Werkveld: Duurzame inzetbaarheid
Arbeidsdeskundigen kunnen een (nog) grotere rol spelen bij inclusief werk(geverschap)
Arbeidsdeskundigen zijn gewend om (vooral) te kijken naar de relatie tussen een individu en werk. Minder aandacht is er voor de bredere werkomgeving en de werkcultuur. Daarmee blijven er mogelijkheden onbenut om werkvloeren inclusiever te maken, de duurzaamheid van plaatsingen te vergroten en meerdere plaatsingen per werkgever te realiseren. Met meer ruimte om de bestaande rollen van beoordelaar, adviseur en coach te combineren en volgtijdelijk in te zetten, kunnen zij een nog grotere bijdrage leveren aan een inclusievere arbeidsmarkt.
In opdracht van Arbeidsdeskundig Kennis Centrum (AKC) voerde Regioplan een onderzoek uit naar welke rol arbeidsdeskundigen nu pakken in het inclusiever maken van werk en organisaties, en wat ervoor nodig is om arbeidsdeskundigen in hun bredere rol te versterken. Daaruit bleek onder andere dan arbeidsdeskundigen kunnen voortbouwen op expertise waarover zij al beschikken, maar dat er een verandering is in hun rolopvatting nodig is. Inspirerende voorbeelden, een langdurige relatie met een werkgever en een duidelijke profilering van het arbeidsdeskundig vak zijn enkele voorbeelden van zaken die bijdragen aan zo’n andere rolopvatting.
Zie de factsheet voor onze aanpak en de belangrijkste bevindingen. Of bekijk het volledige rapport voor alle kansen en handelingsperspectieven die we in beeld brachten op basis van literatuuronderzoek en gesprekken met werkgevers, arbeidsdeskundigen, werknemers en andere betrokkenen.
Van het individu naar de organisatie: de rol van arbeidsdeskundigen in het inclusief maken van werk(geverschap)
Welke rol kunnen arbeidsdeskundigen spelen in het inclusiever maken van werk en organisaties en wat kunnen het AKC, de NVvA en andere belanghebbenden doen om arbeidsdeskundigen te versterken in deze rol? Dit onderzochten we in opdracht van Arbeidsdeskundig Kennis Centrum (AKC).
Arbeidsdeskundigen leveren een belangrijke bijdrage aan duurzame arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking. Vaak gebeurt dat vanuit de ondersteuning van individiduele werknemers rond bijvoorbeeld belastbaarheid, passend werk of re-integratie. De expertise van arbeidsdeskundige kan echter ook breder kan worden ingezet: bij het inclusiever inrichten van werk en organisaties.
“Arbeidsdeskundigen zijn gewend om (vooral) te kijken naar de relatie tussen een individu en werk. Minder aandacht is er voor de bredere werkomgeving en de werkcultuur. Daarmee blijven er mogelijkheden onbenut om werkvloeren inclusiever te maken.”
In opdracht van Arbeidsdeskundig Kenniscentrum onderzochten we hoe arbeidsdeskundigen deze bredere rol (nog meer) kunnen vervullen, en welke rol AKC en NVvA hierin kunnen spelen. Daarmee willen we arbeidsdeskundigen versterken in hun vakmanschap.
Om het creëren van kennis te combineren met het ontwikkelen van handelingsperspectieven, hebben we een actieonderzoek ingericht. Dit richtte zich op het verbreden van de rol van arbeidsdeskundigen in het inclusiever maken van werk en organisaties. In fase 1 verzamelden we bestaande kennis via literatuurstudie en interviews met experts en stakeholders. In fase 2 haalden we ervaringen op bij werkgevers, arbeidsdeskundigen, andere uitvoerende professionals en belanghebbenden gericht op best practices en randvoorwaarden voor arbeidsdeskundigen. In fase 3 ontwikkelden we in iteratieve werksessies en een expertsessie handelingsperspectieven, gebaseerd op de inzichten uit eerdere fasen. Tot slot schreven we in fase 4 de rapportage en factsheet en bereidden we verdere disseminatie voor.
