Kernwoord: Onderwijs
Doorwerking stelselonderzoeken
In opdracht van de Inspectie van het Onderwijs onderzocht Regioplan, samen met prof. dr. Melanie Ehren, hoe bevindingen en aanbevelingen uit stelselonderzoeken doorwerken in beleid en praktijk. In vijf cases blijkt vooral agenderende doorwerking sterk aanwezig; instrumentele doorwerking komt in een deel van de gevallen voor.
De Inspectie van het Onderwijs voert stelselonderzoeken uit om zicht te krijgen op de werking en kwaliteit van het onderwijsstelsel. Regioplan onderzocht, samen met prof. dr. Melanie Ehren, wat de doorwerking is van bevindingen, conclusies en aanbevelingen uit zulke stelselrapporten, en welke kenmerken die doorwerking bevorderen.
In het onderzoek werd na inventarisatie van het bereik van stelselrapporten (o.a. via een sociale media-analyse en focusgroep) een verdiepend onderzoek uitgevoerd van vijf cases (stelselonderzoeken) via documentstudie, focusgroepen met sleutelstakeholders en interviews met de inspectie.
In alle cases is agenderende doorwerking zichtbaar: onderwerpen komen (extra) op de agenda via nieuwsberichten, Kamerbrieven en intern overleg, en bestaande activiteiten worden ondersteund of aangejaagd. Instrumentele doorwerking komt ook bij sommige cases voor, bijvoorbeeld via nieuwe wet- en regelgeving, verbeteracties in het veld en de ontwikkelingen van praktische instrumenten. Conceptuele en politiek-strategische vormen van doorwerking bleken lastig meetbaar en werden daarom beperkt gevonden in dit onderzoek.
Doorwerking van stelselonderzoeken wordt o.a. bevorderd door het gebruik van een positieve en stimulerende toon, concrete aanbevelingen en voldoende oog voor de context in een stelselrapport, het gebruik van een representatieve steekproef, zorgen voor voldoende vernieuwing t.o.v. eerder onderzoek, gerichte communicatie over een stelselonderzoek(zoals webinars), het betrekken van relevante stakeholders, een goede timing en aansluiting bij lopende thema’s. Voor doorwerking bij scholen en besturen geldt dat het combineren van stelselonderzoek met instellingstoezicht hieraan bijdraagt. Naast rekening houden met deze kritische succesfactoren, wordt aanbevolen om vooraf de beoogde doorwerking te bepalen en een jaar na publicatie de doorwerking te evalueren.
Lees hier het rapport of neem contact op met Denise voor vragen over het onderzoek.
Brede thuiszittersaanpak
Doel van het rapport – dat is opgesteld in opdracht van Ingrado – is om leerplichtorganisaties die de omslag naar leerrecht willen maken van input en inspiratie te voorzien. Daarom zijn twee werkwijzen van leerplichtorganisaties met een brede thuiszittersaanpak zo concreet mogelijk beschreven.
Daarbij is ervoor gekozen de belasting voor de organisaties zelf tot een minimum te beperken door eerst deskresearch uit te voeren op documentatie van de organisaties . Vervolgens is de casus nader in beeld gebracht in een groepsgesprek met vertegenwoordigers van de leerplichtorganisatie. De resultaten zijn verwerkt in geanonimiseerde casebeschrijvingen die met enkele vertegenwoordigers van andere leerplichtorganisaties zijn doorgenomen. Daarbij is gekeken of de beschrijvingen input leveren voor de leerplichtorganisatie voor een eigen aanpak, of de beschrijvingen helder zijn en of er nog eventuele aanvullende vragen zijn om in te vullen, zodat de teksten aanzetten tot inspiratie. Deze reacties zijn vervolgens weer besproken met de twee leerplichtorganisaties, wat heeft geleid tot verhelderingen en aanvullingen in de beschrijvingen.
Organisatie 1 richt zich op jongeren die ingeschreven staan op een school en geoorloofd structureel langer dan vier weken aaneengesloten) minder dan 50% onderwijs volgen. Daarbij zijn er vijf uitgangspunten leidend voor de uitwerking en wordt gewerkt vanuit een visie op leerrecht in plaats van leerplicht.
