Kernwoord: Inburgering
Inburgering statushouders gemeente Fryske Marren
Welk beleid hebben gemeenten voor de opvang en integratie van statushouders en hoe verloopt dat? Sinds de ingang van de Wet inburgering 2021 hebben gemeenten de regie over de inburgering. Het doel van de inburgering is dat mensen zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren en volwaardig aan de Nederlandse samenleving gaan meedoen. Ook hebben gemeenten vanuit de Participatiewet een taak in de begeleiding van statushouders naar werk.
Hoe succesvol de opvang en integratie van statushouders in de praktijk verloopt, hangt onder andere van hoe er wordt samengewerkt binnen de gemeente vanuit verschillende beleidskaders. We kijken daarom naar de samenhang tussen verschillende beleidsonderdelen. We kijken ook naar de samenwerking met andere partners, zoals Vluchtelingenwerk en taalscholen. Hoe statushouders zelf het beleid ervaringen is een waardevolle aanvulling op het perspectief van de gemeente en de samenwerkingspartners. Daarom gaan we voor dit onderzoek ook in gesprek met statushouders zelf.
Dit onderzoek doen we in opdracht van de rekenkamer van de Fryske Marren.
Tussenevaluatie SOWIS
De Subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) is in 2024 door het ministerie van SZW in het leven geroepen om werkgevers te ondersteunen bij het aannemen en begeleiden van statushouders. De regeling beoogt de arbeidsparticipatie van statushouders te vergroten door werkgevers financieel en inhoudelijk te ondersteunen bij het overbruggen van taal- en cultuurverschillen op de werkvloer. Voor de periode 2024-2026 is 10,5 miljoen euro beschikbaar gesteld. In opdracht van SZW voert Regioplan zowel een eindevaluatie als een tussenevaluatie van de regeling uit. De tussenevaluatie is inmiddels afgerond en biedt inzichten om mee te nemen in het vervolg van de subsidieregeling.
De arbeidsparticipatie van statushouders blijft achter bij die van de rest van de beroepsbevolking. Werkgevers spelen een belangrijke rol bij het verbeteren van deze positie. Tegelijkertijd ervaren zij drempels bij het aannemen en begeleiden van statushouders, bijvoorbeeld door taal- en culturele verschillen en extra begeleidingsbehoefte. Daarom introduceerde het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in 2024 de subsidieregeling SOWIS. De regeling biedt werkgevers financiële middelen en inhoudelijke ondersteuning om taal- en cultuurverschillen op de werkvloer te overbruggen. Doel is om de arbeidsparticipatie van statushouders te vergroten. In 2025 voerden wij een tussenevaluatie uit. We brachten in kaart hoe de regeling is uitgevoerd en welke lessen hieruit te trekken zijn.
Voor dit onderzoek deden wij deskresearch en ontwikkelden we een beleidstheorie. Ook analyseerden we gegevens over het aantal aanvragen en toekenningen. Daarnaast hielden we een enquête onder werkgevers die een aanvraag hadden ingediend. Ook spraken we met afgewezen en afgehaakte werkgevers en deden we casestudies bij werkgevers en statushouders. Zo kregen we inzicht in de uitvoering van de regeling en de ervaringen van betrokkenen.
Enkele belangrijke inzichten uit de tussenevaluatie
Het eerste aanvraagtijdvak liet zien dat er veel belangstelling is voor de regeling. Er werden 357 aanvragen ingediend, waarvan 203 subsidies zijn verleend. Daarmee werden 402 statushouders ondersteund. De meerderheid van de werkgevers had al eerdere ervaring met statushouders. Voor dit deel van de werkgevers was de subsidie geen doorslaggevende reden om statushouders aan te nemen. Wel biedt de subsidie ruimte om extra begeleiding te organiseren en bestaande begeleiding te intensiveren. Tegelijkertijd bereikt de regeling ook een aanzienlijk deel werkgevers die nog niet eerder met statushouders werkten: dit was bij ruim een-derde van de werkgevers het geval. Mede dankzij de subsidie lijkt deze groep werkgevers nu een stap te kunnen zetten in het aannemen van statushouders.
