Slachtoffers van zedenmisdrijven: een verkenning van de overwegingen voor contact met politie en/of hulpverlening

Slachtoffers van zedenmisdrijven doen minder vaak aangifte bij de politie dan andere slachtoffers. Er zijn bovendien aanwijzingen dat de aangiftebereidheid de laatste jaren verder is afgenomen. Hoe kan dit?

Om daar meer grip op te krijgen, voerden we een verkennend onderzoek uit naar de factoren en de overwegingen die een rol spelen bij volwassen slachtoffers van zedenmisdrijven om het delict wel of niet te melden bij de politie, wel of geen aangifte te doen van het delict en de keuze om wel of geen hulp te zoeken.

In het onderzoek werden verschillende bronnen geraadpleegd. Naast de interviews met slachtoffers werkten vijftien professionals mee aan een telefonisch interview, is een beknopte internationale literatuurstudie uitgevoerd en zijn geanonimiseerde registraties van de Nationale Politie en een hulpinstantie geanalyseerd.

Meer informatie?
Neem contact op met Yannick.

Lees ook het artikel over dit onderzoek dat in de Secondant verscheen.

Dit onderzoek vond plaats in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Jongensslachtoffers van seksuele uitbuiting en binnenlandse mensenhandel

Over de aard en de omvang van seksuele uitbuiting en mensenhandel van jongens is erg weinig bekend. De grootste belemmerende factor voor zicht op aard en omvang is dat het zich in het verborgene afspeelt. Het fenomeen is onzichtbaar voor de samenleving als geheel, maar ook voor hulpverleningsinstellingen en organisaties blijft de doelgroep vaak verborgen.

Signalering jongensslachtoffers
Volgens professionals staat de signalering van de jongensslachtoffers nog in de kinderschoenen. Welke mogelijke kenmerken wijzen op slachtofferschap is moeilijk te zeggen. De onbekendheid met het fenomeen en de grote diversiteit onder de jongens uit deze doelgroep maken het lastig om eenduidig te bepalen welk gedrag bij deze jongens als opvallend en verontrustend moet worden gezien. Een passend zorg- en ondersteuningsaanbod ontbreekt dan ook wanneer het om jongensslachtoffers gaat. Het is volgens professionals niet voldoende om te wachten tot de casuïstiek binnendruppelt. De jongensslachtoffers die in dit onderzoek zijn gevonden hebben hulp nodig, los van de precieze aard en definitie van hun slachtofferschap. Het onderzoek laat zien dat dit de hulpverlening voor grote uitdagingen stelt.

Meer informatie?
Neem contact op met Katrien.

Dit onderzoek hebben wij, in samenwerking met Shop Den Haag, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Het belang van de relatie. Het verband tussen de werkalliantie en de motivatie voor begeleiding bij jongeren met een lvb

Veel jongeren met een licht verstandelijke beperking (lvb) ontvangen langdurige begeleiding bij het dagelijks functioneren. Motivatie voor begeleiding is een belangrijke factor voor het succes daarvan. In dit onderzoek keken we of de motivatie voor begeleiding samenhangt met de relatie die jongeren met een lvb hebben met hun begeleider.

Aan het onderzoek hebben 34 jongeren met een lvb meegewerkt die onder begeleiding wonen bij Stichting Philadelphia Zorg, Cordaan en het Leger des Heils. Ter afsluiting van het project hebben we samen met het Lectoraat LVB en jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden een symposium georganiseerd voor uitvoerders, beleidsmakers en andere betrokkenen bij de doelgroep. Het onderzoek is mogelijk gemaakt met subsidie van ZonMw.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Miranda.

Evaluatie gebiedsteams Wassenaar, Voorschoten, Oegstgeest en Leidschendam-Voorburg

Zijn met de gebiedsteams de voorwaarden geschapen voor een effectieve aanpak in het sociaal domein? Kunnen op de lange termijn de beoogde effecten van de transformatie bereikt worden?

De gebiedsteams hebben een belangrijke functie binnen de transformatie: het organiseren van eigen kracht en preventie. Daarom is de verwachting dat het functioneren van de gebiedsteams een belangrijk effect heeft op de kwaliteit en de kosten van de zorg. We voerden dit onderzoek uit in opdracht van de rekenkamercommissie van de gemeenten Wassenaar, Voorschoten, Oegstgeest en Leidschendam-Voorburg. De rekenkamercommissie concludeert, op basis van het onderzoek, dat de voorwaarden nog onvoldoende geborgd zijn om het beoogde effect van de transformatie te realiseren.

Meer informatie?
Neem contact op met Katrien.

Het onderzoeksrapport vindt u hier.

Hulpbehoefte en hulpaanbod cultureel-etnische en religieuze LHBT’S

Regioplan en het Amsterdam Center for the Study of Lived Religion van de Vrije Universiteit hebben in opdracht van het ministerie van OCW onderzoek uitgevoerd naar de mate waarin cultureel-etnische en religieuze Lesbiennes, Homoseksuelen, Biseksuelen en Transgenders (LHBT’s) onvrijheid ervaren om hun seksuele oriëntatie en gedrag vorm te geven op een door hen gewenste wijze, de wijze waarop zij met deze onvrijheid omgaan en de mate waarin hulpverleningsinstanties zicht hebben op de hierboven genoemde problematiek en daarop inspelen.

