Werkveld: Jeugd
Actieonderzoek effectieve inzet van het strafrechtelijk kader van de MAS
Binnen de MAS werken verschillende ketenpartners samen om schoolverzuimende jongeren terug te begeleiden naar passend onderwijs. In dit actieonderzoek is onderzocht hoe het strafrechtelijk kader binnen die aanpak effectiever ingezet kan worden.
Schoolverzuim kan een indicatie zijn van onderliggende problematiek en mogelijk risicovol gedrag bij jongeren. In Amsterdam zochten ketenpartners binnen de MAS naar manieren om hun samenwerking te verbeteren en het strafrechtelijk kader effectiever toe te passen, zonder het zorgkader uit het oog te verliezen. In een lerend en reflectief proces werkten we met vertegenwoordigers van scholen, leerplicht, OM, politie, Halt, de Raad voor de Kinderbescherming, jeugdbescherming en jeugd(gezondheids)zorg. Door middel van drie intensieve werksessies zijn kansen en behoeften vertaald naar acties die direct in de praktijk zijn getest. Uit het onderzoek blijkt onder meer dat het vroegtijdig betrekken van ketenpartners zoals de RvdK en jeugdbescherming van meerwaarde is, dat zorg en strafrecht beter gecombineerd kunnen worden ingezet, en dat een duidelijke visie van leerplichtambtenaren op het gebruik van pv’s bijdraagt aan effectiviteit en samenwerking.
Jongeren die stoppen met school en gaan werken willen vaak nog leren
Vsv-cijfers wijzen uit dat de afgelopen jaren zo’n veertig procent van de jongeren die zijn uitgevallen in het mbo een jaar na uitval aan het werk is. In opdracht van Ingrado onderzocht Regioplan in hoeverre hierbij sprake was van ‘groenpluk’. Groenpluk suggereert dat bedrijven actief personeel werven onder jongeren die nog in opleiding zijn, bijvoorbeeld op hun stageplek. Voor het onderzoek spraken we met jongeren over hun beweegredenen om te stoppen met de opleiding en te gaan werken, aangevuld met een literatuuronderzoek en een analyse op CBS-microdata.
Het onderzoek trok veel belangstelling. Zo besteedden zowel Trouw (Een groot aantal jongeren verlaat school, maar niet vanwege personeelstekorten, 25 maart 2025) als de Volkskrant (Mbo’ers die opleiding inruilen voor werk zijn kwetsbaar: ‘Ik verdiende veel minder dan collega’s’, vrijdag 28 maart 2025) er aandacht aan. Eind maart presenteerden we de resultaten van ons onderzoek in Nijmegen voor een publiek van geïnteresseerden uit gemeenten en onderwijs. Naast de presentatie van de onderzoeksresultaten vertoonde Ingrado een documentaire die zij over het onderwerp liet maken.
22.000 mbo-studenten zijn gestopt met hun opleiding voordat ze een diploma hebben gehaald
De aandacht voor het onderwerp is niet verrassend. Eind maart 2025 werd bekendgemaakt dat er in het schooljaar 2023-2024 22.000 mbo-studenten zijn gestopt met hun opleiding voordat zij een startkwalificatie (een diploma op minimaal mbo-2-niveau) hebben gehaald (bron: Dashboard VSV). Hoewel dit cijfer duidelijk lager ligt dan in de vorige schooljaren is dit nog steeds hoog. Ondanks de inspanningen om uitval terug te dringen, blijven de aantallen omvangrijk.
Uitval is zorgelijk, onder meer omdat jongeren zonder startkwalificatie kwetsbaarder zijn op de arbeidsmarkt:
- Ze zijn vaker werkloos dan uitstroom met startkwalificatie
- Ze beschikken vaker over een flexibel contract dan uitstroom met startkwalificatie
- Ze werken vaker in kleinere aanstellingen dan uitstroom met startkwalificatie
Deze verschillen op de arbeidsmarkt zijn bovendien hardnekkig: tien jaar na uitstroom zien we nog steeds verschillen tussen uitstroom mét en uitstroom zonder startkwalificatie (bron: CBS, 2020).