De werkgevers zijn overwegend tevreden over de informatievoorziening en de aanvraagprocedure van de regeling. Ook vinden veel werkgevers de voorwaarden niet ingewikkeld. Wel was er onduidelijkheid bij een deel van de afgewezen werkgevers over de afwijzingsreden. Ook ervaren sommige werkgevers het verplichte activiteitenplan als belastend. Het plan prikkelt werkgevers om vooraf goed na te denken over de begeleiding. De vragen en tips in het format helpen om activiteiten te concretiseren of aan te scherpen. Tegelijkertijd vinden vooral kleinere werkgevers het format te rigide.
Werkgevers waarderen de financiële middelen en de kennistools. Het subsidiegeld maakt bij een deel van de werkgevers activiteiten mogelijk die anders niet gestart waren en de kennistools bieden praktische tips en handvatten voor het inrichten van de begeleiding of aanpassingen door te voeren in de al bestaande begeleiding. Wel blijkt er in de praktijk nog behoefte te zijn aan meer informatie over effectieve taalbegeleiding en het omgaan met (psychische) gezondheidsproblematiek bij statushouders.
Lessen voor het vervolg
Op basis van deze tussenevaluatie zien wij een aantal lessen voor het vervolg:
- Een eerste les is dat gemeenten en werkgeversservicepunten belangrijpe partijen zijn in het bereiken van werkgevers, ook doordat zij soms al een bestaande werkrelatie hebben met werkgevers die al met statushouders werken. Om die reden is het echter ook belangrijk om deze partijen te attenderen wervingsstrategieën waarmee ze ook werkgevers kunnen bereiken die nog niet met statushouders werken. Dit kan de effectiviteit van de subsidieregeling in het bereiken van nieuwe werkgevers aanzienlijk verhogen.
- Daarnaast is het belangrijk om het aanvraagproces verder te vereenvoudigen, met name voor kleinere werkgevers, voor wie de algemene eisen die worden gesteld aan de begeleiding niet altijd passen bij hun bedrijfsvoering.
- Tot slot zien wij ruimte voor verbeteringen in de kennisstructuur, waarbij werkgevers (nog) meer handvatten krijgen aangereikt als het gaat om ‘best practices’ in effectieve taalbegeleiding en het beiden van ondersteuning aan statushouders met (psychische) gezondheidsproblemen.
Het vervolg
De subsidieregeling loopt door tot en met 2029. In vergelijking met het eerste aanvraagtijdvak zijn er al aanpassingen doorgevoerd. Zo is het bedrag per werkgever verlaagd van € 5.000 naar € 3.000. Dit is gedaan om met hetzelfde budget meer werkgevers te bereiken. Bovendien kunnen werkgevers voortaan jaarlijks opnieuw subsidie aanvragen, als tegemoetkoming voor structurele begeleidingskosten bij statushouders. Werkgevers die voor het eerst subsidie aanvragen, ontvangen daarnaast € 3.000 extra voor de ontwikkelkosten van een nieuw traject. Tot slot organiseert SZW samen met werkgeversorganisaties bijeenkomsten met ervaren werkgevers. Zo ontwikkelen zij effectieve en praktisch toepasbare interventies, zodat meer werkgevers statushouders aannemen.
Hoewel de ervaringen tot nu toe laten zien dat de subsidieregeling werkgevers helpt bij het begeleiden van statushouders, is het effect op duurzame arbeidsparticipatie nu nog niet vast te stellen. Dat onderzoeken we in de eindevaluatie. De resultaten daarvan verschijnen begin 2028.
Wilt u meer weten? Bekijk dan hier het volledige rapport, of neem contact op met Rosanne.
