Werkveld: Onderwijs
Administratieve lasten docenten in het mbo
Het ministerie van OCW heeft een onderzoek gevraagd om duidelijk te krijgen welke administratieve lasten het meest een belasting vormen voor docenten in het mbo en wat de bron is van deze administratieve lasten. Regioplan voerde dit onderzoek,samen met ECBO, Panteia, en Prof. Pieter Huisman uit.
Voor het onderzoek is een verkennend documentonderzoek uitgevoerd en zijn verkennende interviews gehouden met mbo-docenten om eerste inzicht te krijgen in welke administratieve taken docenten uitvoeren en welke als last worden ervaren. Vervolgens is een vragenlijst uitgezet onder mbo-docenten via het Flitspanel. Daarna zijn focusgroepen met docenten en interviews met leidinggevenden georganiseerd, waarmee de resultaten uit de vragenlijst verder zijn verdiept. Ook is op basis van de vragenlijst berekend wat administratieve taken kosten, zowel in tijd als geld. Tot slot is een juridische analyse uitgevoerd waarin is gekeken naar de bron van de administratieve lasten.
In het onderzoek zagen we dat de diversiteit in het mbo leidt tot veel verschillende taken en veel verschillende manieren waarop administratieve taken worden ingevuld. De meest genoemde administratieve taken zijn de aanwezigheidsregistratie, het studentvolgsysteem bijhouden, cijfers registreren en BPV-werkzaamheden. In totaal zijn docenten ongeveer 8 uur per week bezig met administratieve taken.
De administratieve taken rondom het Bindend studieadvies (BSA) en het bijhouden van studentinformatiesystemen zijn onder de veel voorkomende taken de taken die het zwaarst worden ervaren. De belangrijkste reden waarom administratieve taken als last worden ervaren is dat het veel tijd kost. Andere redenen waarom de taken als last worden ervaren zijn dat de taken te veel energie kosten, de taken voor ergernis zorgen, de moeite niet in verhouding is met de baten en dat het uitgaat van wantrouwen. Uit de juridische analyse bleek dat administratieve taken voortvloeien uit zowel wettelijke verplichtingen als instellingsgebonden procedures
Op basis van het onderzoek doen we aantal aanbevelingen waarmee de administratieve last verminderd kan worden:
- Gebruiksvriendelijkere registratiesystemen
- Ondersteunen van docenten vanuit de instelling, bijvooorbeeld vanuit een juridische afdeling of door het beschikbaar stellen van formats en voorlichting
- Een interne scan/doorlichting om te bepalen of informatie niet onnodig dubbel wordt gevraagd en/of dat bepaalde instructies niet tegenstrijdig zijn
- De inzet van technologie, zoals bij aanwezigheidsregistratie (welke sommige mbo-instellingen al gebruiken of gebruikt hebben)
Evaluatie Regie op Onderwijskwaliteit
Tussen 2018 en 2021 voerde de PO-Raad het project Regie op Onderwijskwaliteit uit. In dit project werden schoolbesturen ondersteund in het regie voeren op hun onderwijskwaliteit. Hiervoor zijn verschillende activiteiten georganiseerd zoals een belronde, leergangen, leerkringen en ondersteuning door experts. Regioplan voerde in opdracht van de PO-Raad de evaluatie uit van Regie op Onderwijskwaliteit.
Voor de evaluatie is de data uit de belronde geanalyseerd, zijn projectplannen bekeken, zijn vragenlijsten uitgezet en interviews gehouden met deelnemers van de verschillende activiteiten van Regie op Onderwijskwaliteit. Ook zijn experts die scholen of schoolbesturen hebben begeleid geïnterviewd. Om uitspraken te doen over de impact van Regie op Onderwijskwaliteit is gekeken naar de ontwikkeling die schoolbesturen doormaakten op gebied van kwaliteitszorg, op basis van onderzoeken over het bestuursakkoord.
Uit de evaluatie komt naar voren dat de meeste schoolbesturen verschillende onderdelen van kwaliteitszorg (formeel) hebben ingericht. Grotere schoolbesturen en schoolbesturen met een afdeling kwaliteit of kwaliteitszorgmedewerker hebben over het algemeen meer onderdelen van kwaliteitszorg (formeel) ingericht. Voor schoolbesturen ligt er met name nog ruimte in het benutten van de uitkomsten van audits, visitaties en zelfevaluaties. Vraagstukken die bij schoolbesturen leven op gebied van kwaliteitszorg liggen op verschillende onderdelen in de kwaliteitszorgcyclus (definiëren, zicht hebben, werken aan, verantwoorden).