De werkwijze van organisatie 2 kenmerkt zich door een brede en vroegtijdige preventieve aanpak. Daarin zijn niet alleen afspraken gemaakt over het melden van ongeoorloofd verzuim voordat het wettelijk aantal uren bereikt is, maar ook over het vroegtijdig in beeld krijgen van zorgelijk geoorloofd verzuim. Deze preventieve aanpak is opgesteld vanuit zes bouwstenen en nadrukkelijk onderdeel van het voorkomen dat kinderen/jongeren langdurig – geoorloofd dan wel ongeoorloofd – thuis komen te zitten. In deze aanpak staat daarmee schoolaanwezigheid in plaats van schoolverzuim centraal.
Meer weten? Lees hier de publicatie van ons onderzoek of neem contact op met Jos Lubberman.
Klachtenstelsel po en vo: nader onderzoek 2022
Voor personeelsleden, ouders en (in het voortgezet onderwijs) leerlingen bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen. Regioplan deed onderzoek naar het functioneren van de klachtenregeling en het klachtenstelsel in het primair en voortgezet onderwijs.
Het klachtenstelsel is een complex stelsel met verschillende routes en betrokken partijen. Een belangrijk onderscheid wordt gemaakt tussen de informele fase in scholen (de voorfase), waarbij de vertrouwenspersoon een sleutelrol heeft, en de formele fase, via een klachtencommissie. De meeste klachten worden afgehandeld zonder formele klachtenprocedure. Uit het onderzoek blijkt dat de mogelijkheden voor klachtenafhandeling vaak nog ondoorzichtig zijn. Dit vraagt om een betere informatievoorziening vanuit scholen.
Belemmeringen
Sommige ouders, personeelsleden en leerlingen voelen een belemmering om een melding te maken of klacht in te dienen bij de school. Dit heeft vaak te maken met angst voor gevolgen of denken dat een klachtenprocedure geen nut heeft. Ook kan het gebrek aan een externe vertrouwenspersoon in de school reden zijn om zich niet te melden. Binnen scholen varieert de professionaliteit van vertrouwenspersonen, zij delen bijvoorbeeld in sommige gevallen geen jaarverslag of periodiek overzicht. Ook de facilitering in tijd en middelen blijft vaak achter.
Beperkt zicht op vervolgstappen
Scholen zijn verplicht om zich aan te sluiten bij een klachtencommissie op landelijk, regionaal of lokaal niveau. De meeste scholen zijn aangesloten bij een landelijke commissie. Deze landelijke partijen zetten ook actief in op professionalisering en kennisdeling. Bij regionale of lokale commissies gebeurt dat meer informeel. Maar een klein deel van de ingediende klachten wordt gegrond verkaard. Soms wordt ook klacht voorafgaand aan een procedure al ingetrokken, omdat partijen er ondering toch uitkomen. De ervaring is dat procedures soms lang kunnen duren. De adviezen van klachtencommissies zijn niet bindend. Daarom is er maar beperkt zicht op de vervolgstappen die scholen zetten.
Aanbevelingen
Op basis van het onderzoek komen wij tot een aantal aanbevelingen, zowel voor de voorfase als de procedures bij klachtencommissies:
1. Zorg voor beter vindbare en toegankelijke informatie over klachtenprocedures
2. Zorg in alle scholen voor ten minste één interne en één externe vertrouwenspersoon
3. Borg de professionaliteit van vertrouwenspersonen beter
4. Laat scholen verplicht aansluiten bij een landelijke klachtencommissie
5. Zorg voor een snellere afhandeling van klachten
6. Maak het advies van klachtencommissies bindend
Evaluatie van de Leerwerkloketten
In alle arbeidsmarktregio’s zijn leerwerkloketten actief die helpen en ondersteunen bij vragen op het gebied van leren en werken. Samen met CINOP-ECBO onderzochten we de meerwaarde van de leerwerkloketten en verbetermogelijkheden voor de toekomst.
Al ruim tien jaar spelen de Leerwerkloketten in de arbeidsmarktregio’s een verbindende rol op het terrein van leren en werken. Ze geven laagdrempelig informatie en advies over leer-en ontwikkelvragen aan werkzoekenden, werknemers, studenten/scholieren en werkgevers. Elk loket is een samenwerking tussen ROC, gemeente en UWV. Zij ontvangen hiervoor een structurele financiering van het ministerie van SZW, en vullen dit aan met cofinanciering.

Onze evaluatie
Na twee eerdere evaluaties in 2011 en 2015 voerden we in samenwerking met CINOP-ECBO in 2021 een nieuwe evaluatie uit. Deze omvatte onder andere een reeks casestudies bij leerwerkloketten, een gespreksronde langs landelijke stakeholders en bevraging van het landelijke team. Het evaluatieonderzoek is bedoeld om een beeld te krijgen van het huidige beleid: in welke mate voldoet het beleid en welke verbeteringen zijn eventueel wenselijk? In het rapport, dat in mei 2022 verscheen, tekenen we de onderstaande lessen op.
