Dutch Sopemi Report. Migration Statistics and Migration Policies in the Netherlands

Sinds 2013 treedt Regioplan op als nationaal correspondent voor SOPEMI. SOPEMI is internationaal netwerk van migratie-experts die jaarlijks aan de OESO rapporteren over de actuele ontwikkelingen in migratiestatistieken en -beleid. Van 2026-2029 zal Regioplan in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid jaarlijks een rapport uitbrengen.

Regioplan ook tot 2029 nationaal correspondent voor OESO-SOPEMI

Sinds 2013 treedt Regioplan op als nationaal correspondent voor SOPEMI. SOPEMI is internationaal netwerk van migratie-experts die jaarlijks aan de OESO rapporteren over de actuele ontwikkelingen in migratiestatistieken en -beleid. Van 2026-2029 zal Regioplan in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid jaarlijks een rapport uitbrengen. Bekijk hier de laatste rapportage over 2025 of neem een kijkje op de projectpagina. 

Dutch Sopemi Report. Migration Statistics and Migration Policies in the Netherlands

Van 2023-2026 brengt Regioplan in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid jaarlijks een nationaal rapport uit met de meest recente migratiecijfers en recente ontwikkelingen in migratie- en integratiebeleid. Het nieuwste rapport is nu beschikbaar.

De nationale SOPEMI-rapporten zijn belangrijke input voor het werk van de OESO op het gebied van internationale migratie. De rapporten worden gebruikt ter voorbereiding van de jaarlijkse OESO International Migration Outlook en als referentiedocumenten over ontwikkelingen in het immigratie- en integratiebeleid, informatie over lopende beleidsdebatten en nieuwe kwesties en om trends en patronen in migratie- en integratiestatistieken te identificeren.

Een aantal bevindingen uit deze rapportage:

  • Op 1 januari 2025 woonden er 5,1 miljoen mensen met een migratieachtergrond in Nederland, 28,5% van de bevolking.
  • Tussen 2023 en 2024 daalde het aantal immigranten van ongeveer 336.000 naar ruim 316.000.
  • In 2024 emigreerden ongeveer 209.000 mensen uit Nederland.
  • In december 2023 werkten ongeveer 749.000 mensen uit andere EU-landen en het Verenigd Koninkrijk in Nederland, als werknemer of zelfstandige.
  • Tussen 2023 en 2024 daalde het aantal asielaanvragen in Nederland van ongeveer 50.000 naar 46.000.
  • In 2024 werden bijna 16.000 eerste asielaanvragen ingewilligd.
  • In 2024 studeerden ruim 131.000 buitenlandse studenten aan Nederlandse hogescholen en universiteiten; zij vormden ongeveer 17% van de totale studentenpopulatie.

Taakinvulling kwaliteitsmedewerkers

Om de kwaliteit van hun eigen curriculum te monitoren en daarnaar te kunnen handelen, hebben scholen en besturen in het funderend onderwijs informatie nodig over het uitgevoerde curriculum. Om inzicht te krijgen in de wijze waarop kwaliteitsmedewerkers binnen schoolbesturen deze informatie verzamelen en waar ze daarbij tegenaan lopen, voeren we interviews uit met kwaliteitsmedewerkers. Tijdens de interviews staan we stil bij vragen als:

  • Welke informatie halen de (bovenschoolse) kwaliteitsmedewerkers precies op?
  • Hoe verzamelen ze die informatie?
  • Welke ondersteuning krijgen ze daarbij?
  • Volstaat die ondersteuning of hebben ze wellicht behoefte aan (aanvullende) ondersteuning?

Opdrachtgever voor dit onderzoek is SLO.

Herziening vragenblokken NSE

De huidige vragen in de Nationale Studenten Enquête (NSE) over de voorbereiding op de beroepspraktijk en stage doen onvoldoende recht aan de complexiteit van het hoger onderwijs. Bovendien zijn de vragen lastig te beantwoorden voor studenten die deels geen of weinig ervaring hebben met het onderwerp. Voor het Landelijk Centrum Studiekeuze (LCSK) werkt Regioplan aan de herziening van de vragenblokken over hoe studenten de aansluiting op de beroepspraktijk en de stages van hun opleiding waarderen. Bij de herziening worden onderwijsinstellingen en studenten zoveel mogelijk betrokken.

