Levensgebeurtenis: ‘Ik ben nieuw in Nederland’

Deze literatuurstudie brengt in kaart hoe de levensgebeurtenis ‘Ik ben nieuw in Nederland’ eruitziet voor verschillende groepen nieuwkomers en hoe zij deze levensgebeurtenis ervaren. Daarbij is gekeken naar de periode 2019-2025 en naar drie groepen: asielmigranten, EU-arbeidsmigranten en niet-EU-arbeidsmigranten.

In opdracht van ICTU (ministerie van Binnenlandse Zaken) voerde Regioplan samen met OpenEmbassy een literatuuronderzoek uit naar de levensgebeurtenis ‘Ik ben nieuw in Nederland’. Het doel van deze studie is het onderzoeken van mogelijkheden voor overheidsdienstverlening voor verschillende groepen nieuwkomers in Nederland.

Wie nieuw is in Nederland heeft niet automatisch dezelfde rechten, ondersteuning of mogelijkheden. Maar de behoeften achter deze verschillende ‘klantreizen’ lijken vaak sterk op elkaar. Tegelijkertijd bepaalt de inrichting van wetgeving en dienstverlening in sterke mate hoeveel ondersteuning en ruimte verschillende groepen nieuwkomers krijgen. Verschillende systemen van wet- en regelgeving bepalen met welke instanties groepen nieuwkomers te maken krijgen en voor welke ondersteuning zij in aanmerking komen. Op basis van de bevindingen in ons rapport gaat ICTU kijken naar praktische vervolgstappen om de dienstverlening voor verschillende groepen migranten te verbeteren.

Lees hier de literatuurstudie!

Vragen over dit onderzoek? Neem dan contact op met Roos.

Internationale vergelijking taalvaardigheid arbeidsmigranten

Cijfers van de OECD laten zien dat migranten in Nederland de Nederlandse taal relatief slecht beheersen in vergelijking met andere landen. In aansluiting op het IBO arbeidsmigratie hebben we daarom een internationale vergelijking uitgevoerd, onder andere om lessen uit het buitenland in kaart te brengen.

In dit onderzoek, dat we uitvoerden in opdracht van het ministerie van Financien en het ministerie van SZW, hebben we een literatuurstudie uitgevoerd en een analyse gemaakt van cijfermatige bronnen over de taalverwerving van arbeidsmigranten en de wijze waarop het taalaanbod voor arbeidsmigranten in het buitenland is georganiseerd.

In het rapport zetten we een aantal belangrijke determinanten van taalverwerving van arbeidsmigranten op een rij. Deze determinanten kunnen geschaard worden onder 1. motivatie om de taal te leren en 2. de contactmomenten met de Nederlandse taal.  Verder beschrijven we hoe de taalverwerving van arbeidsmigranten is georganiseerd in vier andere landen: Duitsland, Zweden, Denemarken en Luxemburg.

Op basis van de bevindingen kunnen we op vier thema’s lessen voor Nederlands beleid op een rij zetten:

  1. Voor het aanbieden van werkgerichte taalprogramma’s en het betrekken van werkgevers
  2. Gericht op het vergroten van de toegang tot taallessen
  3. Voor het bevorderen van informele contactmomenten
  4. Gericht op het versterken van de monitoring en evaluatie

Tussenevaluatie Wet inburgering 2021 (Wi2021)

De tussenevaluatie laat zien dat de Wi2021 een sterke verbetering is ten opzichte van de Wi2013. Op verschillende punten is de Wi2021 anders ingericht dan het voorgaande stelsel. Zo hebben gemeenten de regie gekregen over de uitvoering van de inburgering, is het beoogde taalniveau verhoogd van A2 naar B1 en zijn er meerdere leerroutes ingericht om meer maatwerk te kunnen bieden. Uit het onderzoek komt naar voren dat gemeenten actief invulling geven aan de regierol en dat er sprake is van een vrijwel landelijk dekkend aanbod op alle onderdelen. Inburgeraars zijn over het algemeen tevreden over de kwaliteit van de inburgeringscursus en de meeste taalaanbieders voldoen aan de basiseisen voor kwaliteit. Ook waarderen inburgeraars de inzet van maatwerk. Tot nu toe weten inburgeraars onder de Wi2021 ook een hoger taalniveau te behalen dan onder de Wi2013.

Het onderzoek laat daarentegen ook zien dat het tijdig starten met de inburgering moeilijk van de grond komt. Daarnaast is het vlot doorlopen van de inburgering in de praktijk ingewikkeld. Voor een groot deel van de asielstatushouders kan het een jaar duren vanaf het moment dat ze inburgeringsplichtig worden totdat ze daadwerkelijk starten met de inburgeringscursus. Voor gezins- en overige migranten is deze termijn korter, aangezien zij niet starten in de COA-opvang, maar is een periode van een half jaar tot de start van de cursus ook geen uitzondering. Factoren die buiten het bereik van het inburgeringsstelsel liggen spelen daarbij een grote rol, zoals de moeizame doorstroom vanuit de opvang naar huisvesting in de gemeente als gevolg van het landelijk woningtekort en capaciteitsproblemen in de uitvoering bij zowel het COA en gemeenten als bij taalscholen.