Herhalingsmeting uitstroomonderzoek STL
Dit onderzoek laat zien dat werknemers de sector transport en logistiek vaak niet verlaten omdat ze het vak zat zijn, maar omdat de omstandigheden eromheen knellen. De belangrijkste redenen voor vrijwillige uitstroom zijn een ervaren gebrek aan waardering, een hoge werkdruk, weinig ondersteuning vanuit leidinggevende of werkgever en onaantrekkelijke roosters en werktijden. Dat is relevant, omdat de sector al langere tijd met grote krapte kampt en het behouden (en eventueel terughalen) van ervaren mensen steeds belangrijker wordt voor werkgevers én voor het Sectorinstituut Transport en Logistiek (STL).
Regioplan voerde het onderzoek uit in opdracht van STL als herhalingsmeting van 2023 (zie bijlage). In mei–juli 2025 is een online enquête uitgezet onder oud-werknemers; 301 respondenten vallen binnen de onderzoeksdoelgroep. Daarnaast zijn tien (telefonische of online) interviews gehouden om de uitkomsten te verdiepen.
Uit de enquête blijkt dat veel vertrekkers juist positief terugkijken op de inhoud van het werk, de zelfstandigheid en vaak ook de reistijd. Tegelijkertijd zijn zij relatief vaak ontevreden over ondersteuning en waardering, werkdruk, werksfeer en perspectief om door te groeien. In de interviews komt naar voren dat vertrek meestal voortkomt uit een stapeling: onregelmatige werktijden die botsen met privé, stress door planning en bereikbaarheid, en praktische belemmeringen onderweg (zoals minder voorzieningen en lastiger parkeren).
Ongeveer twee op de vijf vrijwillige vertrekkers denken dat hun werkgever het vertrek had kunnen voorkomen. Zij noemen vooral beter werkgeverschap: meer communicatie, betrokkenheid en waardering, plus aandacht voor werkplezier, afspraken die worden nagekomen, en waar mogelijk betere roosters en planning. Voor STL ligt er vooral een rol in het ondersteunen van de sector op thema’s die de aantrekkelijkheid van het werk raken: goede werkomstandigheden onderweg én het stimuleren dat werkgevers blijven investeren in invloed op werktijden en respect voor professionele planningservaring.
De bereidheid om terug te keren is gemengd: een deel sluit het uit, veel mensen twijfelen, en een kleine groep staat open voor terugkeer. Wie terugkeer overweegt, noemt vooral beter salaris, een betere werksfeer en meer waardering als voorwaarden. Dat laat zien dat het niet alleen draait om nieuwe mensen werven, maar ook om het werk zo te organiseren en aan te sturen dat mensen graag blijven of terugkomen.
Werkgeversdienstverlening in uitvoering: Actieonderzoek met professionals om hun vakmanschap en effectiviteit in de werkgeversdienstverlening te vergroten
Hoe kunnen professionals van WSP, gemeenten of UWV werkgevers het beste ondersteunen bij het in dienst nemen en houden van mensen met een arbeidsbeperking? Daar is nog niet veel over bekend. Samen met Amsterdam UMC voeren we daarom een actieonderzoek uit. In dit onderzoek ontwikkelen we nieuwe kennis over effectief handelen en vertalen we bestaande en nieuwe kennis naar concrete handelingsperspectieven die het vakmanschap en de effectiviteit van professionals versterken.
De arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking blijft achter bij die van de rest van de beroepsbevolking. Zeker in de huidige arbeidsmarkt betekent dit dat waardevol talent onbenut blijft. Ook vanuit werkgeversperspectief is de lage arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking een probleem. Onderzoek laat immers zien dat werkgevers, ook in bedrijfseconomische zin, baat hebben bij een inclusieve werkplek. Werkgeversdienstverlening kan een cruciale rol spelen bij het begeleiden van werknemers naar werk en bij het behouden ervan. Inmiddels is veel kennis beschikbaar over effectieve instrumenten voor werkgevers en over hoe professionals hierover het gesprek kunnen aangaan met werkgevers. Ook weten we steeds meer over de motieven van werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en te houden, en over de factoren die succes of falen bepalen. Deze kennis wordt echter nog onvoldoende benut door professionals, waardoor er behoefte is aan concrete, toepasbare handelingsperspectieven die het vakmanschap en de effectiviteit van professionals versterken.