Wat betreft de impact blijkt uit de evaluatie dat schoolbesturen zich door Regie op Onderwijskwaliteit hebben ontwikkeld op gebied van kwaliteitszorg en/of kwaliteitscultuur. De tevredenheid en impact was met name hoog voor activiteiten waarin veel maatwerk of interactie met collega-besturen mogelijk was. Over activiteiten die (door COVID-19) digitaal georganiseerd werden of specifiek bedoeld waren voor meer “gevorderde” besturen als het gaat om kwaliteitszorg was men minder tevreden.
Op basis van de bevindingen komen we tot de volgende aanbevelingen voor de PO-Raad:
- Blijf zorgen voor een integrale benadering van kwaliteitszorg.
- Blijf in het activiteitenaanbod zorgen voor voldoende maatwerk en diversiteit.
- Denk bij online aanbod na over het stimuleren van informele contacten.
Lees hier het rapport of neem bij vragen contact op met Denise.
Doorwerking stelselonderzoeken
In opdracht van de Inspectie van het Onderwijs onderzocht Regioplan, samen met prof. dr. Melanie Ehren, hoe bevindingen en aanbevelingen uit stelselonderzoeken doorwerken in beleid en praktijk. In vijf cases blijkt vooral agenderende doorwerking sterk aanwezig; instrumentele doorwerking komt in een deel van de gevallen voor.
De Inspectie van het Onderwijs voert stelselonderzoeken uit om zicht te krijgen op de werking en kwaliteit van het onderwijsstelsel. Regioplan onderzocht, samen met prof. dr. Melanie Ehren, wat de doorwerking is van bevindingen, conclusies en aanbevelingen uit zulke stelselrapporten, en welke kenmerken die doorwerking bevorderen.
In het onderzoek werd na inventarisatie van het bereik van stelselrapporten (o.a. via een sociale media-analyse en focusgroep) een verdiepend onderzoek uitgevoerd van vijf cases (stelselonderzoeken) via documentstudie, focusgroepen met sleutelstakeholders en interviews met de inspectie.
In alle cases is agenderende doorwerking zichtbaar: onderwerpen komen (extra) op de agenda via nieuwsberichten, Kamerbrieven en intern overleg, en bestaande activiteiten worden ondersteund of aangejaagd. Instrumentele doorwerking komt ook bij sommige cases voor, bijvoorbeeld via nieuwe wet- en regelgeving, verbeteracties in het veld en de ontwikkelingen van praktische instrumenten. Conceptuele en politiek-strategische vormen van doorwerking bleken lastig meetbaar en werden daarom beperkt gevonden in dit onderzoek.
Doorwerking van stelselonderzoeken wordt o.a. bevorderd door het gebruik van een positieve en stimulerende toon, concrete aanbevelingen en voldoende oog voor de context in een stelselrapport, het gebruik van een representatieve steekproef, zorgen voor voldoende vernieuwing t.o.v. eerder onderzoek, gerichte communicatie over een stelselonderzoek(zoals webinars), het betrekken van relevante stakeholders, een goede timing en aansluiting bij lopende thema’s. Voor doorwerking bij scholen en besturen geldt dat het combineren van stelselonderzoek met instellingstoezicht hieraan bijdraagt. Naast rekening houden met deze kritische succesfactoren, wordt aanbevolen om vooraf de beoogde doorwerking te bepalen en een jaar na publicatie de doorwerking te evalueren.
Lees hier het rapport of neem contact op met Denise voor vragen over het onderzoek.
Verdiepend onderzoek Voortgezet Leren
Het programma Voortgezet Leren van de VO-raad biedt ondersteuning en advies aan schoolleiders en bestuurders om schoolontwikkeling op verschillende thema’s te realiseren. Regioplan voert de evaluaties uit van dit programma en voerde hiervoor in 2024-2025 een verdiepend onderzoek uit.
In dit verdiepende onderzoek is gekeken op wat voor manier bestuurders en schoolleiders werken aan schoolontwikkeling, welke bronnen en activiteiten zij hiervoor gebruiken en hoe ze hierin samenwerken. Daarnaast is de meerwaarde van Voortgezet Leren uitgevraagd in het onderzoek. Voor het onderzoek is een quickscan uitgezet onder schoolleiders en zijn interviews gehouden met schoolleiders en enkele bestuurders.