Tussenevaluatie Wet inburgering 2021 (Wi2021)
De tussenevaluatie laat zien dat de Wi2021 een sterke verbetering is ten opzichte van de Wi2013. Op verschillende punten is de Wi2021 anders ingericht dan het voorgaande stelsel. Zo hebben gemeenten de regie gekregen over de uitvoering van de inburgering, is het beoogde taalniveau verhoogd van A2 naar B1 en zijn er meerdere leerroutes ingericht om meer maatwerk te kunnen bieden. Uit het onderzoek komt naar voren dat gemeenten actief invulling geven aan de regierol en dat er sprake is van een vrijwel landelijk dekkend aanbod op alle onderdelen. Inburgeraars zijn over het algemeen tevreden over de kwaliteit van de inburgeringscursus en de meeste taalaanbieders voldoen aan de basiseisen voor kwaliteit. Ook waarderen inburgeraars de inzet van maatwerk. Tot nu toe weten inburgeraars onder de Wi2021 ook een hoger taalniveau te behalen dan onder de Wi2013.
Het onderzoek laat daarentegen ook zien dat het tijdig starten met de inburgering moeilijk van de grond komt. Daarnaast is het vlot doorlopen van de inburgering in de praktijk ingewikkeld. Voor een groot deel van de asielstatushouders kan het een jaar duren vanaf het moment dat ze inburgeringsplichtig worden totdat ze daadwerkelijk starten met de inburgeringscursus. Voor gezins- en overige migranten is deze termijn korter, aangezien zij niet starten in de COA-opvang, maar is een periode van een half jaar tot de start van de cursus ook geen uitzondering. Factoren die buiten het bereik van het inburgeringsstelsel liggen spelen daarbij een grote rol, zoals de moeizame doorstroom vanuit de opvang naar huisvesting in de gemeente als gevolg van het landelijk woningtekort en capaciteitsproblemen in de uitvoering bij zowel het COA en gemeenten als bij taalscholen.
Gemeenten onderschrijven het belang van het combineren van taal en participatie (‘dualiteit’) en in de praktijk van de inburgering wordt hier ook op ingezet. Toch zijn er in de praktijk ook verschillende obstakels die dualiteit belemmeren. Zo is het lastig om voldoende lokale participatieplekken te vinden en is het op zoek gaan voor individuele inburgeraars naar geschikte participatieplekken arbeidsintensief voor gemeenten. Dit belemmert de effectiviteit van de inzet op dualiteit in de praktijk.
De feitelijke kosten voor de uitvoering van de inburgering komen hoger uit dan het beschikbare budget in het Gemeentefonds. Dit komt door een combinatie van een hoger aantal inburgeraars en hogere kosten per inburgeraar dan van te voren geraamd. De tekorten per inburgeraar zijn groter in kleine gemeenten dan in grote gemeenten.
De tussenevaluatie is gebaseerd op een synthese van verschillende onderzoeken die in het kader van de monitoring en evaluatie van de Wi2021 zijn uitgevoerd. Ook is er een uitgebreid onderzoek uitgevoerd door Cebeon naar de betaalbaarheid van het stelsel.
In de kabinetsreactie die op 28 januari 2026 is verschenen over de tussenevaluatie wordt ook gereflecteerd op het recent verschenen onderzoek van de Algemene rekenkamer ‘Onbenut potentieel’. Een groot deel van de conclusies van dit onderzoek komt overeen met de bevindingen van de tussenevaluatie. Het kabinet neemt de aanbevelingen van de Algemene rekenkamer over.
Kabinet publiceert tussenevaluatie Wet inburgering en neemt aanbevelingen Rekenkamer over.
Perspectief inburgeraar: uitkomsten tweede rapportage
Onlangs is het tweede deelrapport van ons onderzoek Perspectief inburgeraar gepubliceerd en naar de Tweede Kamer verstuurd. Het onderzoek doen we in samenwerking met OpenEmbassy en BMC in opdracht van het ministerie van SZW. In dit vierjarige onderzoek belichten we het perspectief van inburgeraars op het inburgeringsstelsel, door middel van vragenlijstonderzoek en kwalitatieve metingen.