Denk mee over de toekomst van het accreditatiestelsel

Moet het accreditatiestelsel op de schop, of kan het beter worden verbeterd binnen de bestaande kaders? Over die vraag wil het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de komende periode graag meer inzicht krijgen. En uw ervaring is daarbij onmisbaar.

Vul de quickscan in en deel uw ervaringen. 

Regioplan voert samen met Hobéon en het lectoraat Higher Education, Research and Innovation (Hogeschool van Amsterdam) een verkenning uit naar mogelijke beleidsopties voor de verdere ontwikkeling van het Nederlandse accreditatiestelsel. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW en begeleid door onder meer de Inspectie van het Onderwijs en de NVAO. We onderzoeken hoe het accreditatiestelsel kan worden verbeterd, met behoud van vertrouwen in de kwaliteit van het hoger onderwijs én met minder ervaren administratieve lasten. Daarbij willen we vooral leren van de mensen die dagelijks met kwaliteitszorg en accreditatie werken.

Voor wie?
Werkt u bijvoorbeeld als:
• opleidingsmanager;
• lid van een opleidingscommissie;
• medewerker kwaliteitszorg;
• faculteitsdirecteur;
• of bent u op een andere manier betrokken bij accreditatie en kwaliteitszorg?

Dan nodigen wij u van harte uit om uw ervaringen te delen.

Wat vragen we?
In ongeveer vijf minuten vragen we u:
• wat volgens u goed werkt in de huidige accreditatiecyclus;
• wat goed werkt in hoe uw instelling zicht houdt op de kwaliteit van het onderwijs;
• wat beter kan of anders zou moeten;
• en welke ideeën u heeft voor de verdere ontwikkeling van het stelsel.

Er is daarbij volop ruimte om uw eigen suggesties en ervaringen toe te lichten.

De vragenlijst staat de gehele zomer open. We stellen het zeer op prijs als u de uitnodiging ook deelt binnen uw eigen netwerk, zodat we een zo breed mogelijk beeld krijgen van de praktijk.

Praat verder tijdens een groepsgesprek
Na de zomer organiseren we in september en oktober een aantal regionale groepsgesprekken met vertegenwoordigers van kwaliteitszorg- en beleidsafdelingen, opleidingsmanagers en leden van opleidingscommissies. Tijdens deze bijeenkomsten gaan we dieper in op mogelijke verbeteringen van het accreditatiestelsel. Wilt u hiervoor worden uitgenodigd? Dan kunt u dat aan het einde van de vragenlijst aangeven.

Meer informatie
Heeft u vragen over de quickscan of het onderzoek? Neem dan contact op met het onderzoeksteam via accreditatiestelsel@regioplan.nl.

valuatie Wet doorlopende leerroutes vmbo-mbo

Regioplan en het Kohnstamm Instituut voeren in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een evaluatie uit van de Wet doorlopende leerroutes vmbo-mbo (2020). Deze wet, die in 2020 in werking trad, moet de overgang van vmbo naar mbo versoepelen en bijdragen aan betere doorstroom, minder uitval en een sterker regionaal beroepsonderwijsaanbod.

Hoe krijgen doorlopende leerroutes vorm in de praktijk?
Doorlopende leerroutes maken het mogelijk dat vmbo-scholen en mbo-instellingen gezamenlijk onderwijsprogramma’s vormgeven, zodat leerlingen een meer samenhangende leerroute kunnen volgen. Vijf jaar na invoering van de wet wordt onderzocht in hoeverre de beoogde doelen in de praktijk worden gerealiseerd en welke factoren daarbij een rol spelen.

Aandacht voor samenwerking, uitvoering en resultaten
In het onderzoek besteden we aandacht aan de implementatie van de wet, de samenwerking tussen vmbo- en mbo-instellingen, ervaringen van betrokkenen en de effecten van de leerroutes op onder meer doorstroom, uitval en studiesucces. Ook onderzoeken we waarom het gebruik van doorlopende leerroutes achterblijft bij de verwachtingen en welke mogelijkheden er zijn om het instrument verder te versterken.