Uit het onderzoek komt naar voren dat de ondersteuningsvragen van scholen op gebied van schoolontwikkeling aansluiten bij het aanbod van Voortgezet Leren. Zij hebben vooral behoefte aan ondersteuning op thema’s als formatieve cultuur, brede vorming en burgerschap en motivatie. Een deel van deze ondersteuningsbehoefte is te halen binnen schoolbesturen zelf, afhankelijk van de interne kennis en expertise. Extern aanbod, bijvoorbeeld vanuit Voortgezet Leren, is wel noodzakelijk voor het bedienen van de overige ondersteuningsvragen. Met name als het gaat om duidelijkheid over kaders, specifieke kennis, procesbegeleiding en uitwisseling met andere scholen is behoefte aan ondersteuning buiten het schoolbestuur.
De samenwerking tussen bestuurders en schoolleiders als het gaat om schoolontwikkeling hangt af van de context, zoals de sturingsfilosofie en de organisatiestructuur. Schoolleiders ervaren veel autonomie om eigen keuzes te maken met betrekking tot schoolontwikkeling. Ook ervaren ze veel mogelijkheden om zowel intern als extern ondersteuning te vragen. Schoolleiders bleken de activiteiten van Voortgezet Leren nog niet altijd weten te vinden. Hiervoor is in het onderzoek geen duidelijke verklaring gevonden.
Op basis van het onderzoek doen we een aantal aanbevelingen aan de VO-raad:
- Richt je in het aanbod vooral op de thema’s formatieve cultuur, burgerschap en brede vorming en motivatie van leerlingen.
- Organiseer informatiebijeenkomsten en zorg voor voldoende informatie op de website over wettelijke kaders en begrippenkaders.
- Overweeg om schoolleidersstages te faciliteren, waarbij schoolleiders met een vergelijkbaar profiel bij elkaar stagelopen om inspiratie op te doen.
- Behoud de informatie over motivatie op de website en overweeg om een informatiebijeenkomst te organiseren met een expert op dit thema.
Onderzoek naar leeraanbod voor archivarissen en informatieprofessionals
In opdracht van het ministerie van OCW brachten Regioplan, ROA en CINOP in kaart welke kennis en vaardigheden nu en de komende jaren nodig zijn, waar tekorten zitten en welke aangrijpingspunten er zijn om het leer- en ontwikkelaanbod voor archivarissen en informatieprofessionals te verbeteren.
De overheid moet, in lijn met de Archiefwet en aanpalende wetten, haar informatiehuishouding en archivering op orde hebben. Archivarissen en informatieprofessionals spelen daarin een sleutelrol, zeker nu digitalisering en de nieuwe Archiefwet de nadruk leggen op transparantie, ‘archiving by design’ en een kortere overbrengingstermijn. In opdracht van het ministerie van OCW brachten Regioplan, ROA en CINOP in kaart welke kennis en vaardigheden nu en de komende jaren nodig zijn, waar tekorten zitten en welke aangrijpingspunten er zijn om het leer- en ontwikkelaanbod voor archivarissen en informatieprofessionals te verbeteren.
Voor het onderzoek werd een deskresearch uitgevoerd van o.a. wet- en regelgeving, functieprofielen en vacaturedata. Ook werden arbeidsmarktanalyses uitgevoerd om inzicht te krijgen in het veronderstelde kwantitatieve tekort aan archivarissen. Verder werden interviews en groepsgesprekken gehouden met stakeholders, aanbieders van opleidingen en trainingen en professionals op operationeel, tactisch en strategisch niveau. Op basis van al deze input werd een ‘gap-analyse’ gemaakt van tekorten in aantallen en in competenties.
Uit de analyses blijkt dat het beeld over kwantitatieve tekorten afhangt van de afbakening van de functie. Bij een smalle definitie (aangewezen archivaris) is sprake van een kwantitatief tekort: er zijn jaarlijks meer baanopeningen dan afgestudeerden van de direct relevante opleidingen. Bij een bredere definitie lijken er in principe voldoende mensen beschikbaar, mits de sector aantrekkelijk genoeg is. Over het algemeen lijkt er vooral een tekort aan medior en senior professionals, met name bij kleinere archiefinstellingen.
