Werkveld: Jeugd
Inspiratiedocument brede thuiszittersaanpak beschikbaar
Leerplichtorganisaties verschillen in hun rolopvatting en werkwijze als het gaat om thuiszitters. Het inspiratiedocument brede thuiszittersaanpak beschrijft ter inspiratie twee organisaties die gericht zijn op het leerrecht van thuiszitters bij geoorloofd verzuim.
Hoe te komen tot een aanpak gericht op het ondersteunen van jongeren die langdurig geoorloofd niet naar school gaan? Dit is de vraag die centraal stond in ons onderzoek voor Ingrado, de branchevereniging voor Leerplicht en Doorstroompunten. De Leerplichtwet – het kader voor leerplichtorganisaties – focust op ongeoorloofd verzuimende jongeren. De groep jongeren die langdurig geoorloofd thuiszit, waaronder bijvoorbeeld jongeren die vanwege mentale klachten lange tijd niet naar school gaan en daar als ziek staan geregistreerd – is echter veel groter. Zij hebben uiteraard ook recht op onderwijs. Op basis van gegevens van gemeenten die zich inzetten voor dit recht, schat Ingrado dat deze groep acht keer zo groot is. Hoe kan deze omvangrijke groep jongeren toch de passende zorg en het onderwijs krijgen? Hoe kunnen gemeenten een zogenoemde brede thuiszittersaanpak, gericht op (het voorkomen van) langdurig geoorloofd thuiszitten, organiseren?
Ter inspiratie voor een dergelijke aanpak, beschrijven we in dit document twee organisaties die een dergelijke aanpak hebben ingericht. Beide organisaties hebben hun eigen aanpak en doelgroep, maar lopen ook tegen vergelijkbare zaken aan. Zo lopen ze tegen het verschil aan tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim, zou er meer mogelijk moeten zijn in het creëren van onderwijs-zorgarrangementen en is de huidige thuiszittersdefinitie van de Inspectie van het Onderwijs in hun ogen te smal. Verder zijn onder meer bestuurlijk commitment op alle niveaus en accuraat actueel inzicht in de cijfers cruciale uitgangspunten.
Meer weten? Lees hier het inspiratiedocument of neem contact op met Jos Lubberman.
Brede thuiszittersaanpak
Doel van het rapport – dat is opgesteld in opdracht van Ingrado – is om leerplichtorganisaties die de omslag naar leerrecht willen maken van input en inspiratie te voorzien. Daarom zijn twee werkwijzen van leerplichtorganisaties met een brede thuiszittersaanpak zo concreet mogelijk beschreven.
Daarbij is ervoor gekozen de belasting voor de organisaties zelf tot een minimum te beperken door eerst deskresearch uit te voeren op documentatie van de organisaties . Vervolgens is de casus nader in beeld gebracht in een groepsgesprek met vertegenwoordigers van de leerplichtorganisatie. De resultaten zijn verwerkt in geanonimiseerde casebeschrijvingen die met enkele vertegenwoordigers van andere leerplichtorganisaties zijn doorgenomen. Daarbij is gekeken of de beschrijvingen input leveren voor de leerplichtorganisatie voor een eigen aanpak, of de beschrijvingen helder zijn en of er nog eventuele aanvullende vragen zijn om in te vullen, zodat de teksten aanzetten tot inspiratie. Deze reacties zijn vervolgens weer besproken met de twee leerplichtorganisaties, wat heeft geleid tot verhelderingen en aanvullingen in de beschrijvingen.
Organisatie 1 richt zich op jongeren die ingeschreven staan op een school en geoorloofd structureel langer dan vier weken aaneengesloten) minder dan 50% onderwijs volgen. Daarbij zijn er vijf uitgangspunten leidend voor de uitwerking en wordt gewerkt vanuit een visie op leerrecht in plaats van leerplicht.
De werkwijze van organisatie 2 kenmerkt zich door een brede en vroegtijdige preventieve aanpak. Daarin zijn niet alleen afspraken gemaakt over het melden van ongeoorloofd verzuim voordat het wettelijk aantal uren bereikt is, maar ook over het vroegtijdig in beeld krijgen van zorgelijk geoorloofd verzuim. Deze preventieve aanpak is opgesteld vanuit zes bouwstenen en nadrukkelijk onderdeel van het voorkomen dat kinderen/jongeren langdurig – geoorloofd dan wel ongeoorloofd – thuis komen te zitten. In deze aanpak staat daarmee schoolaanwezigheid in plaats van schoolverzuim centraal.