Doel en aanpak van het onderzoek
Het onderzoek heeft als doel de effectiviteit van werkgeversdienstverlening te vergroten door het vakmanschap van professionals van WSP, gemeenten en UWV te versterken. Amsterdam UMC voert dit actieonderzoek samen met Regioplan uit in de actief participerende regio’s Groot-Amsterdam en Zwolle. In deze regio’s vormen we regionale werkgroepen van professionals, managers en beleidsmakers, waarin we in zes fasen effectieve elementen van werkgeversdienstverlening onderzoeken en vertalen naar concrete, toepasbare handelingsperspectieven. Daarnaast stellen we een landelijk lerend netwerk in met afgevaardigden uit de regio’s en vertegenwoordigers van landelijke partijen, zodat de opgedane kennis breed kan worden verspreid en kan worden toegepast.
Beoogde resultaten en looptijd
Uiteindelijk levert dit project nieuwe kennis op over werkgeversdienstverlening: wat werkt voor wie, hoe en wanneer. Daarnaast ontwikkelen we een gesprekswijzer met gereedschapskoffer, met bestaande en nieuwe handelingsperspectieven om professionals te ondersteunen bij het kiezen van de juiste strategie in gesprekken met werkgevers, inclusief praktische instrumenten om toe te passen.
Het actieonderzoek wordt uitgevoerd met financiering van ZonMW in het kader van Vakkundig aan het werk 2 en loopt tot 2028. Voor meer informatie over dit onderzoek kun je contact opnemen met Rosanne.
Duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche meten en monitoren
OOMT en de Bedrijfsraad MvT willen duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche beter in beeld krijgen, maar er ontbreekt een breed en integraal beeld. Wij ontwikkelden daarom een model om duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche te meten en monitoren. Dit model geeft zicht op de huidige stand van zaken in de branche, maakt trends zichtbaar en helpt om gerichter keuzes te maken voor beleid en dienstverlening rond duurzame inzetbaarheid.
Dit project bouwt voort op de stappen die OOMT afgelopen jaren al heeft ondernomen om duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche te meten. Wij ontwikkelden samen met OOMT en de Bedrijfsraad een model dat duurzame inzetbaarheid niet alleen beschrijft, maar ook verklaart. In een co-creatief proces brachten we op basis van literatuur relevante factoren in kaart en vertaalden we die naar meetbare indicatoren, inclusief passende databronnen om indicatoren te meten. We schreven daarbij een plan om de metingen, dataverzameling en gegevensbeheer zorgvuldig en veilig uit te voeren.
Het model is gebaseerd op een model van TNO, en aangepast naar de mobiliteitsbranche. Het model bevat persoonlijke factoren van werkenden, zoals gezondheid, vaardigheden en motivatie, factoren in het werk en de organisatie, zoals werkomstandigheden, werkdruk en leiderschap en bredere contextfactoren, zoals bedrijfsbeleid, wet- en regelgeving en ontwikkelingen in de sector en de arbeidsmarkt.
De toepassing van het model
Het model vormt de inhoudelijke basis voor onderzoek naar duurzame inzetbaarheid binnen OOMT en de Bedrijfsraad. Het helpt om onderzoeken meer in samenhang uit te voeren. In de toepassing is er ruimte voor structurele monitoring (bijvoorbeeld jaarlijks) en voor themagerichte verdieping. Het model biedt ook handelingsperspectief: het helpt om te bepalen welke ontwikkelingen om actie vragen en waar OOMT en de Bedrijfsraad hun beleid en dienstverlening op in kunnen zetten.