Naast een kwantitatief tekort aan professionals, bestaat er een kwalitatief hiaat, met name als het gaat om digitale vaardigheden (recordmanagment, e-depots, metadata), strategische adviesvaardigheden en kennis over governance en ethiek. Ook ontbreekt vaak een proactieve houding en bestuurlijke sensitiviteit.
Volgens professionals sluit het huidige leer- en ontwikkelaanbod onvoldoende aan op de praktijk, is het te versnipperd en te weinig modulair. Ook is het aanbod beperkt toegankelijk, onder meer doordat de opleidingen zich grotendeels in Amsterdam bevinden, het aanbod zich vooral richt op rijksambtenaren en een tekort aan stageplaatsen de instroom belemmerd.
Op basis van de resultaten is duidelijk dat opleiden alleen niet voldoende is voor het overbruggen van hiaten, ook positionering van medewerkers, duidelijke rolafbakening en versterken van loopbaanpaden zijn van belang. De wijze waarop het kwalitatieve en kwantitatieve tekort kan worden aangepakt, is afhankelijk van hoe de vraag naar archivarissen wordt afgebakend en of er sprake is van meer decentrale of centrale sturing. Op basis daarvan worden vier scenario’s geschetst:
- Inzetten op voldoende gekwalificeerde archivarissen
- Flexibele invulling van het vakgebied, met maatwerk tussen en binnen organisaties
- Verbreding en erkenning van vaardigheden
- Snelle instroom van een potentieel grote groep professionals met enige affiniteit met het vakgebied.
Wilt u meer weten over dit onderzoek? Bekijk dan hier het rapport en de projectpagina, of neem contact op met Jos Lubberman.
Wendbaarheid in het mbo
De sociale partners in het mbo hebben bij het vaststellen van de cao mbo 2018-2020 vastgelegd dat er een onderzoek moet komen naar mogelijke aspecten bij werkgevers, werknemers en in de cao die het inspelen op veranderingen, c.q. de wendbaarheid van werkgevers en werknemers bemoeilijken. Regioplan is door de sociale partners gevraagd het onderzoek uit te voeren.
Voor het onderzoek zijn groepsgesprekken gehouden op zeven mbo-instellingen met vertegenwoordigers van de directie, HR/personeelszaken, financiën en de ondernemingsraad. Ook hebben we met negentien werknemers in het mbo (docenten, beleidsmedewerkers, projectmanagers, opleidingsmanagers) een interview gehouden.
Onderzoek naar managementstatuten in het onderwijs
Regioplan voerde samen met prof. mr. Pieter Huisman, in opdracht van het ministerie van OCW, een verkennend onderzoek uit naar de managementstatuten in het primair- en voortgezet onderwijs. Doel van het onderzoek was om zicht te krijgen op de vraag hoe managementstatuten in de praktijk worden gebruikt en in hoeverre ze bijdragen aan een sterkere strategische positie van schoolleiders.
Uit het onderzoek blijkt dat hoewel er over het algemeen tevredenheid is over de afspraken in het managementstatuut, het document vaak onbekend is bij schoolleiders en GMR-leden en dat schoolleiders ook niet altijd bij worden betrokken bij het opstellen of herzien van het statuut. Hoewel het managementstatuut in de praktijk vaak wel wordt nageleefd, is het geen levend document. Een aantal statuten zijn bovendien sterk verouderd. Het wordt vooral gebruik bij wisselingen in leiding of wanneer er onduidelijkheid of frictie ontstaat over rollen en verantwoordelijkheden.
De meeste schoolleiders ervaren hun strategische positie ten opzichte van het bestuur bovendien als voldoende sterk. Bestuurders en schoolleiders benadrukken dat vertrouwen, dialoog en goed samenspel bepalender zijn voor de strategische positie van schoolleiders dan het managementstatuut.
Op basis van het onderzoek concluderen we dat extra wetgeving over de inhoud van het managementstatuut weinig toevoegt, maar dat een periodieke evaluatie (bijvoorbeeld eens per vier jaar) kan helpen om veroudering te voorkomen en het statuut bekender en bruikbaarder te maken. Verder helpt het om het statuut expliciet te benutten bij het aantreden van nieuwe schoolleiders of bestuurders, het te verbinden aan andere interne beleidsdocumenten en kennisdeling te stimuleren via sectororganisaties en vakverenigingen. Het ministerie neemt de uitkomsten van het onderzoek mee in het wetsvoorstel ‘Versterken Inspraak Leraren en Schoolleiders’.
