Simon Bakker MSc MA

Als beleidsonderzoeker houd ik mij vooral bezig met kwalitatief onderzoek, omdat ik graag diep de praktijk induik en luister naar de mensen die het vraagstuk zelf ervaren. Zo krijg ik scherp wat er werkelijk speelt. Die inzichten verbind ik met elkaar en vertaal ik naar bruikbare oplossingen waarmee opdrachtgevers direct aan de slag kunnen.

Met een achtergrond in sociale & culturele psychologie en de journalistiek breng ik zowel analytische scherpte als oog voor het verhaal van mensen mee. Bij Regioplan werk ik onder meer aan onderzoeken op het gebied van kansengelijkheid, jeugd en gender.

Wegwijzer voor domeinoverstijgende aanpak jeugdcriminaliteit

Steeds vaker maken criminele netwerken gebruik van jongeren in kwetsbare posities voor ogenschijnlijk eenvoudige taken – zoals het doorgeven van berichten of het ophalen van pakketjes – die uiteindelijk kunnen leiden tot een diepere rol in de criminele onderwereld. Dit vraagt om een samenhangende aanpak waarin zowel sociale steun als veiligheid centraal staan. Gemeenten hebben hierin een belangrijke rol, maar die samenwerking verloopt niet altijd vanzelfsprekend.

De nieuwe wegwijzer brengt gemeenschappelijke uitdagingen in kaart en biedt concrete suggesties, voorbeelden en inzichten uit de praktijk om samenwerkingsprocessen te verbeteren. Hoewel het geen kant-en-klare recepten bevat, biedt het document handvatten om de samenwerking tussen verschillende gemeentelijke teams en partners in de wijk beter vorm te geven.

Het document is tot stand gekomen via intensieve samenwerking met 26 gemeenten, die hun ervaringen en knelpunten hebben gedeeld via bijeenkomsten en interviews. Hiermee is de wegwijzer een reflectie van wat werkt en wat in de praktijk kan worden toegepast.

Het doel van deze wegwijzer is om gemeenten uit te nodigen om de samenwerking tussen het sociaal en veiligheidsdomein verder te versterken, zodat jongeren op een vroegtijdige en effectieve manier geholpen kunnen worden en de leefomgeving voor iedereen veiliger wordt.

Rapport openbaar: Periodieke rapportage tegemoetkoming ouders

Eén kindregeling in het coalitieakkoord? Dan is dit hét moment om de stand van zaken op te maken: hoe doeltreffend en doelmatig zijn de huidige kindregelingen? We evalueerden het in een periodieke rapportage en pikken er een aantal uitkomsten uit:

  • De uitgaven aan kindregelingen zijn flink gestegen: van €5,5 mld (2018) naar €8,2 mld (2023). Daarbinnen groeiden kinderbijslag en kindgebonden budget stevig, en nam ook de kinderbijslagvoorziening in Caribisch Nederland sterk toe.
  • Het bereik is hoog: nauwelijks niet-gebruik bij kinderbijslag; relatief laag (en dalend) bij het kindgebonden budget.
  • De uitvoering is in de kern stabiel, maar bijzondere situaties (o.a. internationale dossiers en dubbele kinderbijslag) vragen onevenredig veel uitvoeringscapaciteit.
  • Gerichte steun helpt bestedingsverschillen dempen, maar inkomensafhankelijke ondersteuning kan ook onzekerheid geven door nabetalingen/terugvorderingen.

In het rapport werken we meerdere verbeteringsopties uit. Steeds draait het om dezelfde uitruil: meer gerichtheid betekent vaak meer complexiteit in ontwerp en uitvoering, terwijl vereenvoudiging meestal ten koste gaat van de gerichtheid. Een samenvoeging tot één kindregeling met een hoger vast en lager variabel deel kan de steun voorspelbaarder en eenvoudiger maken, maar is tegelijk minder gericht: een groter deel van het budget komt dan ook terecht bij gezinnen die het niet nodig hebben.