Het onderzoek laat zien dat er duidelijk behoefte bestaat aan hulp en dat de betrokkenen die vooral zouden willen (hebben) ontvangen van professionals en, anderzijds, van LHBT-zelforganisaties. Van zo’n professional verwachten ze dat het een goede vertrouwenspersoon is die ervaring heeft met de doelgroep en een gedegen opleiding achter de rug heeft. Veel minder belangrijk vinden ze persoonsgebonden kenmerken van de hulpverlener.

Gespecialiseerde voorzieningen (van zowel professionele als zelforganisaties) zijn vrijwel alleen te vinden in de grote steden. De kennis van specifieke problematiek is maar op een beperkt aantal plekken aanwezig en de weg daarnaartoe is lang en hobbelig, doordat hulpverleners in de eerste lijn (huisartsen, maatschappelijk werkers e.d.) onvoldoende op de hoogte zijn van de mogelijkheden die er in den lande bestaan, of onvoldoende sensitief zijn voor de bijzondere moeilijkheden waar de betrokkenen zich voor gesteld zien. Informatie op het internet voorziet slechts ten dele in deze behoefte.

Huiselijk geweld, huisdieren en opvang. Resultaten quick scan.

Uit zowel Nederlands als internationaal onderzoek komt naar voren dat er bij huiselijk geweld ook vaak sprake is van (dreiging met) dierenmishandeling. In opdracht van het ministerie van VWS hebben wij, op basis van een webenquête en gesprekken met opvanginstellingen van slachtoffers van huiselijk geweld, onderzocht welke mogelijkheden de opvanginstellingen bieden voor de opvang van huisdieren.

Een conclusie is dat bij een groot deel van de opvanginstellingen geen opvangmogelijkheden voor huisdieren zijn. Deze bevinding kan niet los worden gezien van het feit dat de instellingen geen zicht hebben op de behoefte van slachtoffers aan opvang voor huisdieren. Onder invloed van de gezinsgerichte benadering bij de aanpak van huiselijk geweld is er bij de opvanginstellingen wel steeds meer aandacht voor de rol van het huisdier en zijn er diverse experimenten gestart waarbij slachtoffers van huiselijk geweld de mogelijkheid wordt geboden hun huisdier te laten opvangen

Wmo Klantonderzoek Leeuwarden

Dit onderzoek voor de gemeente Leeuwarden – onder inwoners die hulp en ondersteuning krijgen vanuit de Wmo – richt zich op hun tevredenheid over de bejegening, het verkregen advies en de eventuele voorzieningen waar zij gebruik van maken. Het onderzoek besteedt daarnaast aandacht aan de vraag in hoeverre deze inwoners geholpen zijn met de oplossingen die vanuit de gekantelde Wmo-werkwijze voor hun beperkingen worden ontworpen. Het is daarmee ook een onderzoek naar het effect van de Wmo, voor wat betreft dit onderdeel van de wet. De vragenlijst die Regioplan ontwikkelt is ook toepasbaar in andere gemeenten.

Beschermd wonen in de regio Zaanstreek-Waterland

Vanaf begin 2015 wordt het beschermd wonen gericht op participatie overgeheveld van de AWBZ naar de Wmo en zal het zodoende onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten vallen. De gemeente Zaanstad wil zich goed voorbereiden op de nieuwe taken die volgen uit deze decentralisatie en daarvoor de kansen en risico’s op dit – voor de gemeente – nieuwe terrein in beeld brengen.



Wij voerden voor de gemeente Zaanstad een onderzoek uit om te achterhalen welke aanbieders in de regio begeleiding voor de doelgroep ZZP-C geïndiceerden uitvoeren, welke begeleiding er wordt aangeboden, wat de capaciteit van aanbieders is en hoe de huidige situatie op het gebied van wachtlijsten, instroom, doorstroom en uitstroom van cliënten is. De kansen en risico’s op het beleidsterrein werden in beeld gebracht met interviews en een groepsgesprek.

Hulp voor mishandelde kinderen

Het Tijdschrift Kindermishandeling bracht in oktober 2013 de GGZ-special uit: herstel na een traumatische ervaring. In deze special is onder meer een artikel opgenomen over de hulp aan mishandelende kinderen.

Het artikel beschrijft dat de afgelopen tien jaar het aantal telefoontjes naar de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling bijna is verdubbeld. Leerkrachten, hulpverleners, politieagenten en buren trekken steeds vaker aan de bel als ze denken dat een kind wordt mishandeld. Meestal zijn hun zorgen terecht. Krijgen deze kinderen dan ook de hulp die zij nodig hebben? Het artikel beschrijft dit, onder andere door te refereren naar het onderzoek van Regioplan over hulpverlening aan kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.

U kunt het artikel hier lezen.

Huiselijk geweld in Caribisch Nederland

In 2012 ondertekende Nederland het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul). Het is de bedoeling dat dit verdrag op termijn ook van kracht wordt in Caribisch Nederland. Daarom heeft Regioplan onderzocht wat de stand van zaken met betrekking tot huiselijk geweld op deze eilanden is. Ook is nagegaan wat er nodig is om in dit gebied te komen tot een volwaardige, en bij de problematiek en aard van de eilanden passende, sluitende aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Medio 2014 worden afspraken gemaakt tussen de Nederlandse regering en Caribisch Nederland over het daadwerkelijk vormgeven van die aanpak.