam en integraal kunnen werken aan thema’s (schooleigen ambities) die verbonden zijn aan het programma Voortgezet Leren. Daarnaast zijn de bekendheid, deelname en de meerwaarde van de activiteiten van het programma Voortgezet Leren gemeten. Ook is de ondersteuningsbehoefte van deelnemers gepeild en de impact van de coronamaatregelen en corona-steungelden op de mate waarin men kon werken aan de schooleigen ambities.

Meer informatie? Neem contact op met Suna Duysak.

Professionalisering van werkgeversdienstverlening

In arbeidsmarktregio’s werken partijen zoals UWV en gemeenten samen om personeelsvragen van werkgevers op te lossen. De Programmaraad Regionale Arbeidsmarkt ondersteunt de arbeidsmarktregio’s met middelen en kennisuitwisseling. Voor de Programmaraad zochten we uit hoe regio’s de middelen bedoeld voor het professionaliseren van werkgeversdienstverlening besteedden.

De volgende vragen stonden in dit onderzoek centraal:

1. Hoe hebben arbeidsmarkregio’s de middelen ingezet?
2. Wat hebben deze middelen in de ogen van de arbeidsmarktregio’s opgeleverd?
3. Wat zijn volgens de arbeidsmarktregio’s succesfactoren en knelpunten in het professionaliseren van de werkgeversdienstverlening?
4. Wat hebben arbeidsmarktregio’s nog meer nodig om werkgeversdienstverlening te kunnen professionaliseren?

Vooronderzoek Kennisplaats Werk en Inkomen

Hoe kan een nieuwe kennisplaats bijdragen aan de vertaling van onderzoek naar de praktijk? Voor ZonMw gingen we met deze vraag aan de slag.

Een van de sleutels tot het verbeteren van de effectiviteit van ondersteuning op het gebied van werk en inkomen ligt besloten in het handelen van professionals. Re-integratieconsultenten, arbeidsdeskundigen, jobcoaches, werkbegeleiders, schuldhulpverleners en al die andere professionals zijn degenen die via de interactie met hun cliënten een duwtje in de goede richting kunnen geven.

Om deze professionals te helpen maatwerk te leveren, is er de laatste jaren meer aandacht gekomen voor evidence-based practice (EBP); het afwegen van kennis uit onderzoek, inzichten gebaseerd op de eigen ervaring en behoeften van de klant om tot effectieve beslissingen te komen. Het versterken van evidence based werken is één van de pijlers in het nieuwe ZonMw-programma Vakkundig aan het Werk 2. In dit programma is daarom ruimte gereserveerd voor de ontwikkeling van een plek waar kennis uit onderzoek naar de praktijk wordt vertaald. Deze plek heeft de werktitel ‘Kennisplaats’.

Ter voorbereiding op de mogelijke ontwikkeling van deze kennisplaats vroeg ZonMw aan Regioplan om een vooronderzoek uit te voeren. Dit vooronderzoek was bedoeld om bij landelijke organisaties behoeften, wensen en ideeën te inventariseren, om behoeften bij professionals, leidinggevenden en beleidsmakers af te tasten en om bestaande initiatieven op een rijtje te zetten. De resultaten van het vooronderzoek zijn niet openbaar.

Intern toezicht in het funderend onderwijs

Om zicht te krijgen op de kwaliteit en professionalisering van het intern toezicht in het funderend onderwijs en mogelijke manieren om dit te borgen voerden wij dit voorjaar, in samenwerking met Pieter Huisman, een onderzoek uit in opdracht van het ministerie van OCW.

Onderzoeksopzet
Voor het uitgevoerde onderzoek is een literatuurstudie gedaan naar kwaliteitskenmerken van intern toezicht, zijn intern toezichthouders via een enquête bevraagd, aanvullende interviews met bestuurders gehouden en case studies uitgevoerd onder een aantal toezichtsorganen die al meer aandacht besteden aan professionalisering. Ook zijn experts uit het onderwijs en andere sectoren (woningbouw, zorg) benaderd om de toepasbaarheid van verschillende borgingsystemen voor professionalisering in het onderwijs te onderzoeken.

Kernbevindingen
Uit het onderzoek blijkt dat er zeker oog is voor verbetering van de kwaliteit van het intern toezicht en dat er op dat vlak ook stappen zijn gezet in de afgelopen jaren. Er zijn duidelijk ook aandachtspunten, bijvoorbeeld met de in codes goed bestuur afgesproken toezichtkaders en uit te voeren zelfevaluaties. De meeste intern toezichtsorganen (met name bij grotere schoolbesturen) besteden wel aandacht aan professionalisering, maar voeren nog te weinig gericht beleid op dit terrein. Zo bestaat er vaak geen opleidingsplan, is niet altijd een afgescheiden opleidingsbudget en gevolgde professionalisering wordt vaak niet geëvalueerd. Inhoudelijk hebben intern toezichthouders momenteel vooral behoefte aan professionalisering op gebied van onderwijskwaliteit, strategievorming, proactief toezichthouden en de invulling van de netwerkrol.

Verbeterpunten
Intern toezichthouders en bestuurders erkennen in de interviews het belang van de borging van kwaliteit, maar pleiten voor niet al te vergaande eisen en verplichte registratiesystemen. Mogelijke systemen waar zij wel positief tegenover staan zijn het stimuleren van zelfevaluaties, onderlinge visitaties en het aanbieden van een basiscursus toezichthouden in het onderwijs. Op basis van ons onderzoek concluderen we dat er bij verdere professionalisering onder andere rekening gehouden moet worden met de mate van regulering, met verschillen in schaalgrootte en bestuursmodel, met verschillende ervaringsfases (instap en doorontwikkeling) en met collectieve behoeften.

Mede dankzij dit onderzoek, en een eerder onderzoek van McKinzie (2020), is de minister van plan om extra te investeren in kwaliteitsverbetering van intern toezichtsorganen. Hij wil dat onder andere doen door samen met de sector beroepsprofielen te ontwikkelen. Ook wordt er verder onderzocht hoe doorlopende professionalisering van intern toezichthouders op een niet-vrijblijvende manier kan plaatsvinden.