Geen aanwijzingen voor ‘groenpluk’
Geen van de jongeren noemde werk als directe reden om de opleiding voortijdig te beëindigen. Ook verdere analyses wijzen er niet op dat groenpluk op grote schaal plaatsvindt. De gesprekken wijzen uit dat de oorzaak voor uitval bij vrijwel alle jongeren ligt in een combinatie van schoolgerelateerde en persoonlijke factoren. Met name een verkeerde opleidingskeuze en het zich niet thuis voelen in de schoolbanken springen eruit. Daarbij kunnen problemen thuis of in de eigen omgeving en/of psychische problemen een rol hebben gespeeld. Nadat ze stopten met hun opleiding vonden de meeste jongeren redelijk makkelijk een baan, bijvoorbeeld in de horeca of detailhandel.
Terug naar school ondanks drempels
Hoewel jongeren de waarde van een diploma vaak wel erkennen, ervaren ze obstakels die hen tegenhouden om terug te gaan naar school. Soms hebben ze ook negatieve ervaringen en kunnen het zich maar moeilijk voorstellen om terug te gaan naar school. Ondanks dergelijke bedenkingen blijkt uit de analyse op CBS-microdata dat iets meer dan een derde van deze specifieke groep schoolverlaters binnen vier jaar weer een opleiding is gaan volgen.
Welke lessen kunnen we trekken uit de redenen die jongeren noemen om te stoppen?
Veel jongeren hebben moeite met het kiezen van een passende opleiding. Ze moeten al op relatief jonge leeftijd bepalen welke richting ze op willen en er zijn momenten dat ze twijfelen of ze de juiste keuze hebben gemaakt. Het is geen schande als het een keer misgaat. Wel is het belangrijk dat jongeren de kans krijgen om iets anders te proberen als de opleiding niet is wat ze ervan verwachtten. Flexibele instroommomenten in het mbo zouden dit makkelijker kunnen maken. Dat studenten soms een verkeerde studiekeuze maken, onderschrijft ook het belang van ondersteuning bij de keuze van een opleiding, voordat ze daadwerkelijk aan een opleiding beginnen.
Een deel van de jongeren voelt zich niet thuis in het onderwijs. Ze ervaren school als een keurslijf of leren liever vanuit de praktijk. De overstap vaneen bol-opleiding naar een bbl-opleiding of andere vormen van (meer) praktijkgericht leren kan een uitweg voor deze jongeren zijn. Ook als ze zonder startkwalificatie aan het werk zijn, zou meer aandacht kunnen worden besteed aan kwalificatie en het verbeteren van de loopbaankansen van jongeren zonder startkwalificatie.
Hoewel het lastig is om vast te stellen wat nu precies bepalend is bij schooluitval, zijn er vaak al eerder signalen die erop kunnen wijzen dat een student niet op zijn of haar plek zit. In de praktijk worden studenten die hun opleiding niet willen afronden, maar niet goed weten wat ze wel willen, weleens te makkelijk losgelaten door de school. Dat een deel van de vsv’ers na verloop van tijd terugkeert naar school, wijst erop dat ze gemotiveerd kunnen zijn om een diploma te halen. Naast individuele ondersteuning kunnen deze jongeren baat hebben bij uitstroom- of oriëntatietrajecten.
Voor studenten die nog niet zo goed weten wat ze willen of die met school in conflict zijn gekomen of problemen in andere leefdomeinen ervaren, zijn er vaak verschillende opties voor een passende vervolgstap. De student kan hiervoor een beroep doen op de school of de gemeente om te verkennen welke mogelijkheden er zijn. De Wet Van school naar duurzaam werk biedt de gemeente kansen om jongeren met verschillende ondersteuningsvragen (school- of werkgerelateerd) te helpen. In de praktijk moet dat vaak nog wel zijn beslag krijgen.
Meer weten?
Bekijk hier de infographic en lees hier het volledige rapport.
Wil je de documentaire bekijken? Die kun je hier aanvragen.