Onderzoek onder scholen, instellingen en jongeren
Voor de evaluatie combineren we verschillende onderzoeksmethoden, waaronder analyses van bestaande gegevens, vragenlijstonderzoek, interviews met betrokken onderwijsprofessionals en gesprekken met jongeren die een doorlopende leerroute volgen of hebben gevolgd.

Inzicht voor toekomstig onderwijsbeleid
De resultaten van het onderzoek bieden inzicht in de werking van de wet in de praktijk en leveren aanknopingspunten voor de verdere ontwikkeling van doorlopende leerroutes binnen het beroepsonderwijs.

Meer weten? Neem contact op met Suna.

Groepsleraar 12+

Regioplan en ECBO deden, in opdracht van het ministerie van OCW, onderzoek naar de meerwaarde van een sterk pedagogisch-didactische groepsleraar voor delen van het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, vmbo en mbo. Het onderzoek was kwalitatief en verkennend van aard.

Voor het onderzoek is een desktudie uitgevoerd en zijn interviews en groepsgesprekken gehouden met schooldirecteuren, leraren en lerarenopleidingen.
Het onderzoek laat zien dat de inzet van sterk pedagogisch-didactische groepsleraren voor de doelgroep 12+ in het pro, vso, vmbo en mbo zeker van meerwaarde kan zijn. Voor deze leerlingen bieden groepsleraren rust en duidelijkheid. Ook biedt het voor leraren de mogelijkheid om een relatie op te bouwen met hun leerling, wat voor sommige leerlingen belangrijk is om tot leren te komen.

Wel is er discussie over de grenzen aan de inzet van groepsleraren, met name in het vso, vmbo en mbo. Voor welke delen van het onderwijs in deze sectoren kan een groepsleraar wel of niet worden ingezet? Daarbij speelt vooral de afweging tussen het belang van vakinhoud en vakdidactiek versus het belang van een sterk pedagogische, vaste leraar.
Meer en verdiepend onderzoek, onder een grotere doelgroep, is nodig om hierover beter onderbouwde keuzes te maken. Voor specifiek het vso geldt dat er in verder onderzoek meer recht moet worden gedaan aan de verschillen tussen clusters en uitstroomprofielen.

Op basis van de uitkomsten van het onderzoek deden we twee aanbevelingen:

  1. Zorg voor een duidelijke definitie van de term groepsleraar en een duidelijke afbakening van de inzet
  2. Geef duidelijkheid over de opleidingsroutes van groepsleraren

Evaluatie Subsidieregeling praktijkleren 2019 – 2022

De Subsidieregeling praktijkleren komt werkgevers tegemoet voor de kosten die zijn maken voor de begeleiding van leerlingen en studenten bij de opleiding in de praktijk en de loonkosten van promovendi of technologisch ontwerpers in opleiding (toio’s). In 2018 is de eerste evaluatie van deze subsidieregeling uitgevoerd, waaruit bleek dat de subsidieregeling een belangrijke bijdrage levert aan het aanbieden van praktijkleerplaatsen door werkgevers. In 2022 hebben ECBO en Regioplan, in opdracht van het ministerie van OCW, een tweede evaluatie van de subsidieregeling uitgevoerd, gericht op het gebruik, de effecten en mogelijke doorontwikkeling van de subsidieregeling over de periode van 2019-2022.

In alle doelgroepen (vo, mbo, hbo en wo) is door de jaren heen een stijging te zien van het aantal aangevraagde subsidies voor praktijkleerplaatsen. Mogelijke verklaringe hiervoor zijn het toevoegen van nieuwe doelgroepen, meer bekendheid over de regeling, personeelstekorten en meer aandacht voor leren in de praktijk. Verreweg het grootste aandeel subsidieaanvragen wordt gedaan voor studenten van het mbo.