Doel van het onderzoek
In het langlopende onderzoek kijken we in hoeverre de Wet inburgering 2021 (Wi2021) werkt vanuit het perspectief van de inburgeraars. Om een goed beeld te krijgen over de werking van de nieuwe inburgeringswet, wordt ook het perspectief van inburgeraars die onder Wi2013 vallen onderzocht. Hierbij wordt gekeken in hoeverre er voor deze inburgeraars voldoende geschikt aanbod beschikbaar blijft en daarnaast of zij ondersteuning van gemeenten krijgen, en zo ja, hoe zij deze ondersteuning ervaren. Het onderzoek kent twee hoofdvragen: in hoeverre werkt de Wi2021 zoals de wetgever heeft beoogd? En blijft er voldoende geschikt aanbod voor inburgeraars onder de Wi2013?
We hebben een online vragenlijst afgenomen onder 4.077 inburgeraars (asiel- en gezinsmigranten onder de Wi2021 en Wi2013). Verder is er verdiepend kwalitatief onderzoek gedaan onder deze groepen.
Rode draden uit het onderzoek
De inzichten laten zien dat de ervaringen en percepties van inburgeraars heel divers zijn, en daarnaast op meerdere vlakken verschillen, afhankelijk van hun achtergrond, inburgeringsroute en persoonlijke omstandigheden. Op alle onderdelen die in dit onderzoek aan bod komen, zien we zowel positieve punten als belemmerende elementen naar voren komen vanuit het perspectief van de inburgeraars. De ervaringen van inburgeraars verschillen daarnaast op meerdere vlakken, afhankelijk van hun achtergrond, inburgeringsroute en persoonlijke omstandigheden. Een aantal opvallende punten zetten we hieronder op een rij.
Wat gaat goed in de ogen van inburgeraars?
- Wanneer het azc waar mensen verblijven in dezelfde gemeente ligt als waar inburgeraars aan gekoppeld zijn, is de begeleiding door contactpersonen van de gemeente makkelijker en kunnen mensen sneller beginnen met inburgeren
- Over het algemeen zijn mensen die inburgeren onder de Wi2021 tevreden met het maatwerk dat wordt geleverd. Zo waarderen ze hoe de brede intake wordt gedaan, zijn ze over het algemeen positief over de leerbaarheidstoets en vinden ze het PIP over het algemeen goed passen bij hun plannen voor de toekomst.
- Over het financieel ontzorgen dat vanuit gemeenten wordt aangeboden zijn asielmigranten onder de Wi2021 goed te spreken. Een groot deel van alle inburgeraars onder Wi2021 is tevens tevreden met hoe de gemeente hen ondersteunt om te leren omgaan met geld.
- Een groot deel van de inburgeraars vindt dat er goed naar ze is geluisterd tijdens de brede intake. Zich gehoord voelen hangt samen met individuele aandacht, empathie en persoonlijke begeleiding.
- Toegang tot tolken of een contactpersoon die dezelfde taal spreekt, helpt inburgeraars zich gehoord te voelen, wat cruciaal is voor hun positieve ervaring.
- Toegang tot aanbod om de Nederlandse taal te oefenen, zoals taalmaatjes of taalcafés, wordt gewaardeerd indien dit aanbod er is. Als deze oefenmogelijkheden door gemeenten worden gefaciliteerd, wordt dit zeer gewaardeerd door inburgeraars.
Wat kan beter in de ogen van inburgeraars?
- Hoewel er positieve geluiden naar voren komen over de informatieverstrekking vanuit gemeenten, hebben mensen in alle fases van de inburgering behoefte aan meer, betrouwbare en goed vindbare informatie. De informatiebehoefte gaat onder andere over werk, inburgering, financiën en belastingen. Bij gezinsmigranten gaat dit specifiek ook om informatie over (goedkoop) taalaanbod.