Jongeren die stoppen met school en gaan werken willen vaak nog leren
Vsv-cijfers wijzen uit dat de afgelopen jaren zo’n veertig procent van de jongeren die zijn uitgevallen in het mbo een jaar na uitval aan het werk is. In opdracht van Ingrado onderzocht Regioplan in hoeverre hierbij sprake was van ‘groenpluk’. Groenpluk suggereert dat bedrijven actief personeel werven onder jongeren die nog in opleiding zijn, bijvoorbeeld op hun stageplek. Voor het onderzoek spraken we met jongeren over hun beweegredenen om te stoppen met de opleiding en te gaan werken, aangevuld met een literatuuronderzoek en een analyse op CBS-microdata.
Het onderzoek trok veel belangstelling. Zo besteedden zowel Trouw (Een groot aantal jongeren verlaat school, maar niet vanwege personeelstekorten, 25 maart 2025) als de Volkskrant (Mbo’ers die opleiding inruilen voor werk zijn kwetsbaar: ‘Ik verdiende veel minder dan collega’s’, vrijdag 28 maart 2025) er aandacht aan. Eind maart presenteerden we de resultaten van ons onderzoek in Nijmegen voor een publiek van geïnteresseerden uit gemeenten en onderwijs. Naast de presentatie van de onderzoeksresultaten vertoonde Ingrado een documentaire die zij over het onderwerp liet maken.
22.000 mbo-studenten zijn gestopt met hun opleiding voordat ze een diploma hebben gehaald
De aandacht voor het onderwerp is niet verrassend. Eind maart 2025 werd bekendgemaakt dat er in het schooljaar 2023-2024 22.000 mbo-studenten zijn gestopt met hun opleiding voordat zij een startkwalificatie (een diploma op minimaal mbo-2-niveau) hebben gehaald (bron: Dashboard VSV). Hoewel dit cijfer duidelijk lager ligt dan in de vorige schooljaren is dit nog steeds hoog. Ondanks de inspanningen om uitval terug te dringen, blijven de aantallen omvangrijk.
Uitval is zorgelijk, onder meer omdat jongeren zonder startkwalificatie kwetsbaarder zijn op de arbeidsmarkt:
- Ze zijn vaker werkloos dan uitstroom met startkwalificatie
- Ze beschikken vaker over een flexibel contract dan uitstroom met startkwalificatie
- Ze werken vaker in kleinere aanstellingen dan uitstroom met startkwalificatie
Deze verschillen op de arbeidsmarkt zijn bovendien hardnekkig: tien jaar na uitstroom zien we nog steeds verschillen tussen uitstroom mét en uitstroom zonder startkwalificatie (bron: CBS, 2020).
Geen aanwijzingen voor ‘groenpluk’
Geen van de jongeren noemde werk als directe reden om de opleiding voortijdig te beëindigen. Ook verdere analyses wijzen er niet op dat groenpluk op grote schaal plaatsvindt. De gesprekken wijzen uit dat de oorzaak voor uitval bij vrijwel alle jongeren ligt in een combinatie van schoolgerelateerde en persoonlijke factoren. Met name een verkeerde opleidingskeuze en het zich niet thuis voelen in de schoolbanken springen eruit. Daarbij kunnen problemen thuis of in de eigen omgeving en/of psychische problemen een rol hebben gespeeld. Nadat ze stopten met hun opleiding vonden de meeste jongeren redelijk makkelijk een baan, bijvoorbeeld in de horeca of detailhandel.
Terug naar school ondanks drempels
Hoewel jongeren de waarde van een diploma vaak wel erkennen, ervaren ze obstakels die hen tegenhouden om terug te gaan naar school. Soms hebben ze ook negatieve ervaringen en kunnen het zich maar moeilijk voorstellen om terug te gaan naar school. Ondanks dergelijke bedenkingen blijkt uit de analyse op CBS-microdata dat iets meer dan een derde van deze specifieke groep schoolverlaters binnen vier jaar weer een opleiding is gaan volgen.
Welke lessen kunnen we trekken uit de redenen die jongeren noemen om te stoppen?