Lees meer
Meer weten over de aanpak van het onderzoek, de uitgangspunten van het model en het gebruik in de praktijk? Neem een kijkje op de projectpagina.
Contact
Wil je meer weten over dit project? Neem dan contact op met Rosanne.
Het rapport van dit onderzoek is niet openbaar.
Duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche meten en monitoren
Voor het O&O-fonds OOMT en de Bedrijfsraad MvT – waarin werkgevers en werknemers samenwerken in het cao-overleg – ontwikkelden wij een model om duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche te meten en monitoren. Het model geeft zicht op de huidige stand van zaken in de branche en helpt om ontwikkelingen tijdig te signaleren. Daarnaast biedt het aanknopingspunten voor beleid en dienstverlening die OOMT en de Bedrijfsraad MvT kunnen inzetten om duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche te verbeteren.
Duurzame inzetbaarheid gaat over de match tussen het werk en de werkende, nu én in de toekomst. Het betekent dat mensen gezond, productief en met plezier kunnen blijven werken, en dat zij kunnen meebewegen met veranderingen in het werk, de organisatie en de arbeidsmarkt. Het gaat dus niet alleen om hoe het nu gaat op de werkvloer, maar juist ook om inzetbaarheid op de langere termijn. OOMT heeft al eerder stappen gezet om duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche te meten. Dit project bouwt daarop voort en richt zich op de doorontwikkeling van de metingen van OOMT. Op dit moment ontbreekt een breed en integraal beeld van duurzame inzetbaarheid in de branche en van de factoren die daarop van invloed zijn.
In co-creatie een model en aanpak ontwikkeld
Regioplan ontwikkelde samen met OOMT en de Bedrijfsraad een model dat duurzame inzetbaarheid niet alleen beschrijft, maar ook verklaart. Dat deden we in een co-creatief proces, waarin we op basis van literatuur relevante factoren in kaart brachten en deze vervolgens vertaalden naar meetbare indicatoren. Ook brachten we in beeld met welke databronnen die indicatoren gemeten kunnen worden. Op basis daarvan stelden we een concreet en direct uitvoerbaar plan van aanpak op. Daarin werkten we het model, de indicatoren en de uitvoering van de metingen uit, met aandacht voor het zorgvuldig en veilig verzamelen en beheren van gegevens.
Het model vormt de basis
Het model vormt de inhoudelijke basis voor onderzoek naar duurzame inzetbaarheid binnen OOMT en de Bedrijfsraad. Het helpt om onderzoeken meer in samenhang uit te voeren: wat onderzoeken we, waarom doen we dat en hoe duiden we de uitkomsten? We onderscheiden een basismodel met een selectie van factoren die structureel gemeten kunnen worden (bijvoorbeeld jaarlijks), zodat een overzichtelijk beeld ontstaat en trends over meerdere jaren zichtbaar worden. Daarnaast is er ruimte voor themagericht verdiepend onderzoek, bijvoorbeeld vanuit cao-afspraken, beleidsdoelen of jaarthema’s. Een groot deel van de factoren is te meten met bestaande bronnen, bijvoorbeeld met data van het CBS.
De ontwikkeling van het model en de uitgangspunten
Het model is gebaseerd op een model van TNO, dat de gelaagdheid van duurzame inzetbaarheid zichtbaar maakt en factoren op micro-, meso- en macroniveau onderscheidt. Wij hebben het TNO-model bewerkt en toegespitst op de mobiliteitsbranche en op het doel waarvoor OOMT en de Bedrijfsraad het willen gebruiken. Daarbij voegden we meer handelingsperspectief toe en maakten we expliciet ruimte voor contextfactoren die in de branche spelen. In dit model is duurzame inzetbaarheid geen momentopname: de huidige werksituatie zegt niet alles, omdat het ook gaat om inzetbaarheid in de toekomst. Deze visie sluit aan bij de definitie van OOMT en de Bedrijfsraad: “een goede match tussen het werk en de werkende, nu en in de toekomst”.