Gemeenten onderschrijven het belang van het combineren van taal en participatie (‘dualiteit’) en in de praktijk van de inburgering wordt hier ook op ingezet. Toch zijn er in de praktijk ook verschillende obstakels die dualiteit belemmeren. Zo is het lastig om voldoende lokale participatieplekken te vinden en is het op zoek gaan voor individuele inburgeraars naar geschikte participatieplekken arbeidsintensief voor gemeenten. Dit belemmert de effectiviteit van de inzet op dualiteit in de praktijk.

De feitelijke kosten voor de uitvoering van de inburgering komen hoger uit dan het beschikbare budget in het Gemeentefonds. Dit komt door een combinatie van een hoger aantal inburgeraars en hogere kosten per inburgeraar dan van te voren geraamd. De tekorten per inburgeraar zijn groter in kleine gemeenten dan in grote gemeenten.

De tussenevaluatie is gebaseerd op een synthese van verschillende onderzoeken die in het kader van de monitoring en evaluatie van de Wi2021 zijn uitgevoerd. Ook is er een uitgebreid onderzoek uitgevoerd door Cebeon naar de betaalbaarheid van het stelsel.

In de kabinetsreactie die op 28 januari 2026 is verschenen over de tussenevaluatie wordt ook gereflecteerd op het recent verschenen onderzoek van de Algemene rekenkamer ‘Onbenut potentieel’. Een groot deel van de conclusies van dit onderzoek komt overeen met de bevindingen van de tussenevaluatie. Het kabinet neemt de aanbevelingen van de Algemene rekenkamer over.

Kabinet publiceert tussenevaluatie Wet inburgering en neemt aanbevelingen Rekenkamer over.

Onderzoek kenniseconomie: waarom vestigen kennismigranten zich in Nederland?

(English below)

Welke afwegingen maken kennismigranten en uit het buitenland afkomstige ‘zoekjaarders’, zelfstandigen en startup-ondernemers bij hun keuze om zich wel of niet in Nederland te vestigen? In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) doen we onderzoek naar die vraag.

De overheid wil de Nederlandse kenniseconomie verder versterken. Daarvoor is het belangrijk dat Nederland zo aantrekkelijk mogelijk is als vestigingsland voor kennismigranten, voor zogenoemde zoekjaarders (pas-afgestudeerden die een jaar in Nederland mogen verblijven om als kenniswerker werk te vinden), zelfstandigen en startup-ondernemers.

Bepalende factoren

Om goed onderbouwde keuzes te kunnen maken over de inrichting van de kenniseconomie, is inzicht nodig in welke factoren de vestigingskeuze van de genoemde groepen bepalen. Ook is het belangrijk om te weten welke factoren uiteindelijk doorslaggevend zijn.

Uit eerder onderzoek is al een breed scala aan professionele, sociale en cultureel-maatschappelijke factoren naar voren gekomen. Maar: doorgaans worden deze factoren afzonderlijk onderzocht, waardoor een geïntegreerde benadering ontbreekt.

Integrale blik

Met ons onderzoek willen we wél komen tot die integrale blik. Hoe hangen de verschillende factoren samen? Dat doen we onder meer door interviews te houden met mensen uit de doelgroepen en met andere stakeholders. Daarnaast maken ook een literatuurstudie en gesprekken met (inter)nationale experts deel uit van onze onderzoeksopzet. Het onderzoek moet op die manier inzicht geven in de verschillende factoren en hun weging in de uiteindelijke keuze. Het uiteindelijke doel: komen tot opties voor verbeteringen om Nederland aantrekkelijker te maken als vestigingsland.

Meer weten?

Neem dan contact op met onderzoeker/projectleider Coco Bastiaansen. Het eindrapport wordt in 2024 verwacht.

 

(English)

Study into the knowledge economy: why do knowledge migrants settle in the Netherlands?

What considerations do knowledge migrants and foreign-born ‘searchers’, self-employed professionals and startup entrepreneurs make when deciding whether or not to settle in the Netherlands? In a study commissioned by the Scientific Research and Data Centre (WODC), we are researching that question.

The government wants to further strengthen the Dutch knowledge economy. To this end, it is important that the Netherlands is as attractive as possible as a country of settlement for knowledge migrants, for recent graduates from outside the EU who use the ‘search year’ residence permit, for fself-employed knowledge workers andor startup entrepreneurs.

Determining factors

In order to make well-founded choices about the design of the knowledge economy, insight is needed into which factors determine the choice of location of the aforementioned groups and are decisive in this. Previous research has already revealed a wide range of professional, social and cultural-societal factors. But: usually these factors are examined separately, thus lacking an integrated approach.