Veel jongeren hebben moeite met het kiezen van een passende opleiding. Ze moeten al op relatief jonge leeftijd bepalen welke richting ze op willen en er zijn momenten dat ze twijfelen of ze de juiste keuze hebben gemaakt. Het is geen schande als het een keer misgaat. Wel is het belangrijk dat jongeren de kans krijgen om iets anders te proberen als de opleiding niet is wat ze ervan verwachtten. Flexibele instroommomenten in het mbo zouden dit makkelijker kunnen maken. Dat studenten soms een verkeerde studiekeuze maken, onderschrijft ook het belang van ondersteuning bij de keuze van een opleiding, voordat ze daadwerkelijk aan een opleiding beginnen.
Een deel van de jongeren voelt zich niet thuis in het onderwijs. Ze ervaren school als een keurslijf of leren liever vanuit de praktijk. De overstap vaneen bol-opleiding naar een bbl-opleiding of andere vormen van (meer) praktijkgericht leren kan een uitweg voor deze jongeren zijn. Ook als ze zonder startkwalificatie aan het werk zijn, zou meer aandacht kunnen worden besteed aan kwalificatie en het verbeteren van de loopbaankansen van jongeren zonder startkwalificatie.
Hoewel het lastig is om vast te stellen wat nu precies bepalend is bij schooluitval, zijn er vaak al eerder signalen die erop kunnen wijzen dat een student niet op zijn of haar plek zit. In de praktijk worden studenten die hun opleiding niet willen afronden, maar niet goed weten wat ze wel willen, weleens te makkelijk losgelaten door de school. Dat een deel van de vsv’ers na verloop van tijd terugkeert naar school, wijst erop dat ze gemotiveerd kunnen zijn om een diploma te halen. Naast individuele ondersteuning kunnen deze jongeren baat hebben bij uitstroom- of oriëntatietrajecten.
Voor studenten die nog niet zo goed weten wat ze willen of die met school in conflict zijn gekomen of problemen in andere leefdomeinen ervaren, zijn er vaak verschillende opties voor een passende vervolgstap. De student kan hiervoor een beroep doen op de school of de gemeente om te verkennen welke mogelijkheden er zijn. De Wet Van school naar duurzaam werk biedt de gemeente kansen om jongeren met verschillende ondersteuningsvragen (school- of werkgerelateerd) te helpen. In de praktijk moet dat vaak nog wel zijn beslag krijgen.
Inspiratiedocument brede thuiszittersaanpak beschikbaar
Leerplichtorganisaties verschillen in hun rolopvatting en werkwijze als het gaat om thuiszitters. Het inspiratiedocument brede thuiszittersaanpak beschrijft ter inspiratie twee organisaties die gericht zijn op het leerrecht van thuiszitters bij geoorloofd verzuim.
Hoe te komen tot een aanpak gericht op het ondersteunen van jongeren die langdurig geoorloofd niet naar school gaan? Dit is de vraag die centraal stond in ons onderzoek voor Ingrado, de branchevereniging voor Leerplicht en Doorstroompunten. De Leerplichtwet – het kader voor leerplichtorganisaties – focust op ongeoorloofd verzuimende jongeren. De groep jongeren die langdurig geoorloofd thuiszit, waaronder bijvoorbeeld jongeren die vanwege mentale klachten lange tijd niet naar school gaan en daar als ziek staan geregistreerd – is echter veel groter. Zij hebben uiteraard ook recht op onderwijs. Op basis van gegevens van gemeenten die zich inzetten voor dit recht, schat Ingrado dat deze groep acht keer zo groot is. Hoe kan deze omvangrijke groep jongeren toch de passende zorg en het onderwijs krijgen? Hoe kunnen gemeenten een zogenoemde brede thuiszittersaanpak, gericht op (het voorkomen van) langdurig geoorloofd thuiszitten, organiseren?
Ter inspiratie voor een dergelijke aanpak, beschrijven we in dit document twee organisaties die een dergelijke aanpak hebben ingericht. Beide organisaties hebben hun eigen aanpak en doelgroep, maar lopen ook tegen vergelijkbare zaken aan. Zo lopen ze tegen het verschil aan tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim, zou er meer mogelijk moeten zijn in het creëren van onderwijs-zorgarrangementen en is de huidige thuiszittersdefinitie van de Inspectie van het Onderwijs in hun ogen te smal. Verder zijn onder meer bestuurlijk commitment op alle niveaus en accuraat actueel inzicht in de cijfers cruciale uitgangspunten.