We werkten het model uit vanuit de volgende uitgangspunten:
- Theoretisch onderbouwd en verklarend: Het model is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Naast het TNO-model zijn aanvullende theorieën en modellen gebruikt om onderdelen verder uit te werken. Het model maakt zichtbaar welke factoren duurzame inzetbaarheid beïnvloeden, hoe deze factoren samenhangen en op welke manier zij doorwerken in duurzame inzetbaarheid.
- Aandacht voor meerdere niveaus: Duurzame inzetbaarheid is een uitkomst op individueel niveau, maar wordt beïnvloed door factoren op micro-, meso- en macroniveau. In het model is duurzame inzetbaarheid daarom het resultaat van persoonlijke factoren van werkenden, zoals gezondheid, vaardigheden en motivatie, factoren in het werk en de organisatie, zoals werkomstandigheden, werkdruk en leiderschap en bredere contextfactoren, zoals bedrijfsbeleid, wet- en regelgeving en ontwikkelingen in de sector en de arbeidsmarkt. Micro- en mesofactoren zijn vaak direct merkbaar in het dagelijks werk en hebben daardoor een meer directe invloed. Macrofactoren zijn op de werkvloer minder tastbaar en werken meestal indirect door.
- Handelingsperspectief voor beleid en praktijk: Het model is niet alleen beschrijvend en verklarend, maar biedt ook handvatten voor actie. Het laat zien aan welke “knoppen” OOMT en de Bedrijfsraad kunnen draaien om duurzame inzetbaarheid te verbeteren, en helpt ook om te bepalen wanneer actie nodig is.
Dit project is relevant voor sociale partners, brancheorganisaties, O&O-fondsen en beleidsmakers die duurzame inzetbaarheid in een sector willen meten en monitoren. Het model helpt ook om gerichter aan de slag te gaan met duurzame inzetbaarheid.
Het meten van indicatoren uit het DI-model met CBS-data
Aangezien een groot deel van de indicatoren uit het model kan worden gemeten met CBS-data, hebben we binnen dit project ook CBS-analyses uitgevoerd. Hiermee brengen we voor onderdelen van het DI-model de stand van zaken in de mobiliteitsbranche in beeld. De data uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) en de Werkgevers Enquête Arbeid (WEA) zijn gebruikt om onder andere zicht te krijgen op arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorwaarden en opleidings- en ontwikkelingsmogelijkheden in de mobiliteitsbranche. Ook de vitaliteit en gezondheid, werk-privébalans, sociale veiligheid, verzuim en de tevredenheid en bevlogenheid van medewerkers in de mobiliteitsbranche zijn met data uit de NEA en de WEA in kaart gebracht. CBS-data zijn daarnaast gebruikt om een beeld te verkrijgen van de in- en uitstroom van medewerkers in de mobiliteitsbranche. We hebben onderzocht uit welke sectoren werknemers afkomstig zijn, naar welke sectoren zij uitstromen en welke opleidingen zij hebben gevolgd. De in- en uitstroom data hebben betrekking op een bredere groep medewerkers in de mobiliteitssector. Dit betekent dat het niet alleen gaat om medewerkers van bedrijven die bij het O&O-fonds OOMT zijn aangesloten.
Benieuwd naar de resultaten? Hieronder kun je de resultaten uit de CBS-analyses terugvinden.
Het rapport van dit onderzoek is niet openbaar.
Wil je meer weten? Neem dan contact op met Rosanne.
De inspiratiegids Mentale Kracht op Maat is nu beschikbaar!
Mentale Kracht, welke maatregelen werken en voor wie?
Voor A&O fonds Gemeenten voerden we een onderzoek uit naar Mentale Kracht op Maat. Werkdruk blijkt een van de grootste veroorzakers van ziekteverzuim binnen gemeenten. Mentale belasting is dan ook steeds meer een aandachtspunt binnen gemeenten.