- Veel van de inburgeraars die nog niet zijn gestart met de inburgering zijn van mening dat ze te veel moeten leren in een te korte tijd, wat inburgeren voor hen moeilijk maakt. Dit veroorzaakt stress, vooral bij gezinsmigranten die ook zorgen voor hun gezin.
- We zien dat een deel van de inburgeraars al in het azc stappen heeft gezet als het gaat om het leren van Nederlands. Wel zegt een meerderheid van de inburgeraars nog meer ondersteuning te hebben gewild in hun azc-tijd, vooral gericht op het taalaanbod.
- Uit het onderzoek blijkt dat er een groep is die te maken heeft met (lang) wachten. Asielmigranten ervaren dit ook in het azc. Lang wachten op inburgering zorgt vaak voor verlies van motivatie of ambitie om in te burgeren en het gevoel dat kostbare tijd verloren gaat. Specifiek voor mensen onder Wi2021 geldt dat er veel afhankelijkheden zitten in het inburgeringssysteem. Zo kan er pas na de brede intake een PIP worden opgesteld, daarvoor is ook een leerbaarheidstoets nodig. Hoe meer verschillende onderdelen, of hoe beperkter de instroommomenten per jaar, hoe groter de kans dat er (extra) wachttijd ontstaat.
- De dienstverlening die inburgeraars ervaren is afhankelijk van de (kwaliteit van de) contactpersoon. Verloop, gebrek aan contact, gebrek aan tolken of gebrek aan inlevingsvermogen worden genoemd als verbeterpunten.
- Mensen die de Z-route afleggen en afronden met een certificaat kunnen daarmee niet naturaliseren. Voor naturalisatie is op dit moment minimaal een A2-diploma nodig (of een ontheffing daarvan). Dit feit kwam voor de meeste deelnemers aan het kwalitatief onderzoek als een onaangename verrassing.
- Hoewel de leerbaarheidstoets door ongeveer zes op de tien inburgeraars als overwegend positief wordt ervaren, zijn er gezinsmigranten die de toets als frustrerend ervaren, vooral omdat er geen duidelijkheid is over hoe deze test samenhangt met hun inburgering. Dit heeft voor een deel te maken met de juiste verwachtingen en kennis over de toets.
- Inburgeraars die willen werken zien het leren van de taal als een middel tot een baan. Die combinatie van werken en leren komt volgens hen nog onvoldoende naar voren tijdens de inburgering.
- Gezinsmigranten stellen vaker zelf aanbod samen, waarbij ze meerdere lesbronnen combineren (cursus, taalmaatje, zelfstudie, taalapp). Dit werkt in hun ervaring positief. Daarentegen zeggen asielmigranten dat ze meer mogelijkheden zouden willen hebben om de taal te oefenen. Meer contact met Nederlanders zou daarin wenselijk zijn.
- Taal leren op latere leeftijd of wanneer iemand laag- of niet geletterd is, is moeilijk. Mensen vinden dat er lagere verwachtingen moeten zijn van wat er nog mogelijk is op zo’n moment.
In 2025 en 2027 volgen de derde en vierde deelrapportages. De deelrapportages dienen als input voor achtereenvolgens de tussenevaluatie (2025) en de wetsevaluatie (2027) van de Wi2021.
Het volledige rapport is hier te lezen.
Monitoring implementatie nieuwe wet Inburgering
Regioplan voert een monitoring uit naar de implementatie van de nieuwe Wet inburgering in de gemeente Leidschendam-Voorburg, om zo de ervaringen van inburgeraars met de nieuwe verplichtingen en de dienstverlening die daarbij wordt geleverd in kaart te brengen.