Meerdere functies van de loketten
Ons onderzoek laat zien dat de leerwerkloketten meerdere functies vervullen in de arbeidsmarktregio’s. Zo dragen ze als makelaar bij aan de aansluiting tussen de onderwijs en arbeidsmarkt, en vervullen ze een netwerkfunctie door partijen op regionaal niveau bij elkaar te brengen. Wel zien we dat de capaciteit van de leerwerkloketten beperkt is in verhouding tot hun opgave. Dit zien we met name terug in de loketfunctie richting de burger. De meeste burgers kennen de leerwerkloketten niet en in absolute zin wordt er een beperkt aantal burgers bereikt. Maar als de loketten bekender zouden worden, dan zouden zij de toestroom waarschijnlijk niet aankunnen.
De Leerwerkloketten Plus
Binnen de pilot ‘leerwerkloketten plus’ hebben drie leerwerkloketten tijdelijk extra budget ontvangen van het ministerie, om te bezien of zij hiermee meer en betere ondersteuning konden bieden. Deze loketten zijn hierdoor in staat geweest om de dienstverlening te intensiveren en professionaliseren, toegankelijker en zichtbaarder te worden en de samenwerking in de regio te verstevigen. Wel geldt ook voor de plusloketten dat zij keuzes moeten maken in wat zij wel en niet oppakken.
Ondersteuning vanuit het landelijk team leerwerkloketten
De leerwerkloketten worden ondersteund door een landelijk team leerwerkloketten. Dit team draagt onder andere bij aan het ontwikkelen van een uniforme ‘merkuitstraling’ van de leerwerkloketten en de professionalisering en onderlinge kennisuitwisseling. De loketten zouden graag op nog meer vlakken ondersteund worden door het landelijk team, maar dit is niet altijd mogelijk vanwege beperkte capaciteit aldaar.
Aansturing op landelijk niveau
Een goed functioneren van het ‘stelsel’ van de leerwerkloketten op regionaal niveau vergt ook op landelijk niveau een goed samenspel van de betrokken actoren. We zien echter dat vooral UWV op landelijk niveau nauw betrokken is, terwijl de VNG, Divosa en de MBO Raad op landelijk niveau niet of nauwelijks betrokken zijn. Daarom adviseren we dat er een landelijke stuurgroep komt waarin alle betrokkenen meepraten over strategische keuzes. Ook is van belang dat de leerwerkloketten een duidelijke plek krijgen in initiatieven op gebied van een Leven Lang Ontwikkelen (LLO), zoals NL Leert Door en het STAP-budget. Dit is van belang om versnippering te voorkomen en te zorgen dat de leerwerkloketten hun relevantie in de arbeidsmarktregio’s behouden.
Meer informatie?
Neem contact op met Yannick.
Toekomstverkenning bevoegdhedenstelsel vo
Voldoende en bekwaam onderwijspersoneel is één van de noodzakelijke – zo niet onmisbare – voorwaarden voor de kwaliteit van het onderwijs. De overheid stelt daarom diverse regels over de bevoegdheid en inzetbaarheid van leraren. Omdat deze regelgeving in de praktijk verschillende knelpunten oplevert, heeft het ministerie van OCW samen met de Landelijke Werkgroep Bevoegd – bestaande uit onder meer sociale partners en lerarenopleidingen – ons gevraagd om bouwstenen te verkennen voor een andere inrichting van het stelsel van bevoegdheden voortgezet onderwijs. Samen met CINOP-ecbo en Leeuwendaal hebben wij deze verkenning uitgevoerd.
De verkenning is uitgevoerd aan de hand van acht sessies: drie onderzoekssessies om het vraagstuk te verhelderen en issues te inventariseren, drie ontwerpsessies om tot suggesties en scenario’s voor het stelsel en bevoegdheidsdomeinen te komen en twee sessies om de resultaten verder door te ontwikkelen met opleidingsscholen. Naast deze acht sessies is een beknopte literatuurstudie uitgevoerd om het huidige stelsel in kaart te brengen, internationale lessen op te halen en van andere sectoren te leren. De resultaten zijn getoetst en doorontwikkeld met enkele experts.