Meer weten? Bekijk hier de projectpagina of lees het volledige rapport.
Onderzoek managementstatuten
Regioplan voerde samen met prof. mr. Pieter Huisman, in opdracht van het ministerie van OCW, een verkennend onderzoek uit naar de managementstatuten in het primair- en voortgezet onderwijs. Doel van het onderzoek was om zicht te krijgen op de vraag hoe managementstatuten in de praktijk worden gebruikt en in hoeverre ze bijdragen aan een sterkere strategische positie van schoolleiders.
Voor het onderzoek is literatuur en wet- en regelgeving bestudeerd, zijn managementstatuten verzameld en geanalyseerd en zijn vragenlijsten uitgezet onder bestuurders, (G)MR-leden en schoolleiders. Daarnaast zijn groepsgesprekken gehouden met schoolleiders en bestuurders en is met sector- en vakorganisaties een werksessie georganiseerd over de eerste bevindingen en mogelijke verbeteringen.
Hoewel vrijwel alle schoolbesturen een managementstatuut hebben, is het vaak een onbekend document voor schoolleiders en GMR-leden. Een deel van de schoolleiders is ook niet betrokken bij het opstellen of herzien van een managementstatuut. Schoolleiders zijn meestal tevreden over de afspraken, met uitzondering van het thema huisvesting of als afspraken te breed zijn geformuleerd waardoor interpretatieverschillen kunnen ontstaan.
Hoewel het managementstatuut in de praktijk vaak wel wordt nageleefd, is het geen levend document. Het wordt vooral gebruik bij wisselingen in leiding of wanneer er onduidelijkheid of frictie ontstaat over rollen en verantwoordelijkheden. Een aantal statuten zijn bovendien sterk verouderd. Bestuurders en schoolleiders benadrukken dat vertrouwen, dialoog en goed samenspel bepalender zijn voor de strategische positie van schoolleiders dan het document zelf.
De meeste schoolleiders ervaren hun strategische positie ten opzichte van het bestuur bovendien als voldoende sterk. Druk ontstaat vooral waar centrale sturing toeneemt of waar schoolleiders door operationele taken weinig ruimte hebben voor strategische rollen. Op basis van het onderzoek concluderen we dat extra wetgeving over de inhoud van het managementstatuut weinig toevoegt, maar dat een periodieke evaluatie (bijvoorbeeld eens per vier jaar) kan helpen om veroudering te voorkomen en het statuut bekender en bruikbaarder te maken. Verder helpt het om het statuut expliciet te benutten bij het aantreden van nieuwe schoolleiders of bestuurders, het te verbinden aan andere interne beleidsdocumenten en kennisdeling te stimuleren via sectororganisaties en vakverenigingen. Het ministerie neemt de uitkomsten van het onderzoek mee in het wetsvoorstel ‘Versterken Inspraak Leraren en Schoolleiders’.
Behoefteonderzoek master digitale didactiek en digitale veiligheid
In het programma Digitaal Bekwaam MBO wordt multidisciplinair samengewerkt om de ICT-bekwaamheid van lesgevend personeel naar een hoger niveau te tillen. Het programma bestaat uit een zestal speerpunten. Een daarvan is het ontwikkelen van een master gericht op digitale didactiek en veilig digitaal onderwijs. In dit kader is Regioplan gevraagd om te onderzoeken of een master datgene is wat docenten nodig hebben om aan hun professionele groei en ontwikkeling op het gebied van digitale bekwaamheid te werken.