Lees hier meer.

Rapport Mediaopvoeding is openbaar!

Media maken onlosmakelijk deel uit van de samenleving en het gezinsleven. Kinderen komen al op jonge leeftijd in aanraking met diverse media. Maar hoe gaan opvoeders daarmee om? Wat hebben zij nodig om hun kinderen bewust en selectief met media te leren omgaan? En welke rol kan de bibliotheek daarin spelen? In opdracht van de KB, nationale bibliotheek voerde Regioplan een onderzoek uit naar de ervaringen, behoeften, zorgen en vragen van opvoeders van kinderen van 0-12 jaar rond mediaopvoeding en de ondersteuning die de bibliotheek hierbij kan geven.

Wat blijkt uit het onderzoek?

  • Opvoeders zijn bewust bezig met afspraken rond schermtijd en online gedrag, maar maken zich zorgen over o.a. sociale druk, social media en online pesten, de fysieke en mentale ontwikkeling en de balans tussen bescherming bieden en vrijheid geven aan hun kind.
  • Ze zoeken betrouwbare en eenduidige informatie bijvoorbeeld over veelgebruikte apps en eenduidige richtlijnen of regels voor mediagebruik.
  • Er is behoefte aan een open gesprek tussen opvoeders en tussen opvoeders en kinderen.
  • Opvoeders willen graag meer leuke en educatieve activiteiten, onder andere voor kinderen boven de 6 en tieners.

Wat kan de bibliotheek betekenen?

Het rapport laat zien dat de bibliotheek een centrale rol kan vervullen, bijvoorbeeld door:

  • het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten en spreekuren;
  • het faciliteren van gesprekken tussen opvoeders;
  • het aanbieden van activiteiten voor kinderen en tieners rond mediawijsheid;
  • het aanbieden van begeleiding bij het gebruik van media in de bibliotheek zelf;
  • het ontwikkelen van een visie en beleid op mediagebruik binnen de bibliotheek zelf;
  • het koppelen van (voor)lezen en media.

Daarnaast wordt gepleit voor een laagdrempelige, realistische en oordeelvrije aanpak, met oog voor jonge kinderen, vaders, laagtaalvaardige opvoeders en verschillende opvoedstijlen.

Benieuwd naar alle bevindingen en aanbevelingen? Lees dan hier het rapport of de samenvatting!

Vragen? Neem contact op met Miranda of Stefanie!

Onderzoek Mediaopvoeding

Media maken onlosmakelijk deel uit van de samenleving en het gezinsleven. Kinderen komen al op jonge leeftijd in aanraking met diverse media. Maar hoe gaan opvoeders daarmee om? Wat hebben zij nodig om hun kinderen bewust en selectief met media te leren omgaan? En welke rol kan de bibliotheek daarin spelen? In opdracht van de KB, nationale bibliotheek voerde Regioplan een onderzoek uit naar de ervaringen, behoeften, zorgen en vragen van opvoeders van kinderen van 0-12 jaar rond mediaopvoeding en de ondersteuning die de bibliotheek hierbij kan geven.

 

Wat blijkt uit het onderzoek?

  • Opvoeders zijn bewust bezig met afspraken rond schermtijd en online gedrag, maar maken zich zorgen over o.a. sociale druk, social media en online pesten, de fysieke en mentale ontwikkeling en de balans tussen bescherming bieden en vrijheid geven aan hun kind.
  • Ze zoeken betrouwbare en eenduidige informatie bijvoorbeeld over veelgebruikte apps en eenduidige richtlijnen of regels voor mediagebruik.
  • Er is behoefte aan een open gesprek tussen opvoeders en tussen opvoeders en kinderen.
  • Opvoeders willen graag meer leuke en educatieve activiteiten, onder andere voor kinderen boven de 6 en tieners.

Wat kan de bibliotheek betekenen?