De uitkomsten van de sessies zijn vertaald in vier te onderscheiden scenario’s:
- geen wijzigingen (huidige bevoegdheidsdomeinen voortgezet onderwijs blijven behouden);
- afschaffen van bevoegdheidsdomeinen voor het voortgezet onderwijs;
- inrichten van één bevoegdheidsdomein voor voortgezet onderwijs;
- inrichten van een stelsel met een combinatie van meerdere onderling te combineren bevoegdheidsdomeinen voor voortgezet onderwijs, bestaande uit (smallere) pedagogische component en (bredere) vakcomponent.
Verder zijn drie richtinggevende bouwstenen onderscheidden voor het bepalen van alternatieve bevoegdheidsdomeinen, te weten de ontwikkelingsfase van jongeren, de oriëntatie van leerlingen naar ondersteuningsbehoefte en meer praktische dan wel theoretische oriëntatie van de leerlingen en de vakinhoud en vakdidactiek. Combinaties van deze bevoegdheidsdomeinen maakt het mogelijk om flexibele opleidingstrajecten te organiseren voor verschillende typen leraren:
- vakspecialisten (o.a. vergelijkbaar met huidige eerstegraders in de bovenbouw havo/vwo en leraren beroepsgericht in specifiek vak)
- clusterexperts (o.a. verbreding ten opzichte van huidige mogelijkheden, deels vergelijkbaar met leraren die aanverwante vakken mogen geven)
- breed pedagogische beroepsleerkracht (o.a. vergelijkbaar met pabo-gediplomeerde in het vmbo, met mogelijke verbreding naar 15-18 jaar, leercoaches).
Meer informatie?
Lees voor meer informatie het onderzoeksrapport of neem contact op Jos.
Lessen over het slavernijverleden in het Amsterdamse onderwijs
Met de beleidslijn Gedeelde Geschiedenis wil de gemeente Amsterdam historische gevoeligheden bespreekbaar maken. Onderdeel daarvan is het slavernijverleden. Wij hebben onderzocht wat scholen momenteel al met het onderwerp doen en wat zij daar eventueel nog bij nodig hebben.
Het slavernijverleden in de lesmethoden
Er zijn grote verschillen in de mate waarin en de manier waarop het slavernijverleden in de lesboeken behandeld wordt. Kritiek van experts, lerarenopleiders en leraren op de lesmethoden is dat de aandacht die het slavernijverleden krijgt summier is, versnipperd en te eenzijdig. De methoden zouden de geschiedenis te veel vanuit een Europees perspectief behandelen, en de kant van tot slaaf gemaakten zou te weinig aan bod komen.
Ervaringen in de praktijk
De meeste Amsterdamse basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs in het onderzoek besteden aandacht aan het slavernijverleden. In het basisonderwijs is dat vooral in de bovenbouw. In het voortgezet onderwijs is dat met name tijdens de geschiedenisles. De aandacht gaat hierbij voornamelijk uit naar slavernij in de West (Suriname, Antillen), het slavernijverleden in de Oost (voormalig Nederlands Indië) blijft doorgaans onbesproken. De meerderheid van de leraren die er aandacht aan besteden meent dat het slavernijverleden bespreekbaar is in de klas. Een relatief groot deel van de leraren vindt echter ook dat de aandacht op hun school voor het slavernijverleden onvoldoende is.
Knelpunten
Beperkende factoren die zowel leraren als experts noemen om het slavernijverleden voldoende aandacht te geven, zijn tijdgebrek en de kwaliteit van de informatie in de methode. Deze worden ook genoemd als redenen door leraren die in de vragenlijst zeggen dat ze geen aandacht besteden aan het slavernijverleden.
Daarnaast merken leraren op dat veel materiaal nogal talig is. Ze wijzen op het belang van actief en creatief materiaal, bijvoorbeeld muziek en dans, om de informatie goed over te brengen op de leerlingen. Ten slotte wordt benoemd dat als de school en de methode niet structureel aandacht besteden aan het slavernijverleden, de aandacht ervoor vaak afhankelijk is van het belang dat de leraar hecht aan het onderwerp.
De onderzoeksaanpak
Voor het onderzoek hebben wij gebruik gemaakt van een deskresearch, interviews met verschillende stakeholders en een brede survey onder alle Amsterdamse scholen voor primair en voortgezet onderwijs. Ook hebben wij we enkele scholen bezocht die als voorbeelden kunnen dienen voor andere scholen.
Voor meer resultaten, en onze aanbevelingen, kunt u het volledige rapport hier lezen.
We hebben het onderzoek uitgevoerd in opdracht van de gemeente Amsterdam.