Meer weten? Lees hier de publicatie van ons onderzoek of neem contact op met Jos Lubberman.
Nieuw project: periodieke rapportage tegemoetkoming ouders
In hoeverre zijn de kinderbijslag en het kindgebonden budget doeltreffend en doelmatig? Dat is de centrale vraag in een synthesestudie die we uitvoeren in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen. De overheid beoogt hiermee drie dingen:
- het bestedingsverschil tussen huishoudens verkleinen;
- ervoor zorgen dat alle kinderen zich kunnen ontwikkelen en ontplooien;
- het waarborgen van een bestaansminimum.
Om deze doelen te bereiken worden ouders ondersteund vanuit drie instrumenten: de algemene kinderbijslag, de kinderbijslagvoorziening BES, en het het kindgebonden budget.
De financiële tegemoetkoming ouders dient geëvalueerd te worden. Worden de doelen van het beleid gehaald? En welke kosten staan hier tegenover? Het doel van deze periodieke rapportage is om inzicht te krijgen in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid.
Om aan dit inzicht te komen voeren we een synthesestudie uit waarbij we gebruik maken van Realistische Evaluatie als kapstok. Allereerst reconstrueren we de beleidstheorie: het ‘verhaal’ van beleidsmakers over de manier waarop beleid tot de beoogde resultaten moet leiden. Vervolgens voeren we een literatuurstudie uit waarin we evaluatiestudies en cijfermatige bronnen gebruiken om de beleidstheorie te toetsen en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid te beoordelen.
De resultaten van het onderzoek worden eind dit jaar verwacht.
Periodieke rapportage tegemoetkoming ouders
Ouders en verzorgers ontvangen financiële tegemoetkomingen voor de kosten voor de verzorging en opvoeding van kinderen. Vanuit de rijksoverheid gaat het om de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de kinderbijslagvoorziening BES. In een periodieke rapportage evalueerden we hoe doeltreffend en doelmatig deze regelingen zijn over de periode 2018-2023. In het onderzoek is gekeken naar het bereik van de regelingen, de uitvoering en naar de vraag in hoeverre de uitkomsten passen bij de beleidsdoelen: het verkleinen van bestedingsverschillen, het waarborgen van een bestaansminimum en het ondersteunen van ontwikkel- en ontplooiingsmogelijkheden van kinderen.
Algemene ontwikkelingen
In de periode 2018–2023 zijn de uitgaven aan de kindregelingen toegenomen. De totale uitgaven binnen het begrotingsartikel Tegemoetkoming ouders stegen van 5,5 miljard euro in 2018 naar 8,2 miljard euro in 2023. Na 2023 is de beweging richting hogere ondersteuning doorgezet, onder meer door latere beleidswijzigingen en aanvullende maatregelen.
Bereik, niet-gebruik en uitvoering
Over het algemeen bereiken de regelingen een groot deel van de doelgroep. Het niet-gebruik is zeer beperkt bij de kinderbijslag en relatief laag bij het kindgebonden budget. Voor de kinderbijslagvoorziening BES is het beeld over bereik en niet-gebruik minder scherp door beperktere informatie.
De uitvoering van de kinderbijslag en het kindgebonden budget verloopt in de kern stabiel en grotendeels geautomatiseerd. Tegelijkertijd zorgen de dubbele kinderbijslag en gezinsbijslagen met een internationale component voor een groot beslag op de uitvoeringscapaciteit die niet in verhouding staan tot de omvang van de doelgroep. Bij het kindgebonden budget speelt daarnaast dat het werkt met (wijzigingen in) inkomensgegevens, wat gerichte ondersteuning mogelijk maakt maar ook kan leiden tot nabetalingen en terugvorderingen. Voor Caribisch Nederland geldt dat er minder consistente informatie beschikbaar is over knelpunten, kosten en (oneigenlijk) gebruik, wat sturing op uitvoering en effecten lastiger maakt.
