Tussenevaluatie Wet inburgering 2021: Verbetering ten opzichte van de vorige inburgeringwet, maar ook nog uitdagingen

30-01-2026

Het kabinet heeft de tussenevaluatie Wet inburgering 2021 gepubliceerd. In deze tussenevaluatie, die is uitgevoerd door Regioplan, maken we na ruim drie jaar de balans op van de werking van de Wi2021.

De tussenevaluatie laat zien dat de Wi2021 een sterke verbetering is ten opzichte van de Wi2013. Op verschillende punten is de Wi2021 anders ingericht dan het voorgaande stelsel. Zo hebben gemeenten de regie gekregen over de uitvoering van de inburgering, is het beoogde taalniveau verhoogd van A2 naar B1 en zijn er meerdere leerroutes ingericht om meer maatwerk te kunnen bieden. Uit het onderzoek komt naar voren dat gemeenten actief invulling geven aan de regierol en dat er sprake is van een vrijwel landelijk dekkend aanbod op alle onderdelen. Inburgeraars zijn over het algemeen tevreden over de kwaliteit van de inburgeringscursus en de meeste taalaanbieders voldoen aan de basiseisen voor kwaliteit. Ook waarderen inburgeraars de inzet van maatwerk. Tot nu toe weten inburgeraars onder de Wi2021 ook een hoger taalniveau te behalen dan onder de Wi2013.

Het onderzoek laat daarentegen ook zien dat het tijdig starten met de inburgering moeilijk van de grond komt. Daarnaast is het vlot doorlopen van de inburgering in de praktijk ingewikkeld. Voor een groot deel van de asielstatushouders kan het een jaar duren vanaf het moment dat ze inburgeringsplichtig worden totdat ze daadwerkelijk starten met de inburgeringscursus. Voor gezins- en overige migranten is deze termijn korter, aangezien zij niet starten in de COA-opvang, maar is een periode van een half jaar tot de start van de cursus ook geen uitzondering. Factoren die buiten het bereik van het inburgeringsstelsel liggen spelen daarbij een grote rol, zoals de moeizame doorstroom vanuit de opvang naar huisvesting in de gemeente als gevolg van het landelijk woningtekort en capaciteitsproblemen in de uitvoering bij zowel het COA en gemeenten als bij taalscholen.

Gemeenten onderschrijven het belang van het combineren van taal en participatie (‘dualiteit’) en in de praktijk van de inburgering wordt hier ook op ingezet. Toch zijn er in de praktijk ook verschillende obstakels die dualiteit belemmeren. Zo is het lastig om voldoende lokale participatieplekken te vinden en is het op zoek gaan voor individuele inburgeraars naar geschikte participatieplekken arbeidsintensief voor gemeenten. Dit belemmert de effectiviteit van de inzet op dualiteit in de praktijk.

De feitelijke kosten voor de uitvoering van de inburgering komen hoger uit dan het beschikbare budget in het Gemeentefonds. Dit komt door een combinatie van een hoger aantal inburgeraars en hogere kosten per inburgeraar dan van te voren geraamd. De tekorten per inburgeraar zijn groter in kleine gemeenten dan in grote gemeenten.

De tussenevaluatie is gebaseerd op een synthese van verschillende onderzoeken die in het kader van de monitoring en evaluatie van de Wi2021 zijn uitgevoerd. Ook is er een uitgebreid onderzoek uitgevoerd door Cebeon naar de betaalbaarheid van het stelsel.

In de kabinetsreactie die op 28 januari 2026 is verschenen over de tussenevaluatie wordt ook gereflecteerd op het recent verschenen onderzoek van de Algemene rekenkamer ‘Onbenut potentieel’. Een groot deel van de conclusies van dit onderzoek komt overeen met de bevindingen van de tussenevaluatie. Het kabinet neemt de aanbevelingen van de Algemene rekenkamer over.

Hier lees je de kabinetsreactie, en hier kun je ons gehele rapport lezen.