Het rapport laat zien dat de bibliotheek een centrale rol kan vervullen, bijvoorbeeld door:

  • het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten en spreekuren;
  • het faciliteren van gesprekken tussen opvoeders;
  • het aanbieden van activiteiten voor kinderen en tieners rond mediawijsheid;
  • het aanbieden van begeleiding bij het gebruik van media in de bibliotheek zelf;
  • het ontwikkelen van een visie en beleid op mediagebruik binnen de bibliotheek zelf;
  • het koppelen van (voor)lezen en media.

Daarnaast wordt gepleit voor een laagdrempelige, realistische en oordeelvrije aanpak, met oog voor jonge kinderen, vaders, laagtaalvaardige opvoeders en verschillende opvoedstijlen.

Benieuwd naar alle bevindingen en aanbevelingen? Lees dan hier het rapport of de samenvatting!

Vragen over dit onderzoek? Neem contact op met Annemieke of Stefanie!

Kennissynthese Kansrijke Start

In 2018 startte het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) het actieprogramma Kansrijke Start, met als missie om zoveel mogelijk kinderen een gezonde en veilige start in het leven te bieden. In 2022 kreeg het programma een vervolg met Kansrijke Start 2022-2025 Sterke ouders, gezonde kinderen.

Het actieprogramma zet in op extra ondersteuning voor gezinnen in kwetsbare omstandigheden, met als essentieel onderdeel een goede samenwerking tussen het medische en het sociale domein en de publieke gezondheidszorg. De ambitie is dat de aanpak in elke gemeente structureel vorm krijgt, via coalities Kansrijke Start, zodat door adequate ketensamenwerking en de inzet van werkzame interventies (aanstaande) ouders in een kwetsbare situatie tijdig passende zorg en ondersteuning ontvangen. Het uiteindelijke doel is dat zo veel mogelijk kinderen een kansrijke start krijgen.

Zeven jaar na het begin van het actieprogramma is nu de balans opgemaakt. In opdracht van het ministerie van VWS voerde Regioplan een kennissynthese Kansrijke Start uit. Deze analyse is bedoeld om inzicht te geven in de mate in hoeverre de ambities, doelstellingen en beoogde effecten van het programma zijn behaald. Waar staat het programma anno 2025? En welke lessen zijn er te trekken voor een toekomstbestendige aanpak na 2025?

Uit het onderzoek volgt dat Kansrijke Start breed is omarmd, maar dat de implementatie nog ongelijkmatig is: zo heeft 87% van de gemeenten een lokale of regionale coalitie Kansrijke Start. Bij een deel van de gemeenten ontbreekt echter nog een plan van aanpak. Daarnaast is vroegsignalering van kwetsbare situaties cruciaal, maar nog niet structureel geborgd. Tot slot betekent de overgang van Kansrijke Start van landelijk actieprogramma naar beleidsthema in 2026 dat gemeenten, regio’s en lokale netwerken meer verantwoordelijkheid moeten nemen. Het rapport benadrukt het belang van duurzame financiering, monitoring en leerinfrastructuur om dit te ondersteunen.

Meer weten over het onderzoek? Lees dan hier het eindrapport!

Publicatie rapport: Actieonderzoek naar effectieve inzet van (het strafrechtelijk kader) van de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS)

Structureel schoolverzuim kan een indicatie zijn van de ontwikkeling van risicovol gedrag bij jongeren, onder andere richting criminaliteit. In een recent afgerond actieonderzoek onderzochten ketenpartners in Amsterdam wat er voor nodig is deze jongeren beter te helpen. Het rapport is nu openbaar!

Hoe kunnen we jongeren die structureel schoolverzuimen beter helpen ter voorkoming van risicovol gedrag richting criminaliteit? En hoe kan het strafrechtelijk kader van de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS) hier aan bijdragen? Dat is de centrale vraag in het actieonderzoek dat wij uitvoerden in opdracht van de gemeente Amsterdam.