Voor deze kwalitatieve monitoring wordt gesproken met aanbieders, consulenten van de gemeente en inburgeraars zelf, om zo inzicht te krijgen in mogelijke knelpunten met betrekking tot participatie en het leren van de Nederlandse taal.
In 2021 is de nieuwe Wet inburgering (Wi2021) van kracht gegaan. Deze nieuwe wet moet eraan bijdragen dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren en volwaardig aan de Nederlandse samenleving gaan deelnemen. Gemeenten zijn verplicht om inburgeringsplichtige asielmigranten tijdig een inburgeringsaanbod te doen. Binnen de Wi2021 zijn er drie leerroutes om in te burgeren. Elk van deze routes biedt de inburgeringsplichtige manieren om de taal te leren en te participeren aan de Nederlandse samenleving.
Synthesestudie resultaten integratiebeleid
Integratiebeleid in de brede zin staat centraal bij het bevorderen van de positie van groepen met een migratieachtergond in de Nederlandse samenleving, maar ook bij het waarborgen van sociale cohesie, verbinding, en anti-discriminatie. In opdracht van het ministerie van SZW voeren wij een synthesestudie uit naar het uitgevoerde integratiebeleid in de periode 2000–2021.
Voor deze synthesestudie schetsen wij allereerst een beeld van het uitgevoerde integratiebeleid in drie domeinen, namelijk inburgering, participatie en samenleven. Vervolgens onderzoeken we in hoeverre er sprake is van doelbereik, doeltreffendheid, en doelmatigheid van het beleid.
Hiervoor maken we gebruik van bronnen en data met betrekking tot de totstandkoming en ontwikkeling van het integratiebeleid, bijvoorbeeld kamerbrieven. Daarnaast gaan we ook in gesprek met verschillende betrokkenen vanuit de ministeries van SZW en OCW om de onderbouwing van het beleid in kaart te brengen.
Vervolgens maken wij gebruik van bestaande beleidsevaluaties om doelbereik, doeltreffendheid, en doelmatigheid van het beleid in kaart te brengen. Tot slot schrijven wij een synthesestudie over de ontwikkeling en evaluatie van alle drie beleidsdomeinen in de periode 2000-2021.
Hier bouwen we voort op een eerder door Regioplan uitgevoerde synthesestudie naar integratiebeleid.
Inburgeraars onder de Wet inburgering 2007
Een deel van de inburgeringsplichtingen die onder de Wet inburgering 2007 vielen zijn nog steeds niet ingeburgerd. Wij gingen op zoek naar een beter zicht op de situatie van deze groep en naar mogelijkheden om deze groep alsnog te laten uitstromen.
De nieuwe Wet inburgering (Wi2021) schept geen wettelijke verplichtingen voor de groepen die vallen onder de oude inburgeringsstelsels, waaronder de Wet inburgering 2007 (Wi2007). Voor de inburgeraars die onder deze wet vallen gelden nog steeds de bepalingen uit de Wi2007.
Zo’n 7.500 personen die vallen onder de Wi2007, hebben nog steeds niet aan hun verplichtingen voldaan. In dit onderzoek, dat we uitvoerden in opdracht van het ministerie van SZW, wilden we beter zicht krijgen op de situatie en beweegredenen van deze groep. Ook gingen we op zoek naar oplossingsrichtingen om deze groep tóch nog te laten uitstromen. Hiervoor gingen we in dit onderzoek in gesprek met de doelgroep, met sleutelpersonen, en spraken we daarnaast met gemeenten over hun wensen en mogelijkheden. Het onderzoek werd in december 2022 afgerond.
Meer weten?
Lees het eindrapport of neem contact op met Miranda Witvliet.