Integral view

With our research, we aim to take an integrated view. How are the different factors connected? We do this by, among other things, conducting interviews with people from the target groups and with other stakeholders. A literature study and discussions with (inter)national experts are also part of our research design. The research should thus provide insight into the various factors and their weighting in the final choice. The ultimate goal: to come up with options for policy improvements.

Would you like to know more?

Then please contact researcher/project leader Coco Bastiaansen. The final report is expected in 2024.

 

Dutch Sopemi Report. Migration Statistics and Migration Policies in the Netherlands

Dit project behelst het schrijven van een landenrapport over migratie en integratie, met daarbij bijzondere aandacht voor de ontwikkelingen in het gevoerde beleid. Regioplan zal deze rapportage gedurende de periode 2018-2022 in opdracht van het ministerie van SZW uitvoeren. De jaarrapporten zijn via de website te downloaden.

Meer informatie?
Neem contact op met Arend.

Aantrekkelijkheid van Nederland voor kennismigranten

De overheid streeft ernaar om Nederland zo aantrekkelijk mogelijk te maken als vestigingsland voor buitenlandse kennismigranten. Een helder en transparant toelatingsbeleid maakt Nederland voor hen aantrekkelijk. Maar hoe kijken kennismigranten tegen Nederland als vestigingsland aan? Waarom kiezen ze voor Nederland en hoe hebben ze het toelatingsbeleid en de dienstverlening van de IND ervaren? Wij onderzochten het in opdracht van het WODC.

Meer informatie?
Lees hieronder het rapport of neem contact op met Jeanine.

DUTCH SOPEMI REPORT 2017 Migration Statistics and Migration Policies in the Netherlands

During the period 2014-2017, Regioplan acted as a Rapporteur for the OECD within the framework of the SOPEMI reports. Every year, Regioplan published a report explaining the situation in the area of migration and integration for the Dutch context. These reports also contain extensive information about the government policy pursued with regard to these themes. The attached link contains the last report from 2017, which covers the year 2016.

DUTCH SOPEMI REPORT 2017 Migration Statistics and Migration Policies in the Netherlands

Gedurende de periode 2014-2017 was Regioplan rapporteur voor de OESO in het kader van de Sopemi-rapportages. Elk jaar publiceerde Regioplan een rapport waarin de situatie op het gebied van migratie en integratie voor de Nederlandse context wordt toegelicht. Ook bevatten deze rapportages uitgebreide informatie over het gevoerde overheidsbeleid ten aanzien van deze thema’s. Bijgevoegde link betreft het laatste rapport uit 2017. Daarin wordt verslag gedaan over de periode 2016.

Evaluatie pilot Kennisindustrie

Bedrijven die aan de pilot Kennisindustrie deelnemen, worden volledig vrijgesteld van de plicht een tewerkstellingsvergunning (twv) aan te vragen voor buitenlandse werknemers die in de dienst zijn van een buitenlandse afnemer. De focus ligt op werknemers die voor bepaalde tijd naar Nederland worden gehaald voor kennisoverdracht en/of inspectiewerkzaamheden. Deelnemers zijn positief over de pilot, omdat deze bijdraagt aan administratieve lastenverlichting en een snellere doorlooptijd, en omdat de pilot goed uitvoerbaar is. De pilot Kennisindustrie liep van juli 2013 tot juli 2015. We hebben de evaluatie uitgevoerd in opdracht van het ministerie van SZW.

Meer informatie?
Neem contact op met Jeanine.

 

Arbeidsmigratie vanuit Midden- en Oost-Europese landen. Juridische constructies en kostenvoordelen.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) voert in 2012 een project uit over de samenhang tussen arbeidsmarkt- en migratiedynamiek. Het doel van het project is de veranderingen op middellange en lange termijn in de regulering en het functioneren van de arbeidsmarkten in Nederland en (in mindere mate) Europa te bestuderen, met het oog op de mate waarin arbeidsmigratie van betekenis kan zijn. In het kader van dit project is aan Regioplan gevraagd een beperkte ‘update’ uit te voeren van het in 2004 voor de RWI uitgevoerde onderzoek naar juridische constructies en kostenvoordelen bij het inzetten van arbeidskrachten uit de MOE-landen.

Het onderzoek is mogelijk gemaakt door de WRR in samenwerking met de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
Het onderzoek dient de volgende typen vragen te beantwoorden:

• Contextvragen: met name ontwikkelingen in absolute aantallen MOE-landers op de Nederlandse arbeidsmarkt en in de sectoren bouw en land- en tuinbouw en de vleessector;

• Situatievragen: gebruik van verschillende juridische constructies en effecten op comparatieve (bruto loon)kosten;

• Duidingsvragen: wat zijn de achtergronden van de ontwikkelingen en welke betekenis hebben deze.