Binnen de MAS werken scholen, leerplicht, jeugd(gezondheids)zorg, Halt, de politie, het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en jeugdbescherming samen aan het begeleiden van jongeren terug naar een passend onderwijsprogramma. Het onderzoek richtte zich op de mogelijkheden om binnen deze aanpak ook strafrechtelijke instrumenten, zoals het proces-verbaal (pv), effectief in te zetten, en wat dit vraagt van het onderlinge samelspel tussen de ketenpartners.

Samen met een werkgroep van ketenpartners vertaalden we kansen en behoeften naar acties om uit te proberen. Denk aan het vroegtijdiger betrekken van de RvdK of jeugdbescherming, het combineren van zorg en strafrechtelijke interventies, of het voeren van preventieve gesprekken op scholen. Door reflectie en evaluatie van de acties, ontstond een meer gedeeld begrip van de knelpunten en verbetermogelijkheden.

Het actieonderzoek leverde waardevolle lessen op over de nodige samenwerking, afstemming en het delen van expertise. Zo bleek onder andere dat structurele contactmomenten, wederzijds begrip en een gedeelde visie tussen ketenpartners essentieel zijn om jongeren effectief te ondersteunen.

Interesse? Download hier dan het rapport!

Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de gemeente Amsterdam en in samenwerking met ketenpartners in het onderwijs, de zorg en het strafrecht.

 

Actieonderzoek effectieve inzet van het strafrechtelijk kader van de MAS

Binnen de MAS werken verschillende ketenpartners samen om schoolverzuimende jongeren terug te begeleiden naar passend onderwijs. In dit actieonderzoek is onderzocht hoe het strafrechtelijk kader binnen die aanpak effectiever ingezet kan worden.

Schoolverzuim kan een indicatie zijn van onderliggende problematiek en mogelijk risicovol gedrag bij jongeren. In Amsterdam zochten ketenpartners binnen de MAS naar manieren om hun samenwerking te verbeteren en het strafrechtelijk kader effectiever toe te passen, zonder het zorgkader uit het oog te verliezen. In een lerend en reflectief proces werkten we met vertegenwoordigers van scholen, leerplicht, OM, politie, Halt, de Raad voor de Kinderbescherming, jeugdbescherming en jeugd(gezondheids)zorg. Door middel van drie intensieve werksessies zijn kansen en behoeften vertaald naar acties die direct in de praktijk zijn getest. Uit het onderzoek blijkt onder meer dat het vroegtijdig betrekken van ketenpartners zoals de RvdK en jeugdbescherming van meerwaarde is, dat zorg en strafrecht beter gecombineerd kunnen worden ingezet, en dat een duidelijke visie van leerplichtambtenaren op het gebruik van pv’s bijdraagt aan effectiviteit en samenwerking.

Jongeren die stoppen met school en gaan werken willen vaak nog leren

Vsv-cijfers wijzen uit dat de afgelopen jaren zo’n veertig procent van de jongeren die zijn uitgevallen in het mbo een jaar na uitval aan het werk is. In opdracht van Ingrado onderzocht Regioplan in hoeverre hierbij sprake was van ‘groenpluk’. Groenpluk suggereert dat bedrijven actief personeel werven onder jongeren die nog in opleiding zijn, bijvoorbeeld op hun stageplek. Voor het onderzoek spraken we met jongeren over hun beweegredenen om te stoppen met de opleiding en te gaan werken, aangevuld met een literatuuronderzoek en een analyse op CBS-microdata.

Het onderzoek trok veel belangstelling. Zo besteedden zowel Trouw (Een groot aantal jongeren verlaat school, maar niet vanwege personeelstekorten, 25 maart 2025) als de Volkskrant (Mbo’ers die opleiding inruilen voor werk zijn kwetsbaar: ‘Ik verdiende veel minder dan collega’s’, vrijdag 28 maart 2025) er aandacht aan. Eind maart presenteerden we de resultaten van ons onderzoek in Nijmegen voor een publiek van geïnteresseerden uit gemeenten en onderwijs. Naast de presentatie van de onderzoeksresultaten vertoonde Ingrado een documentaire die zij over het onderwerp liet maken.