De subsidieregeling wordt door werkgevers als positief gewaardeerd. De regeling is ook doeltreffend: het blijkt van groot belang te zijn om te kunnen voldoen aan de vraag naar goed opgeleid personeel. Ook is de subsidieregeling doelmatig: de uitvoeringskosten zijn relatief laag in vergelijking met andere subsidieregelingen.

Vanwege de tevredenheid, doeltreffendheid en doelmatigheid wordt aanbevolen om de subsidieregeling te continueren in Europees Nederland en te verkennen hoe deze in Caribisch Nederland uitgebreid kan worden.

Voor het onderzoek is een deskresearch uitgevoerd, om zicht te krijgen op het aantal aangevraagde en toegekende subsidies. Ook zijn groepsgesprekken gehouden met beleidsmedewerkers van RVO en subsidie-adviseurs, is een vragenlijst uitgezet onder werkgevers en zijn verdiepende gesprekken gehouden met werkgevers, docenten en studenten. Tot slot zijn drie groepsgesprekken gevoerd met vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, de overheid en het onderwijs, waarin gezocht is naar verklaringen voor bevindingen en waarin mogelijkheden voor de doorontwikkeling van de subsidieregeling zijn besproken.

Breed gesprek governance en (mede)zeggenschap in het funderend onderwijs

De invloed van gedrag en cultuur bij (mede)zeggenschap, het belang van het goede gesprek, knelpunten in de medezeggenschap, het ontbreken van een formele rol voor de schoolleider en de verantwoording als last zijn enkele van de vele bevindingen die uit het onderzoek komen. Dat blijkt uit onderzoek naar governance en (mede)zeggenschap in het funderend onderwijs, dat we in samenwerking met CAOP en Leeuwendaal – in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) – uitvoerden.

Het onderzoek bestond uit deskresearch, 76 groepsgesprekken en een werkconferentie. Aan de brede gesprekken hebben onder meer leerlingen, ouders, (g)mr-leden uit verschillende geledingen, onderwijspersoneel, schoolleiders, schoolbestuurders, intern toezichthouders, belangenbehartigers en vertegenwoordigers van samenwerkingsverbanden en gemeenten meegedaan.

Governancestructuur en medezeggenschap
De huidige governancestructuur kan als werkbaar worden beschouwd. Aan grote wijzigingen in de structuur van de (mede)zeggenschap bestaat geen behoefte. Die werkbaarheid kan evenwel worden versterkt door aandacht te (blijven) schenken aan de organisatiecultuur van de medezeggenschap, in het bijzonder door middel van het goede gesprek en de kennis en vaardigheid waarover betrokkenen dienen te beschikken.

Versterken van de (mede)zeggenschap
De werkbaarheid van medezeggenschap kan worden versterkt door het belang van medezeggenschap te blijven communiceren, vooral ook voor nieuwkomers in de school, en te zorgen voor een goede informatievoorziening, facilitering en kwalificering van de mr-leden. Wederzijds vertrouwen vormt een basisvoorwaarde.

Ervaringen van betrokkenen
De systematiek van meer middelen naar de klas is werkbaar, hoewel het draagvlak niet bij iedereen en onder alle geledingen even groot is. Mr-leden wijzen vooral op meer betrokkenheid en draagvlak voor de keuzes die worden gemaakt. Bestuursleden zien risico’s in financial control en mogelijke spanning tussen de keuzes van het team en het brede belang van de school of het bestuur.

Rol en positie van de schoolleider
Met name vanuit schoolleiders zelf is er behoefte aan een betere positionering. Er zijn verschillende routes mogelijk: een juridische route, een vertrouwensroute of een alternatieve route, in de vorm van afspraken in het managementstatuut. Er is nader onderzoek nodig om te komen tot een gedegen afweging over de positie van de schoolleider.

Begrotings- en verantwoordingscyclus
De huidige begrotingssystematiek en taakverdeling tussen bestuur en schoolleiding is werkbaar. De mate waarin dit tot administratieve lasten leidt verschilt per schoolbestuur en wordt mede bepaald door ondersteuning van het stafbureau. Punt van aandacht vormen de tijdelijke subsidieregelingen, die vaak wel tot extra verantwoordingslast leiden.