Bestedingsverschillen en aansluiting bij beleidsdoelen
De combinatie van kinderbijslag en kindgebonden budget dempt bestedingsverschillen tussen huishoudens met en zonder kinderen en versterkt het besteedbaar inkomen van gezinnen. De inkomensafhankelijke ondersteuning is daarbij het meest gericht op lagere inkomens en sluit daarmee aan bij het doel om bestaanszekerheid te versterken. Tegelijk kan diezelfde inkomensafhankelijkheid spanning geven met het doel van voorspelbaarheid, doordat inkomensschommelingen kunnen doorwerken in het uiteindelijke recht en zo onzekerheid in het besteedbaar inkomen kunnen veroorzaken. In Caribisch Nederland is het lastiger om de aansluiting bij beleidsdoelen scherp te beoordelen door de beperktere informatiebasis.
Beleidsopties ter verbetering
Het opnemen van een beleidsoptie die gepaard gaat met een besparing van 20 procent op de budgettaire grondslag is een vast onderdeel van een periodieke rapportage. Om tot een verbetering in doeltreffendheid en doelmatigheid te komen, hebben we een aantal knoppen om aan te draaien op een rij gezet:
- Verlaag de kinderbijslag om het inkomensonafhankelijke deel van de ondersteuning te beperken. Dit vraagt om een expliciete afweging over compensatie voor lage inkomens via gerichtere ondersteuning.
- Verlaag het kindgebonden budget gericht door bedragen voor tweede en volgende kinderen te herijken, of door de inkomensgrens te verlagen, het afbouwpercentage te verhogen of de vermogensgrens te verlagen. Een generieke verlaging raakt lage inkomens relatief hard.
- Herijk de ondersteuning voor alleenstaande ouders om de totale ondersteuning beter te laten aansluiten bij de beoogde kostendekkendheid. Dit vraagt om zorgvuldige beoordeling van armoede- en koopkrachteffecten.
- Schaf de dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen af om complexiteit te verminderen en de verhouding tussen uitvoeringslasten en doelgroep te verbeteren; financiering kan dan via andere routes worden ingericht.
Beyza Avcu BSc
Als projectondersteuner bij Regioplan ben ik betrokken bij uiteenlopende onderzoeken naar maatschappelijke vraagstukken binnen verschillende domeinen. Mijn interesse gaat vooral uit naar jeugd en het sociaal domein, waar mijn orthopedagogische achtergrond mij helpt om de dynamieken en uitdagingen binnen deze thema’s beter te begrijpen. Ik ondersteun onderzoekers bij hun onderzoeksprocessen en methodes, zodat de resultaten niet alleen wetenschappelijk onderbouwd zijn, maar ook praktisch toepasbaar.
Wat mij drijft, is de overtuiging dat goed onderzoek de basis vormt voor blijvende verandering. Jongeren verdienen de juiste ondersteuning en kansen om zich optimaal te ontwikkelen, zowel op persoonlijk als maatschappelijk vlak. Door onderzoek te vertalen naar concrete aanbevelingen, wil ik bijdragen aan beleidsoplossingen die niet alleen het systeem versterken, maar vooral jongeren helpen om een stabiele en kansrijke toekomst op te bouwen.
Daar waar er een wil tot regie is, is er een weg!
Landelijke hervormingen zoals beoogd met het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming
en de Hervormingsagenda Jeugd gaan de komende jaren veel vragen van gemeenten.
Gemeenten krijgen een grotere rol in het organiseren én bieden van passende hulp aan hun
inwoners, waaronder jeugdigen en gezinnen. Concreet houdt dit in dat de lokale teams van
gemeenten meer verantwoordelijkheden krijgen, en zowel basale hulpvragen als hulpvragen die
meer specialisme vereisen moeten kunnen oppakken. Complexe casuïstiek is een voorbeeld van casuïstiek die meer specialisme vereist. Regie op complexe casuïstiek helpt om effectieve hulpverlening van de grond te krijgen: dat is een belangrijk inzicht uit onze onderzoeken en uit de Online Kenniskamer die wij organiseerden voor gemeenten, waarover we dit artikel schreven!
Belang van regie op complexe casuïstiek
Bij complexe casuïstiek spelen er bij inwoners tegelijkertijd problemen op meerdere leefgebieden, zoals financiële problemen, opvoedproblematiek en psychische problematiek. Deze problemen houden doorgaans verband met elkaar. De hulpverlening is dan gebaat bij een integrale aanpak vanuit een systeemgerichte blik, die is gebaseerd op een diepgaande analyse van de problematiek. Wat we in de praktijk echter veel in complexe casussen zien gebeuren, is dat deze wijze van hulpverlening niet goed tot stand komt. Er zijn dan meerdere hulpverlenende partijen aangehaakt die allemaal actief zijn op hun eigen stukje expertise, zonder dat er (voldoende) verbinding tussen hulpverleningstrajecten wordt gelegd. Dat maakt de hulpverlening ineffectief en leidt tot veel frustraties bij zowel cliënten als hulpverleners.