22.000 mbo-studenten zijn gestopt met hun opleiding voordat ze een diploma hebben gehaald

De aandacht voor het onderwerp is niet verrassend. Eind maart 2025 werd bekendgemaakt dat er in het schooljaar 2023-2024 22.000 mbo-studenten zijn gestopt met hun opleiding voordat zij een startkwalificatie (een diploma op minimaal mbo-2-niveau) hebben gehaald (bron: Dashboard VSV). Hoewel dit cijfer duidelijk lager ligt dan in de vorige schooljaren is dit nog steeds hoog. Ondanks de inspanningen om uitval terug te dringen, blijven de aantallen omvangrijk.

Uitval is zorgelijk, onder meer omdat jongeren zonder startkwalificatie kwetsbaarder zijn op de arbeidsmarkt:

  • Ze zijn vaker werkloos dan uitstroom met startkwalificatie
  • Ze beschikken vaker over een flexibel contract dan uitstroom met startkwalificatie
  • Ze werken vaker in kleinere aanstellingen dan uitstroom met startkwalificatie

Deze verschillen op de arbeidsmarkt zijn bovendien hardnekkig: tien jaar na uitstroom zien we nog steeds verschillen tussen uitstroom mét en uitstroom zonder startkwalificatie (bron: CBS, 2020).

Geen aanwijzingen voor ‘groenpluk’

Geen van de jongeren noemde werk als directe reden om de opleiding voortijdig te beëindigen. Ook verdere analyses wijzen er niet op dat groenpluk op grote schaal plaatsvindt. De gesprekken wijzen uit dat de oorzaak voor uitval bij vrijwel alle jongeren ligt in een combinatie van schoolgerelateerde en persoonlijke factoren. Met name een verkeerde opleidingskeuze en het zich niet thuis voelen in de schoolbanken springen eruit. Daarbij kunnen problemen thuis of in de eigen omgeving en/of psychische problemen een rol hebben gespeeld. Nadat ze stopten met hun opleiding vonden de meeste jongeren redelijk makkelijk een baan, bijvoorbeeld in de horeca of detailhandel.

Terug naar school ondanks drempels

Hoewel jongeren de waarde van een diploma vaak wel erkennen, ervaren ze obstakels die hen tegenhouden om terug te gaan naar school. Soms hebben ze ook negatieve ervaringen en kunnen het zich maar moeilijk voorstellen om terug te gaan naar school. Ondanks dergelijke bedenkingen blijkt uit de analyse op CBS-microdata dat iets meer dan een derde van deze specifieke groep schoolverlaters binnen vier jaar weer een opleiding is gaan volgen.

Welke lessen kunnen we trekken uit de redenen die jongeren noemen om te stoppen?

Veel jongeren hebben moeite met het kiezen van een passende opleiding. Ze moeten al op relatief jonge leeftijd bepalen welke richting ze op willen en er zijn momenten dat ze twijfelen of ze de juiste keuze hebben gemaakt. Het is geen schande als het een keer misgaat. Wel is het belangrijk dat jongeren de kans krijgen om iets anders te proberen als de opleiding niet is wat ze ervan verwachtten. Flexibele instroommomenten in het mbo zouden dit makkelijker kunnen maken. Dat studenten soms een verkeerde studiekeuze maken, onderschrijft ook het belang van ondersteuning bij de keuze van een opleiding, voordat ze daadwerkelijk aan een opleiding beginnen.

Een deel van de jongeren voelt zich niet thuis in het onderwijs. Ze ervaren school als een keurslijf of leren liever vanuit de praktijk. De overstap vaneen bol-opleiding naar een bbl-opleiding of andere vormen van (meer) praktijkgericht leren kan een uitweg voor deze jongeren zijn. Ook als ze zonder startkwalificatie aan het werk zijn, zou meer aandacht kunnen worden besteed aan kwalificatie en het verbeteren van de loopbaankansen van jongeren zonder startkwalificatie.