Meer weten? Lees hier het inspiratiedocument of neem contact op met Jos Lubberman.
Brede thuiszittersaanpak
Doel van het rapport – dat is opgesteld in opdracht van Ingrado – is om leerplichtorganisaties die de omslag naar leerrecht willen maken van input en inspiratie te voorzien. Daarom zijn twee werkwijzen van leerplichtorganisaties met een brede thuiszittersaanpak zo concreet mogelijk beschreven.
Daarbij is ervoor gekozen de belasting voor de organisaties zelf tot een minimum te beperken door eerst deskresearch uit te voeren op documentatie van de organisaties . Vervolgens is de casus nader in beeld gebracht in een groepsgesprek met vertegenwoordigers van de leerplichtorganisatie. De resultaten zijn verwerkt in geanonimiseerde casebeschrijvingen die met enkele vertegenwoordigers van andere leerplichtorganisaties zijn doorgenomen. Daarbij is gekeken of de beschrijvingen input leveren voor de leerplichtorganisatie voor een eigen aanpak, of de beschrijvingen helder zijn en of er nog eventuele aanvullende vragen zijn om in te vullen, zodat de teksten aanzetten tot inspiratie. Deze reacties zijn vervolgens weer besproken met de twee leerplichtorganisaties, wat heeft geleid tot verhelderingen en aanvullingen in de beschrijvingen.
Organisatie 1 richt zich op jongeren die ingeschreven staan op een school en geoorloofd structureel langer dan vier weken aaneengesloten) minder dan 50% onderwijs volgen. Daarbij zijn er vijf uitgangspunten leidend voor de uitwerking en wordt gewerkt vanuit een visie op leerrecht in plaats van leerplicht.
De werkwijze van organisatie 2 kenmerkt zich door een brede en vroegtijdige preventieve aanpak. Daarin zijn niet alleen afspraken gemaakt over het melden van ongeoorloofd verzuim voordat het wettelijk aantal uren bereikt is, maar ook over het vroegtijdig in beeld krijgen van zorgelijk geoorloofd verzuim. Deze preventieve aanpak is opgesteld vanuit zes bouwstenen en nadrukkelijk onderdeel van het voorkomen dat kinderen/jongeren langdurig – geoorloofd dan wel ongeoorloofd – thuis komen te zitten. In deze aanpak staat daarmee schoolaanwezigheid in plaats van schoolverzuim centraal.
Meer weten? Lees hier de publicatie van ons onderzoek of neem contact op met Jos Lubberman.
Nieuw project: periodieke rapportage tegemoetkoming ouders
In hoeverre zijn de kinderbijslag en het kindgebonden budget doeltreffend en doelmatig? Dat is de centrale vraag in een synthesestudie die we uitvoeren in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen. De overheid beoogt hiermee drie dingen:
- het bestedingsverschil tussen huishoudens verkleinen;
- ervoor zorgen dat alle kinderen zich kunnen ontwikkelen en ontplooien;
- het waarborgen van een bestaansminimum.
Om deze doelen te bereiken worden ouders ondersteund vanuit drie instrumenten: de algemene kinderbijslag, de kinderbijslagvoorziening BES, en het het kindgebonden budget.
De financiële tegemoetkoming ouders dient geëvalueerd te worden. Worden de doelen van het beleid gehaald? En welke kosten staan hier tegenover? Het doel van deze periodieke rapportage is om inzicht te krijgen in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid.
Om aan dit inzicht te komen voeren we een synthesestudie uit waarbij we gebruik maken van Realistische Evaluatie als kapstok. Allereerst reconstrueren we de beleidstheorie: het ‘verhaal’ van beleidsmakers over de manier waarop beleid tot de beoogde resultaten moet leiden. Vervolgens voeren we een literatuurstudie uit waarin we evaluatiestudies en cijfermatige bronnen gebruiken om de beleidstheorie te toetsen en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid te beoordelen.
De resultaten van het onderzoek worden eind dit jaar verwacht.