Complexe casuïstiek vraagt om een stevige vorm van regie door capabele regisseurs die
weliswaar zelf slechts beperkt hulp bieden, maar die wel over hulpverleningsvaardigheden
moeten beschikken om te komen tot een effectieve aanpak. Het is aan gemeenten om deze
vorm van regie in te richten, vanuit de wettelijke verantwoordelijkheden die zij hebben op het
gebied van zorg en ondersteuning. Het inrichten van stevige regie op complexe casuïstiek kan
onderdeel zijn van een algehele herziening van het lokaal veld. Dat is iets waar actuele
ontwikkelingen momenteel om vragen, ontwikkelingen die door de VNG zijn vervat in het
Richtinggevend Kader Toegang, lokale teams en integrale dienstverlening.
Stevige regie betekent dat er iemand is – de regisseur – die vanuit een diepgaande analyse het
voortouw neemt om te komen tot integrale en systeemgerichte hulp en de verbindingen legt die
nodig zijn om tot duurzame oplossingen te komen. Stevige regie houdt in dat een regisseur het
centrale aanspreekpunt wordt voor álle betrokkenen in een casus – cliënt(en) en hulpverleners –
en de hulp coördineert vanuit een alomvattende probleemanalyse, die sámen met cliënten tot
stand is gekomen. Hulpverlening vindt dan in samenhang plaats, zorgt ervoor dat problemen in
de kern worden aangepakt en dat iedereen daar zijn verantwoordelijkheid in neemt.
Lessen uit de Online Regioplan Kenniskamer over ‘Regie op complexe casuïstiek’
In verschillende van onze onderzoeken brachten wij de werkzame elementen van regie in kaart.
Om deze kennis te delen, organiseerden we in mei 2024 een Online Kenniskamer voor
gemeenten, waarin we het met hen hadden over de mogelijkheden, succesverhalen én
knelpunten rondom regie op complexe casuïstiek. Want hoewel regie een effectief middel kan
zijn om in dit soort casuïstiek verder te komen, is het effectief inrichten ervan makkelijker gezegd
dan gedaan. Dit effectief inrichten vraagt namelijk allereerst een zeker geloof in het effect dat
met regie kan worden bereikt. Te vaak horen we echter in onze onderzoeken terug dat ‘de
mogelijkheden in het vrijwillig kader nu eenmaal beperkt zijn’. Dergelijke opvattingen zorgen
ervoor dat regie geen echte kans krijgt. Om die kansen te creëren is het cruciaal dat gemeenten zelf de regie nemen over de implementatie van regie op complexe casuïstiek. Wil je meer weten over lessen uit ons onderzoek over hoe je als gemeente regie effectief kunt implementeren? Lees dan ons artikel over de opbrengsten uit de Online Kenniskamer!
Meer weten over ons onderzoek op dit thema? Neem dan contact op met Katrien de Vaan!
Onderzoek naar het beter beschermen van huishoudens met kinderen tegen afsluitingen van drinkwater- en energie
Afgelopen jaar heeft Regioplan, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en het Ministerie van Economische Zaken, onderzoek gedaan naar de vraag of en wat er nodig is om kinderen beter te beschermen tegen de afsluiting van drinkwater en energie. Middels interviews met experts en betrokkenen en kwantitatieve data van onder andere het CBS hebben we onderzocht wat er nodig zou zijn om huishoudens met kinderen beter te beschermen tegen afsluiting van drinkwater en energie. Daarnaast hebben we een internationale verkenning uitgevoerd om maatregelen uit het buitenland te beschrijven en daarmee oplossingsmogelijkheden voor Nederland te onderzoeken. Specifiek daarbij hebben we de mogelijkheden voor een drinkwaterfonds onderzocht.
De uitkomsten van dit onderzoek hebben geleid tot een aantal aanbevelingen zoals:
- Optimaliseren van het (vroeg)signaleringsproces door de signalen die drinkwaterbedrijven en gemeenten uitwisselen te harmoniseren: bijvoorbeeld door middel van een minimaal bedrag en een minimaal aantal maanden betalingsachterstanden voor een vroegsignaal, informatie over de aanwezigheid van kinderen en verplicht drinkwaterbedrijven om een afsluitsignaal te sturen voordat zij tot afsluiting overgaan.