Procesevaluatie Stichting Nieuw Thuis Rotterdam
Het SNTR-programma
Stichting Nieuw Thuis Rotterdam (SNTR) is in 2016 opgericht door Stichting de Verre Bergen om tweehonderd Syrische vluchtelingengezinnen te helpen om snel te integreren in de Rotterdamse samenleving. Daartoe biedt SNTR de deelnemende gezinnen een huurwoning en een intensief integratieprogramma, bestaande uit maatschappelijke begeleiding, taallessen en loopbaanbegeleiding. Het SNTR-programma is daarmee uniek in zijn soort. Deelnemers krijgen bijvoorbeeld vier dagdelen per week taalles en worden regelmatig thuis bezocht voor hulp met praktische zaken en het vergroten van de zelfredzaamheid. De ambitie is dat de gezinnen zo beter de Nederlandse taal leren, zelfredzamer worden en zich thuis gaan voelen in Rotterdam.
Onderzoek: het BRIDGE-project
De Erasmus Universiteit voert in opdracht van Stichting De Verre Bergen een meerjarig onderzoek uit naar de werking en effectiviteit van het SNTR-programma. Dit zogenoemde BRIDGE-project omvat meerdere onderzoeken, te weten een procesevaluatie, een monitor van de uitkomsten, een effectevaluatie en een onderzoek naar de kinderen en jongeren van het SNTR-programma. De procesevaluatie wordt in samenwerking uitgevoerd door Regioplan en de EUR.
De procesevaluatie
Het doel van de procesevaluatie is te laten zien in hoeverre de SNTR-aanpak in de praktijk zo wordt uitgevoerd als beoogd en op welke wijze dit volgens de betrokkenen bijdraagt aan de beoogde doelen. Hiertoe zijn in 2019 onder meer interviews gevoerd met uitvoerders en deelnemers en zijn huisbezoeken en coachingsgesprekken geobserveerd. De resultaten zijn beschreven in een rapport genaamd ‘Alles onder één dak: De uitvoering van het SNTR-programma voor Rotterdamse statushouders in beeld’.
In 2020 is er een vervolg op de procesevaluatie uitgevoerd, waarin een nieuwe ronde interviews is gedaan langs de betrokken uitvoerders en samenwerkingspartners. Het voornaamste doel hiervan was om recente ontwikkelingen in het SNTR-programma sinds 2019 in kaart te brengen. Daarnaast is naar enkele thema’s verdiepend onderzoek gedaan, en is extra aandacht besteed aan de rol van de context op de uitvoering en ervaren bijdrage van het SNTR-programma. De bevindingen hiervan zijn samen met die uit de andere deelonderzoeken uit het BRIDGE-project verwerkt in de overkoepelende eindrapportage, genaamd ‘Met alles opnieuw starten‘.
Bevindingen procesevaluatie
Kijkend naar de verschillende onderdelen van het SNTR-programma, zien we dat de maatschappelijke begeleiding statushouders intensief ondersteunt bij het nemen van allerlei bureaucratische hobbels en bijdraagt aan het oplossen van veel praktische problemen (‘brandjes blussen’). Tegelijkertijd constateren we dat het mede hierdoor niet altijd lukt om systematisch te werken aan de zelfredzaamheid van de deelnemers. Verder zien we dat deelnemers gemotiveerd en begeleid worden om zich te oriënteren op (een vorm van) werk, en worden ondersteund bij het ontwikkelen van hun vaardigheden en zelfvertrouwen. Dit onderdeel van het programma kan nog beter worden uitgewerkt, onder andere door de samenwerking met de gemeente Rotterdam te versterken. De SNTR-aanpak kenmerkt zich tevens door een intensief taalprogramma. Voor sommige deelnemers draagt dit duidelijk bij aan een snellere taalverwerving, maar er zijn ook deelnemers voor wie het intensieve programma te snel gaat. Ook blijkt het taalprogramma moeilijk te combineren met (een vorm van) werk.