Periodieke rapportage tegemoetkoming ouders
Ouders en verzorgers ontvangen financiële tegemoetkomingen voor de kosten voor de verzorging en opvoeding van kinderen. Vanuit de rijksoverheid gaat het om de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de kinderbijslagvoorziening BES. In een periodieke rapportage evalueerden we hoe doeltreffend en doelmatig deze regelingen zijn over de periode 2018-2023. In het onderzoek is gekeken naar het bereik van de regelingen, de uitvoering en naar de vraag in hoeverre de uitkomsten passen bij de beleidsdoelen: het verkleinen van bestedingsverschillen, het waarborgen van een bestaansminimum en het ondersteunen van ontwikkel- en ontplooiingsmogelijkheden van kinderen.
Algemene ontwikkelingen
In de periode 2018–2023 zijn de uitgaven aan de kindregelingen toegenomen. De totale uitgaven binnen het begrotingsartikel Tegemoetkoming ouders stegen van 5,5 miljard euro in 2018 naar 8,2 miljard euro in 2023. Na 2023 is de beweging richting hogere ondersteuning doorgezet, onder meer door latere beleidswijzigingen en aanvullende maatregelen.
Bereik, niet-gebruik en uitvoering
Over het algemeen bereiken de regelingen een groot deel van de doelgroep. Het niet-gebruik is zeer beperkt bij de kinderbijslag en relatief laag bij het kindgebonden budget. Voor de kinderbijslagvoorziening BES is het beeld over bereik en niet-gebruik minder scherp door beperktere informatie.
De uitvoering van de kinderbijslag en het kindgebonden budget verloopt in de kern stabiel en grotendeels geautomatiseerd. Tegelijkertijd zorgen de dubbele kinderbijslag en gezinsbijslagen met een internationale component voor een groot beslag op de uitvoeringscapaciteit die niet in verhouding staan tot de omvang van de doelgroep. Bij het kindgebonden budget speelt daarnaast dat het werkt met (wijzigingen in) inkomensgegevens, wat gerichte ondersteuning mogelijk maakt maar ook kan leiden tot nabetalingen en terugvorderingen. Voor Caribisch Nederland geldt dat er minder consistente informatie beschikbaar is over knelpunten, kosten en (oneigenlijk) gebruik, wat sturing op uitvoering en effecten lastiger maakt.
Bestedingsverschillen en aansluiting bij beleidsdoelen
De combinatie van kinderbijslag en kindgebonden budget dempt bestedingsverschillen tussen huishoudens met en zonder kinderen en versterkt het besteedbaar inkomen van gezinnen. De inkomensafhankelijke ondersteuning is daarbij het meest gericht op lagere inkomens en sluit daarmee aan bij het doel om bestaanszekerheid te versterken. Tegelijk kan diezelfde inkomensafhankelijkheid spanning geven met het doel van voorspelbaarheid, doordat inkomensschommelingen kunnen doorwerken in het uiteindelijke recht en zo onzekerheid in het besteedbaar inkomen kunnen veroorzaken. In Caribisch Nederland is het lastiger om de aansluiting bij beleidsdoelen scherp te beoordelen door de beperktere informatiebasis.
Beleidsopties ter verbetering
Het opnemen van een beleidsoptie die gepaard gaat met een besparing van 20 procent op de budgettaire grondslag is een vast onderdeel van een periodieke rapportage. Om tot een verbetering in doeltreffendheid en doelmatigheid te komen, hebben we een aantal knoppen om aan te draaien op een rij gezet:
- Verlaag de kinderbijslag om het inkomensonafhankelijke deel van de ondersteuning te beperken. Dit vraagt om een expliciete afweging over compensatie voor lage inkomens via gerichtere ondersteuning.
- Verlaag het kindgebonden budget gericht door bedragen voor tweede en volgende kinderen te herijken, of door de inkomensgrens te verlagen, het afbouwpercentage te verhogen of de vermogensgrens te verlagen. Een generieke verlaging raakt lage inkomens relatief hard.