Hoewel het lastig is om vast te stellen wat nu precies bepalend is bij schooluitval, zijn er vaak al eerder signalen die erop kunnen wijzen dat een student niet op zijn of haar plek zit. In de praktijk worden studenten die hun opleiding niet willen afronden, maar niet goed weten wat ze wel willen, weleens te makkelijk losgelaten door de school. Dat een deel van de vsv’ers na verloop van tijd terugkeert naar school, wijst erop dat ze gemotiveerd kunnen zijn om een diploma te halen. Naast individuele ondersteuning kunnen deze jongeren baat hebben bij uitstroom- of oriëntatietrajecten.

Voor studenten die nog niet zo goed weten wat ze willen of die met school in conflict zijn gekomen of problemen in andere leefdomeinen ervaren, zijn er vaak verschillende opties voor een passende vervolgstap. De student kan hiervoor een beroep doen op de school of de gemeente om te verkennen welke mogelijkheden er zijn. De Wet Van school naar duurzaam werk biedt de gemeente kansen om jongeren met verschillende ondersteuningsvragen (school- of werkgerelateerd) te helpen. In de praktijk moet dat vaak nog wel zijn beslag krijgen.

Meer weten?

Bekijk hier de infographic en lees hier het volledige rapport.

Wil je de documentaire bekijken? Die kun je hier aanvragen.

Jongeren die stoppen met school en gaan werken willen vaak nog leren

Vsv-cijfers wijzen uit dat de afgelopen jaren zo’n veertig procent van de jongeren die zijn uitgevallen in het mbo een jaar na uitval aan het werk is. In opdracht van Ingrado onderzocht Regioplan in hoeverre hierbij sprake was van ‘groenpluk’. Groenpluk suggereert dat bedrijven actief personeel werven onder jongeren die nog in opleiding zijn, bijvoorbeeld op hun stageplek. Voor het onderzoek spraken we met jongeren over hun beweegredenen om te stoppen met de opleiding en te gaan werken, aangevuld met een literatuuronderzoek en een analyse op CBS-microdata.

Het onderzoek trok veel belangstelling. Zo besteedden zowel Trouw (Een groot aantal jongeren verlaat school, maar niet vanwege personeelstekorten, 25 maart 2025) als de Volkskrant (Mbo’ers die opleiding inruilen voor werk zijn kwetsbaar: ‘Ik verdiende veel minder dan collega’s’, vrijdag 28 maart 2025) er aandacht aan. Eind maart presenteerden we de resultaten van ons onderzoek in Nijmegen voor een publiek van geïnteresseerden uit gemeenten en onderwijs. Naast de presentatie van de onderzoeksresultaten vertoonde Ingrado een documentaire die zij over het onderwerp liet maken.

22.000 mbo-studenten zijn gestopt met hun opleiding voordat ze een diploma hebben gehaald

De aandacht voor het onderwerp is niet verrassend. Eind maart 2025 werd bekendgemaakt dat er in het schooljaar 2023-2024 22.000 mbo-studenten zijn gestopt met hun opleiding voordat zij een startkwalificatie (een diploma op minimaal mbo-2-niveau) hebben gehaald (bron: Dashboard VSV). Hoewel dit cijfer duidelijk lager ligt dan in de vorige schooljaren is dit nog steeds hoog. Ondanks de inspanningen om uitval terug te dringen, blijven de aantallen omvangrijk.

Uitval is zorgelijk, onder meer omdat jongeren zonder startkwalificatie kwetsbaarder zijn op de arbeidsmarkt:

  • Ze zijn vaker werkloos dan uitstroom met startkwalificatie
  • Ze beschikken vaker over een flexibel contract dan uitstroom met startkwalificatie
  • Ze werken vaker in kleinere aanstellingen dan uitstroom met startkwalificatie

Deze verschillen op de arbeidsmarkt zijn bovendien hardnekkig: tien jaar na uitstroom zien we nog steeds verschillen tussen uitstroom mét en uitstroom zonder startkwalificatie (bron: CBS, 2020).