- Optimaliseer de afsluitregeling drinkwater naar voorbeeld van de afsluitregeling energie.
- Verken de mogelijkheid van schuldenbewind om mensen te beschermen tegen verdere financiële problemen.
- Het overwegen om kinderen op te nemen onder de definitie van kwetsbare afnemers in de afsluitregeling voor drinkwater.
Op basis van onder andere onze aanbevelingen gaat het kabinet aan de slag met het verbeteren van het sociaal incassoproces en de afsluitregeling voor drinkwater.
De volledige reactie van de ministers kun je in deze kamerbrief lezen.
Hier kun je ons volledige rapport lezen. Voor meer informatie of vragen kun je contact opnemen met Coco Bastiaansen MSc.
Bescherming kinderen tegen afsluiting van drinkwater en energie
Afgelopen jaar heeft Regioplan, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en het Ministerie van Economische Zaken, onderzoek gedaan naar de vraag of en wat er nodig is om kinderen beter te beschermen tegen de afsluiting van drinkwater en energie. Middels interviews met experts en betrokkenen en kwantitatieve data van onder andere het CBS hebben we onderzocht wat er nodig zou zijn om huishoudens met kinderen beter te beschermen tegen afsluiting van drinkwater en energie. Daarnaast hebben we een internationale verkenning uitgevoerd om maatregelen uit het buitenland te beschrijven en daarmee oplossingsmogelijkheden voor Nederland te onderzoeken. Specifiek daarbij hebben we de mogelijkheden voor een drinkwaterfonds onderzocht.
De uitkomsten van dit onderzoek hebben geleid tot een aantal aanbevelingen zoals:
- Optimaliseren van het (vroeg)signaleringsproces door de signalen die drinkwaterbedrijven en gemeenten uitwisselen te harmoniseren: bijvoorbeeld door middel van een minimaal bedrag en een minimaal aantal maanden betalingsachterstanden voor een vroegsignaal, informatie over de aanwezigheid van kinderen en verplicht drinkwaterbedrijven om een afsluitsignaal te sturen voordat zij tot afsluiting overgaan.
- Optimaliseer de afsluitregeling drinkwater naar voorbeeld van de afsluitregeling energie.
- Verken de mogelijkheid van schuldenbewind om mensen te beschermen tegen verdere financiële problemen.
- Het overwegen om kinderen op te nemen onder de definitie van kwetsbare afnemers in de afsluitregeling voor drinkwater.
- Op basis van onder andere onze aanbevelingen gaat het kabinet aan de slag met het verbeteren van het sociaal incassoproces en de afsluitregeling voor drinkwater.
De volledige reactie van de ministers kun je lezen in deze kamerbrief.
Regionale lerende omgeving Toekomstscenario
Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming gaat uit van een meer mensgerichte, integrale en systeemgerichte werkwijze in het werken aan veiligheid van kinderen tot ouderen (0-100 jaar). Dat is een grote ontwikkelopgave waarin professionals, beleidsmakers, managers en bestuurders nog een hoop te leren hebben. Samen met Movisie ontwikkelen we daartoe duurzame regionale lerende omgevingen. Dat doen we in opdracht van het landelijk programmateam Toekomstscenario.
De bescherming van kinderen en gezinnen gaat fundamenteel veranderen. In het Toekomstscenario wordt domeinoverstijgend toegewerkt naar een meer mensgerichte, integrale en systeemgerichte werkwijze. Dat is een forse uitdaging, waarin zowel professionals, managers, beleidsmakers en bestuurders nog een hoop te leren hebben. Oftewel: leren is nodig op het niveau van uitvoering, beleid en bestuur. Daarbij is het belangrijk dat het leren niet afzonderlijk van elkaar plaatsvindt, maar dat er juist samenhang is tussen de leerprocessen op de verschillende niveaus.
In opdracht van het landelijk programmateam Toekomstscenario begeleiden Regioplan en Movisie de ontwikkeling van een blijvende, regionale lerende omgeving voor zes regio’s. Samen met de diverse belanghebbenden gaan we in co-creatie aan de slag om vanuit een gezamenlijk beeld van de huidige en gewenste situatie een lerende omgeving in te richten waarbinnen uitvoering, beleid en bestuur met en van elkaar leren in het kader van het Toekomstscenario. Na het inrichten van de lerende omgeving is het belangrijk dat deze ook wordt ‘beproefd’, uitgeprobeerd. In de evaluatie en reflectie op dit ‘beproeven’ leren belanghebbenden wat wel en niet werkt in de lerende omgeving en welke aanpassingen nodig zijn. Dat maakt het ontwikkelen van de lerende omgeving een iteratief proces waarin tussentijdse inzichten en lessen al direct leiden tot verbetering leiden.