- Herijk de ondersteuning voor alleenstaande ouders om de totale ondersteuning beter te laten aansluiten bij de beoogde kostendekkendheid. Dit vraagt om zorgvuldige beoordeling van armoede- en koopkrachteffecten.
- Schaf de dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen af om complexiteit te verminderen en de verhouding tussen uitvoeringslasten en doelgroep te verbeteren; financiering kan dan via andere routes worden ingericht.
Beyza Avcu BSc
Als projectondersteuner bij Regioplan ben ik betrokken bij uiteenlopende onderzoeken naar maatschappelijke vraagstukken binnen verschillende domeinen. Mijn interesse gaat vooral uit naar jeugd en het sociaal domein, waar mijn orthopedagogische achtergrond mij helpt om de dynamieken en uitdagingen binnen deze thema’s beter te begrijpen. Ik ondersteun onderzoekers bij hun onderzoeksprocessen en methodes, zodat de resultaten niet alleen wetenschappelijk onderbouwd zijn, maar ook praktisch toepasbaar.
Wat mij drijft, is de overtuiging dat goed onderzoek de basis vormt voor blijvende verandering. Jongeren verdienen de juiste ondersteuning en kansen om zich optimaal te ontwikkelen, zowel op persoonlijk als maatschappelijk vlak. Door onderzoek te vertalen naar concrete aanbevelingen, wil ik bijdragen aan beleidsoplossingen die niet alleen het systeem versterken, maar vooral jongeren helpen om een stabiele en kansrijke toekomst op te bouwen.
Daar waar er een wil tot regie is, is er een weg!
Landelijke hervormingen zoals beoogd met het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming
en de Hervormingsagenda Jeugd gaan de komende jaren veel vragen van gemeenten.
Gemeenten krijgen een grotere rol in het organiseren én bieden van passende hulp aan hun
inwoners, waaronder jeugdigen en gezinnen. Concreet houdt dit in dat de lokale teams van
gemeenten meer verantwoordelijkheden krijgen, en zowel basale hulpvragen als hulpvragen die
meer specialisme vereisen moeten kunnen oppakken. Complexe casuïstiek is een voorbeeld van casuïstiek die meer specialisme vereist. Regie op complexe casuïstiek helpt om effectieve hulpverlening van de grond te krijgen: dat is een belangrijk inzicht uit onze onderzoeken en uit de Online Kenniskamer die wij organiseerden voor gemeenten, waarover we dit artikel schreven!
Belang van regie op complexe casuïstiek
Bij complexe casuïstiek spelen er bij inwoners tegelijkertijd problemen op meerdere leefgebieden, zoals financiële problemen, opvoedproblematiek en psychische problematiek. Deze problemen houden doorgaans verband met elkaar. De hulpverlening is dan gebaat bij een integrale aanpak vanuit een systeemgerichte blik, die is gebaseerd op een diepgaande analyse van de problematiek. Wat we in de praktijk echter veel in complexe casussen zien gebeuren, is dat deze wijze van hulpverlening niet goed tot stand komt. Er zijn dan meerdere hulpverlenende partijen aangehaakt die allemaal actief zijn op hun eigen stukje expertise, zonder dat er (voldoende) verbinding tussen hulpverleningstrajecten wordt gelegd. Dat maakt de hulpverlening ineffectief en leidt tot veel frustraties bij zowel cliënten als hulpverleners.
Complexe casuïstiek vraagt om een stevige vorm van regie door capabele regisseurs die
weliswaar zelf slechts beperkt hulp bieden, maar die wel over hulpverleningsvaardigheden
moeten beschikken om te komen tot een effectieve aanpak. Het is aan gemeenten om deze
vorm van regie in te richten, vanuit de wettelijke verantwoordelijkheden die zij hebben op het
gebied van zorg en ondersteuning. Het inrichten van stevige regie op complexe casuïstiek kan
onderdeel zijn van een algehele herziening van het lokaal veld. Dat is iets waar actuele
ontwikkelingen momenteel om vragen, ontwikkelingen die door de VNG zijn vervat in het
Richtinggevend Kader Toegang, lokale teams en integrale dienstverlening.