Na een deskstudie hebben we in interactieve werksessies met HR-professionals van gemeenten verkend welke maatregelen effectief en bruikbaar zijn voor in de praktijk. Dit resulteerde in een inspiratiegids, waarin we beschrijven welke doelgroepen extra risico lopen en welke maatregelen effectief zijn gebleken. We bieden ook handvatten en kaders voor gemeenten om in het achterhoofd te houden. Hoe ga je aan de slag met het implementeren van de maatregelen en waar moet je rekening mee houden?
De inspiratiegids is hier te te vinden, en ook op de website van het A&O fonds.
Nieuw onderzoek gestart: Mentale kracht op maat
In opdracht van A&O fonds Gemeenten onderzoekt Regioplan hoe mentale belasting zich manifesteert onder gemeentemedewerkers. Het A&O fonds wil inzicht krijgen welke groepen mentale belasting ervaren en welke maatregelen daarbij passen.
Het doel van het onderzoek is om een praktische, toepasbare maatregelenmatrix vorm te geven die gemeenten ondersteunt in het maken van gerichte keuzes voor het aanpakken van mentale belasting.
Hiervoor voeren we een deskstudie uit. Vervolgens zullen we de inzichten uit de literatuur toetsen en in de gemeentelijke context plaatsen. We organiseren twee werksessies met HR-professionals van gemeenten. Interesse in deelname? Meld je aan via: Mentale kracht op maat | A&O fonds Gemeenten.
Meer weten? Neem een kijkje op onze projectpagina, of neem contact op met Rosanne.
Nieuw onderzoek gestart naar het meten van duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche
Voor het O&O-fonds OOMT en de Bedrijfsraad MvT – waarin werkgevers en werknemers samenwerken in het cao-overleg – ontwikkelt Regioplan een model om duurzame inzetbaarheid in de mobiliteitsbranche te meten.
OOMT heeft eerder al stappen gezet om duurzame inzetbaarheid in kaart te brengen. Dit nieuwe onderzoek bouwt hierop voort en richt zich op de doorontwikkeling van de bestaande meting. Op dit moment ontbreekt er namelijk een breed en integraal beeld van duurzame inzetbaarheid in de branche, en van de factoren en mechanismen die daarop van invloed zijn.
Meer weten? Neem een kijkje op onze projectpagina, of neem contact op met Rosanne.
Onderzoek gestart naar het vak van arbeidsdeskundigen
Hoe kunnen arbeidsdeskundigen een (nog) grotere rol spelen in het inclusief maken van werk en werkgeverschap? In een nieuw actieonderzoek maken we arbeidsdeskundige kennis en instrumenten op dit gebied beschikbaar en toepasbaar.
Arbeidsdeskundigen vervullen een belangrijke rol in het begeleiden van mensen met een arbeidsbeperking naar duurzaam werk. De focus ligt daarbij vaak op de werknemer en de aansluiting op de functie. In dit onderzoek verkennen we ten eerste welke rol arbeidsdeskundigen nu al vervullen in het beïnvloeden van de bredere organisatiecontext. Vervolgens maken we in co-creatie met relevante belanghebbenden een doorontwikkeling van de beschikbare kennis en instrumenten. Daarmee willen arbeidsdeskundigen versterken in hun methodisch en evidence-based werken in relatie tot het inclusief maken van werk en werkgeverschap.
We zijn gestart met een literatuurstudie waarin we de bestaande kennis bundelen: over de rol van arbeidsdeskundigen, over werkzame methoden en instrumenten, en over het aanpassen van werkcontexten. We onderzoeken ook hoe de rol van arbeidsdeskundigen zich hierin verhoudt tot andere professionals zoals jobcoaches of werkgeversadviseurs.
Deze literatuurstudie vormt de opmaat voor de volgende fase van het project, waarin we ervaringen ophalen bij professionals, werkgevers én mensen met een arbeidsbeperking. In latere fases verkennen we hoe we de opgedane inzichten het beste kunnen verspreiden en verankeren in het veld. In co-creatie met landelijke partijen en arbeidsdeskundigen maken we een doorontwikkeling van kennis en instrumenten.
Dit onderzoek voeren wij uit met subsidie van het Arbeidsdeskundig Kenniscentrum (AKC).