De overstap van vso naar mbo: hoe kan de overstap worden versoepeld?
Hoe kunnen we de overstap van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) zo soepel mogelijk laten verlopen? Om die vraag draait het onderzoek dat we recent uitvoerden in opdracht van Ingrado en dat vrijdag 8 september werd gepresenteerd in Amsterdam. “Er worden wel degelijk ook successen geboekt.”
De overgang van het vso naar het mbo verloopt lang niet altijd even soepel voor de ruim zesduizend jongeren die deze overstap jaarlijks maken. In vergelijking met studenten uit het regulier voortgezet onderwijs verlaten doorgestroomde vso-studenten de opleiding vaker voortijdig zonder diploma. Verdiepend inzicht in waar deze specifieke groep leerlingen tegenaan loopt, ontbrak tot nu toe echter nog.
Oorzaken van uitval
In 2021 dienden Kamerleden Peter Kwint (SP) en Lisa Westerveld (GroenLinks) een motie in waarin ze de regering verzochten om te inventariseren wat er nodig is om een passend aanbod te creëren voor studenten met extra ondersteuningsbehoefte – zodanig dat zij wél in staat zijn een mbo-diploma te behalen.
Ingrado (branchevereniging voor leerplicht en rmc) pakte deze handschoen op en vroeg Regioplan om de oorzaken van voortijdig schoolverlaten van voormalige vso-leerlingen in het mbo in kaart te brengen.
Combinatie
Het onderzoek maakt onder meer duidelijk dat het vaak gaat om een combinatie van de volgende aspecten:
- Beschikt de vso-leerling over de vaardigheden om een mbo-opleiding succesvol af te kunnen ronden?
- Is de vso-leerling voldoende voorbereid op wat hem of haar te wachten staat in het mbo?
- Krijgt de vso-leerling een kans in het mbo?
- Beschikt het mbo over voldoende informatie over de nieuwe student?
- Zijn er voldoende mogelijkheden om de voormalige vso-leerling te ondersteunen in het mbo?
Wat kunnen we doen?
Tijdens ons onderzoek zagen we verschillende initiatieven die erop gericht zijn om vso-leerlingen te helpen bij de overstap. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende initiatieven om deze groep leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden bij de keuze voor een vervolgopleiding, zodat de leerlingen beter weten wat er van hen wordt verwacht in het mbo.
Ook troffen we verschillende vormen van coaching aan voor en tijdens de mbo-opleiding. Verschillende vso-scholen bieden – in samenwerking met het mbo – een mbo-opleiding aan in de beschermde omgeving van de vso-school voor leerlingen waarvoor de overstap naar het mbo (nog) te ambitieus is.
Presentatie
Op vrijdag 8 september presenteerde Regioplan-onderzoeker Jacob van der Wel het eindrapport tijdens een bijeenkomst op het ROC Amsterdam. Daarna volgde nog een paneldiscussie met onder meer de Kamerleden Kwint en Westerveld, drie ervaringsdeskundige studenten, en vertegenwoordigers van het mbo en het vso.
Het is belangrijk om de vso-leerlingen niet op voorhand af te schrijven, benadrukt Jacob. “Het klopt dat studenten met een vso-achtergrond vaker uitvallen en ook minder vaak een diploma halen. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat de meerderheid van de voormalige vso-leerlingen op mbo-niveau 3 en 4 uiteindelijk wél gewoon een diploma haalt. Hoewel de overstap van vso naar mbo veel vraagt van de studenten en de opleidingen, worden er dus wel degelijk ook successen geboekt. Laten we dat vooral als uitgangspunt nemen.”
Volgens Ingrado-bestuurder Corien van Starkenburg laat het rapport al met al zien dat er nog genoeg werk aan de winkel is. “De stip op de horizon is om alle studenten met een vso-achtergrond optimaal te begeleiden zodat zij een mbo-diploma kunnen behalen. Op deze manier bouwen we samen aan inclusief onderwijs.”