Stevige regie betekent dat er iemand is – de regisseur – die vanuit een diepgaande analyse het
voortouw neemt om te komen tot integrale en systeemgerichte hulp en de verbindingen legt die
nodig zijn om tot duurzame oplossingen te komen. Stevige regie houdt in dat een regisseur het
centrale aanspreekpunt wordt voor álle betrokkenen in een casus – cliënt(en) en hulpverleners –
en de hulp coördineert vanuit een alomvattende probleemanalyse, die sámen met cliënten tot
stand is gekomen. Hulpverlening vindt dan in samenhang plaats, zorgt ervoor dat problemen in
de kern worden aangepakt en dat iedereen daar zijn verantwoordelijkheid in neemt.
Lessen uit de Online Regioplan Kenniskamer over ‘Regie op complexe casuïstiek’
In verschillende van onze onderzoeken brachten wij de werkzame elementen van regie in kaart.
Om deze kennis te delen, organiseerden we in mei 2024 een Online Kenniskamer voor
gemeenten, waarin we het met hen hadden over de mogelijkheden, succesverhalen én
knelpunten rondom regie op complexe casuïstiek. Want hoewel regie een effectief middel kan
zijn om in dit soort casuïstiek verder te komen, is het effectief inrichten ervan makkelijker gezegd
dan gedaan. Dit effectief inrichten vraagt namelijk allereerst een zeker geloof in het effect dat
met regie kan worden bereikt. Te vaak horen we echter in onze onderzoeken terug dat ‘de
mogelijkheden in het vrijwillig kader nu eenmaal beperkt zijn’. Dergelijke opvattingen zorgen
ervoor dat regie geen echte kans krijgt. Om die kansen te creëren is het cruciaal dat gemeenten zelf de regie nemen over de implementatie van regie op complexe casuïstiek. Wil je meer weten over lessen uit ons onderzoek over hoe je als gemeente regie effectief kunt implementeren? Lees dan ons artikel over de opbrengsten uit de Online Kenniskamer!
Meer weten over ons onderzoek op dit thema? Neem dan contact op met Katrien de Vaan!
Onderzoek naar het beter beschermen van huishoudens met kinderen tegen afsluitingen van drinkwater- en energie
Afgelopen jaar heeft Regioplan, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en het Ministerie van Economische Zaken, onderzoek gedaan naar de vraag of en wat er nodig is om kinderen beter te beschermen tegen de afsluiting van drinkwater en energie. Middels interviews met experts en betrokkenen en kwantitatieve data van onder andere het CBS hebben we onderzocht wat er nodig zou zijn om huishoudens met kinderen beter te beschermen tegen afsluiting van drinkwater en energie. Daarnaast hebben we een internationale verkenning uitgevoerd om maatregelen uit het buitenland te beschrijven en daarmee oplossingsmogelijkheden voor Nederland te onderzoeken. Specifiek daarbij hebben we de mogelijkheden voor een drinkwaterfonds onderzocht.
De uitkomsten van dit onderzoek hebben geleid tot een aantal aanbevelingen zoals:
- Optimaliseren van het (vroeg)signaleringsproces door de signalen die drinkwaterbedrijven en gemeenten uitwisselen te harmoniseren: bijvoorbeeld door middel van een minimaal bedrag en een minimaal aantal maanden betalingsachterstanden voor een vroegsignaal, informatie over de aanwezigheid van kinderen en verplicht drinkwaterbedrijven om een afsluitsignaal te sturen voordat zij tot afsluiting overgaan.
- Optimaliseer de afsluitregeling drinkwater naar voorbeeld van de afsluitregeling energie.
- Verken de mogelijkheid van schuldenbewind om mensen te beschermen tegen verdere financiële problemen.
- Het overwegen om kinderen op te nemen onder de definitie van kwetsbare afnemers in de afsluitregeling voor drinkwater.
Op basis van onder andere onze aanbevelingen gaat het kabinet aan de slag met het verbeteren van het sociaal incassoproces en de afsluitregeling voor drinkwater.
De volledige reactie van de ministers kun je in deze kamerbrief lezen.
Hier kun je ons volledige rapport lezen. Voor meer informatie of vragen kun je contact opnemen met Coco Bastiaansen MSc.