De doelstelling van het onderzoek was tweeledig:
- het identificeren van specifieke professionaliseringsbehoeften van docenten in het mbo op het gebied van digitale bekwaamheid
- het formuleren van een advies voor MBO Digitaal dat antwoord geeft op de vraag of de vorm van een master digitale didactiek en digitaal veilig onderwijs het aanleren van digitale bekwaamheid zal stimuleren
Het onderzoek laat zien dat er een duidelijke behoefte is aan verdere ontwikkeling bij docenten, maar hoe precies, dat varieert. Enerzijds is er een groep docenten die (net niet) basisvaardig is, wel baat heeft bij verdere professionalisering op dit gebied, maar niet de interesse heeft en de tijd ervaart om hiermee aan de slag te gaan. Anderzijds is er ook een groep “koplopers” die zich graag in een voortrekkersrol ziet, en zich verder wil ontwikkelen. Hun leervragen bevinden zich op het gebied van de inhoud. Zij zoeken naar inspiratie, willen op de hoogte blijven van (nieuwe) trends als Virtual Reality of AI en hebben behoefte aan theoretische onderbouwing voor de activiteiten die zij momenteel al uitvoeren. Verder ligt er een grote ontwikkelvraag op het gebied van veranderkunde, innovatie en implementatie. Het is de vraag of een nieuwe master digitale didactiek het juiste instrument is om in de leerbehoefte te voorzien. Zo zijn er twijfels bij het onderscheiden van digitale didactiek ten opzichte van didactiek en ondervangt de MLI grotendeels de ontwikkelvraag met betrekking tot veranderkunde.
Aan de hand van de opgehaalde informatie uit vragenlijsten en focusgroepen, formuleerden wij enkele aanbevelingen voor het programma Digitaal Bekwaam:
- Samenwerking met lerarenopleidingen: Versterk de integratie van digitale vaardigheden in het curriculum van eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen en PDG-trajecten, zodat toekomstige docenten vanaf het begin digitaal vaardiger zijn.
- Bijscholing voor huidige docenten: Onderzoek de mogelijkheden voor bijscholing van huidige docenten, waarbij de Monitor leren en lesgeven met ICT als basis kan dienen.
- Laagdrempelige professionalisering: Stimuleer informele en inspirerende activiteiten die bijdragen aan de professionele ontwikkeling van docenten.
- Module voor specialisatie: Verken de mogelijkheid om een losse of aanvullende module te ontwikkelen voor docenten die zich willen specialiseren in digitale didactiek en digitaal veilig onderwijs.
Op basis van deze aanbevelingen werkt MBO Digitaal aan verschillende scenario’s om de professionaliseringsbehoefte beter te adresseren.
Rapport Mediaopvoeding is openbaar!
Media maken onlosmakelijk deel uit van de samenleving en het gezinsleven. Kinderen komen al op jonge leeftijd in aanraking met diverse media. Maar hoe gaan opvoeders daarmee om? Wat hebben zij nodig om hun kinderen bewust en selectief met media te leren omgaan? En welke rol kan de bibliotheek daarin spelen? In opdracht van de KB, nationale bibliotheek voerde Regioplan een onderzoek uit naar de ervaringen, behoeften, zorgen en vragen van opvoeders van kinderen van 0-12 jaar rond mediaopvoeding en de ondersteuning die de bibliotheek hierbij kan geven.
Wat blijkt uit het onderzoek?
- Opvoeders zijn bewust bezig met afspraken rond schermtijd en online gedrag, maar maken zich zorgen over o.a. sociale druk, social media en online pesten, de fysieke en mentale ontwikkeling en de balans tussen bescherming bieden en vrijheid geven aan hun kind.
- Ze zoeken betrouwbare en eenduidige informatie bijvoorbeeld over veelgebruikte apps en eenduidige richtlijnen of regels voor mediagebruik.
- Er is behoefte aan een open gesprek tussen opvoeders en tussen opvoeders en kinderen.
- Opvoeders willen graag meer leuke en educatieve activiteiten, onder andere voor kinderen boven de 6 en tieners.
Wat kan de bibliotheek betekenen?
Het rapport laat zien dat de bibliotheek een centrale rol kan vervullen, bijvoorbeeld door:
- het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten en spreekuren;
- het faciliteren van gesprekken tussen opvoeders;
- het aanbieden van activiteiten voor kinderen en tieners rond mediawijsheid;
- het aanbieden van begeleiding bij het gebruik van media in de bibliotheek zelf;
- het ontwikkelen van een visie en beleid op mediagebruik binnen de bibliotheek zelf;
- het koppelen van (voor)lezen en media.
Daarnaast wordt gepleit voor een laagdrempelige, realistische en oordeelvrije aanpak, met oog voor jonge kinderen, vaders, laagtaalvaardige opvoeders en verschillende opvoedstijlen.
Benieuwd naar alle bevindingen en aanbevelingen? Lees dan hier het rapport of de samenvatting!