Geen aanwijzingen voor ‘groenpluk’

Geen van de jongeren noemde werk als directe reden om de opleiding voortijdig te beëindigen. Ook verdere analyses wijzen er niet op dat groenpluk op grote schaal plaatsvindt. De gesprekken wijzen uit dat de oorzaak voor uitval bij vrijwel alle jongeren ligt in een combinatie van schoolgerelateerde en persoonlijke factoren. Met name een verkeerde opleidingskeuze en het zich niet thuis voelen in de schoolbanken springen eruit. Daarbij kunnen problemen thuis of in de eigen omgeving en/of psychische problemen een rol hebben gespeeld. Nadat ze stopten met hun opleiding vonden de meeste jongeren redelijk makkelijk een baan, bijvoorbeeld in de horeca of detailhandel.

Terug naar school ondanks drempels

Hoewel jongeren de waarde van een diploma vaak wel erkennen, ervaren ze obstakels die hen tegenhouden om terug te gaan naar school. Soms hebben ze ook negatieve ervaringen en kunnen het zich maar moeilijk voorstellen om terug te gaan naar school. Ondanks dergelijke bedenkingen blijkt uit de analyse op CBS-microdata dat iets meer dan een derde van deze specifieke groep schoolverlaters binnen vier jaar weer een opleiding is gaan volgen.

Welke lessen kunnen we trekken uit de redenen die jongeren noemen om te stoppen?

Veel jongeren hebben moeite met het kiezen van een passende opleiding. Ze moeten al op relatief jonge leeftijd bepalen welke richting ze op willen en er zijn momenten dat ze twijfelen of ze de juiste keuze hebben gemaakt. Het is geen schande als het een keer misgaat. Wel is het belangrijk dat jongeren de kans krijgen om iets anders te proberen als de opleiding niet is wat ze ervan verwachtten. Flexibele instroommomenten in het mbo zouden dit makkelijker kunnen maken. Dat studenten soms een verkeerde studiekeuze maken, onderschrijft ook het belang van ondersteuning bij de keuze van een opleiding, voordat ze daadwerkelijk aan een opleiding beginnen.

Een deel van de jongeren voelt zich niet thuis in het onderwijs. Ze ervaren school als een keurslijf of leren liever vanuit de praktijk. De overstap vaneen bol-opleiding naar een bbl-opleiding of andere vormen van (meer) praktijkgericht leren kan een uitweg voor deze jongeren zijn. Ook als ze zonder startkwalificatie aan het werk zijn, zou meer aandacht kunnen worden besteed aan kwalificatie en het verbeteren van de loopbaankansen van jongeren zonder startkwalificatie.

Hoewel het lastig is om vast te stellen wat nu precies bepalend is bij schooluitval, zijn er vaak al eerder signalen die erop kunnen wijzen dat een student niet op zijn of haar plek zit. In de praktijk worden studenten die hun opleiding niet willen afronden, maar niet goed weten wat ze wel willen, weleens te makkelijk losgelaten door de school. Dat een deel van de vsv’ers na verloop van tijd terugkeert naar school, wijst erop dat ze gemotiveerd kunnen zijn om een diploma te halen. Naast individuele ondersteuning kunnen deze jongeren baat hebben bij uitstroom- of oriëntatietrajecten.

Voor studenten die nog niet zo goed weten wat ze willen of die met school in conflict zijn gekomen of problemen in andere leefdomeinen ervaren, zijn er vaak verschillende opties voor een passende vervolgstap. De student kan hiervoor een beroep doen op de school of de gemeente om te verkennen welke mogelijkheden er zijn. De Wet Van school naar duurzaam werk biedt de gemeente kansen om jongeren met verschillende ondersteuningsvragen (school- of werkgerelateerd) te helpen. In de praktijk moet dat vaak nog wel zijn beslag krijgen.