Overkoepelende bevindingen EUR Bridge project
De overkoepelende eindrapportage ‘Met alles opnieuw starten’ trekt op basis van de verschillende deelonderzoeken van het EUR Bridge project een algehele conclusie over de werking en de effectiviteit van het SNTR-programma. Centraal hierbij staat een effectmeting die is uitgevoerd op basis van een longitudinale panelsurvey, waarbij SNTR-deelnemers zijn vergeleken met een controlegroep van statushouders die door de gemeente zijn begeleid. De resultaten laten zien dat de SNTR-deelnemers op zowel taalverwerving, zelfredzaamheid als participatie niet significant beter scoren dan de vergelijkingsgroep. Hiervoor zijn meerdere potentiële verklaringen te geven. Zo kan de invloed van beleid beperkt zijn in verhouding tot andere factoren, en hebben weerbarstigheden in de uitvoering van het programma wellicht betere resultaten in de weg gestaan. Ook kan het zijn dat de effecten van het SNTR-programma pas op een later moment zichtbaar zullen worden. Daarom is een derde veldwerkronde van de survey afgenomen, waarover later gepubliceerd zal worden.
Meer informatie
Neem contact op met Yannick.
Evaluatie Pilot duale trajecten voor statushouders
Op 1 januari 2022 wordt de Nieuwe Wet inburgering ingevoerd. In de aanloop hiernaar doen gemeenten alvast ervaring op met elementen uit de nieuwe inburgeringswet, door middel van pilots rondom zes thema’s. Een van de pilotthema’s is duale trajecten, waarbinnen taalverwerving wordt gecombineerd met toeleiding naar participatie. Wij voeren in opdracht van het Ministerie van SZW voor deze pilot een procesevaluatie uit.
Ervaringen van betrokkenen
Pilotgemeenten, inburgeraars en werkgevers zijn over het algemeen positief over de duale trajecten. Inburgeraars vinden het prettig om praktijkgericht taalonderwijs te krijgen, zeker wanneer zij analfabeet of moeilijk leerbaar zijn. Ook geven zij aan veel over de Nederlandse werkcultuur te leren. Werkgevers zijn vaak ook positief over inburgeraars, met name over hun motivatie. Wel merken zij dat zij veel moeten investeren om de statushouder goed te laten landen. Taalniveau blijft een uitdaging en wanneer dit niet voldoende ontwikkelt kan het een reden zijn om een statushouder geen contract aan te bieden.
Inrichting van de duale trajecten
In de negen pilots wordt op verschillende manieren vormgegeven aan de duale trajecten. Wat het beste werkt, hangt af van de context. De belangrijkste keuzes die gemeenten hierin maken zijn:
- Leg je de regie bij de gemeente of een externe partij gelegd?
- Kies je voor een groepsgewijze of individuele aanpak?
- In hoeverre integreer je taalonderwijs en participatie?
- Hoe stimuleer je praktische taalvaardigheid?
- Op welke vormen van participatie zet je in en wanneer?
- Steek je de matching met een participatieplaats aanbod- of vraaggericht in?
In ons rapport is te lezen hoe de negen pilotgemeenten deze punten hebben aangepakt en welke lessen daaruit te trekken zijn voor andere gemeenten. De handreiking biedt een beknopt overzicht van de belangrijkste geleerde lessen.
Meer informatie?
Neem contact op met Yannick.
Duale trajecten taal en werk voor statushouders
De weg naar werk is voor statushouders vaak lang en moeizaam. Steeds meer partijen zetten vanuit het motto ‘eerst werk, dan volgt de rest’ duale trajecten in, waarin gelijktijdig wordt gewerkt aan de ontwikkeling van Nederlandse taal- en werk(nemers)vaardigheden. Ons onderzoek geeft inzicht in de grote verscheidenheid aan trajecten die worden ingezet, aangevuld met enkele inspirerende voorbeelden voor de uitvoeringspraktijk en de professionals in de arbeidsmarktregio’s. We voerden het onderzoek uit in opdracht van SBCM, Cedris en VluchtelingenWerk Nederland.
Meer informatie?
Neem contact op met Arend.