Kernwoord: Participatiewet
Per 1 januari 2015 is de Participatiewet van kracht. Deze wet vervangt de Wet werk en bijstand (Wwb), de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en een groot deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Het doel van de Participatiewet is dat meer mensen, met en zonder beperking, zo regulier mogelijk werk vinden bij een reguliere werkgever.
Met de invoering van de Participatiewet is de nieuwe instroom jonggehandicapten onder de verantwoordelijkheid van gemeenten en onder de werking van de bijstandswet komen te staan. De nieuwe instroom in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) is afgesloten, en de nieuwe instroom in de Wajong is beperkt tot duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.
Gemeenten krijgen één re-integratiebudget waarmee zij een brede en gevarieerde doelgroep aan het werk moeten helpen. Hiervoor kunnen gemeenten de nieuwe voorziening beschut werk inzetten. Vanuit het BUIG budget kunnen gemeenten het instrument loonkostensubsidie inzetten, waarmee werkgevers gecompenseerd worden voor de verminderde productiviteit van werknemers met een arbeidsbeperking.
Detacheringsfaciliteiten in de Participatiewet
De Participatiewet biedt gemeenten de mogelijkheid om mensen naar andere organisaties te detacheren. Hoe gemeenten die mogelijkheid invullen onderzochten we voor het SBCM.
Naar aanleiding van de evaluatie van het SCP liggen de fundamenten onder de Participatiewet zes jaar na de inwerkingtreding van de wet onder een vergrootglas. Aannames over maakbaarheid, zelfredzaamheid en doenvermogen leidden vijf jaar geleden tot een hoge verwachting van de participatiemogelijkheden van mensen voor wie reguliere arbeid niet vanzelfsprekend is. Maar inmiddels is duidelijk dat het voor velen niet heeft geleid tot meer kansen op betaald werk. Met name de groep die voorheen gebruik kon maken van de Wet sociale werkvoorziening heeft moeite om binnen de huidige wettelijke kaders de stap naar regulier werk te maken. Deze constatering leidt ertoe dat de fundamentele aannames onder de Participatiewet nu door het hele land weer voorzichtig ter discussie worden gesteld.
Binnen de context van deze discussie zoeken lokale overheden en regionale samenwerkingsverbanden naar de beste manier om hun re-integratieverantwoordelijkheden in te vullen. Zij kunnen hier een veelvoud van instrumenten voor inzetten. Detacheren is daar één van. In de wijze waarop gemeenten naar dit instrument kijken, zien we de reflecties op de aannames onder de Participatiewet terug. Is detacheren een instrument met aanvullende meerwaarde? Voor wie zou detacheren ingezet moeten worden? Hoe kunnen we de werknemers bestaanszekerheid bieden zonder te grote financiële risico’s te lopen? Die vragen beantwoordden we in opdracht van SBCM.
Aanpak jeugdwerkloosheid voor kwetsbare schoolverlaters
Om kwetsbare schoolverlaters een duwtje in de rug te geven richting werk, worden zij extra ondersteund door hun scholen en gemeenten. Wij onderzoeken hoe deze ondersteuning in de praktijk vorm krijgt en welke lessen we hieruit kunnen trekken.
Kwetsbare schoolverlaters aan het werk
Jongeren worden in coronatijden hard geraakt door het plotselinge verlies in werkgelegenheid in bepaalde sectoren. Als onderdeel van het sociaal pakket heeft het kabinet specifieke middelen vrijgemaakt om schoolverlaters met een grotere kans op werkloosheid naar werk of (vervolg)onderwijs te begeleiden. Deze middelen gaan naar scholen (voortgezet speciaal onderwijs, praktijkonderwijs en mbo’s) en gemeenten (afdeling W&I en RMC). Aan hen de taak om samen te werken om kwetsbare schoolverlaters te ondersteunen. Hiertoe ontplooien zijn activiteiten in drie fases: tijdens school, van school en nazorg.

De praktijk in kaart brengen
Het ministerie van SZW wil via een praktijkgericht onderzoek graag inzicht in de ervaringen met de maatregelen van de aanpak jeugdwerkloosheid in de praktijk. Hoe werken de betrokkenen professionals vanuit de scholen en gemeenten op uitvoeringsniveau samen om de jongeren te helpen in de overgang van school naar werk? En welke interventies zetten zij hierbij in, en wat zijn daarmee hun ervaringen? De uitkomsten van het onderzoek worden gebruikt voor toekomstige beleidsontwikkeling en voor de verantwoording richting de Tweede Kamer.
Tussentijdse inzichten
Ons onderzoek bestaat uit een verkenningsfase en een verdiepingsfase. Begin 2022 hebben we de verkenningsfase uitgevoerd, bestaande uit een literatuurstudie naar praktijkvoorbeelden en interviews met regionale coördinatoren jeugdwerkloosheid. De inzichten hieruit zijn geland in een tussenrapportage.
Deze tussenrapportage laat zien dat de aanpak van jeugdwerkloosheid in de arbeidsmarktregio’s golfbewegingen kent, afhankelijk van wanneer hier rijksfinanciering voor beschikbaar is. Dit is onwenselijk voor het behoud van de regionale samenwerking en coördinatie van de aanpak. Verder zien we dat veel interventies erop gericht zijn om jongeren een doorgaande begeleiding te bieden tijdens de transitie van school naar werk, door de begeleiding vanuit de gemeente te vervroegen of juist vanuit de school door te laten lopen.
Dit is in lijn met aanbevelingen uit het IBO jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt, dat in 2019 verscheen. Wel signaleren veel regiocoördinatoren dat er nog te veel in ‘hokjes’ wordt gedacht, omdat bepaalde vormen van ondersteuning bijvoorbeeld alleen beschikbaar zijn voor jongeren zonder startkwalificatie of op Mbo Entree niveau. Ook jongeren die buiten deze ‘hokjes’ vallen, kunnen kwetsbaar zijn en aanvullende ondersteuning behoeven.
Vervolg: Verdieping in de praktijk
In de tweede helft van 2022 vindt de verdiepingsfase van het onderzoek plaats, waarin we een aantal casestudies uitvoeren in arbeidsmarktregio’s. Daarbij gaan we met de verschillende professionals uit de praktijk in gesprek over hun aanpak en samenwerking. Ook voeren we interviews met de jongeren zelf en gaan we activiteiten observeren. Naast een eindrapport ontwikkelen we een actiegericht product voor professionals, mede geholpen door een praktijkpanel met daarin diverse veldpartijen.
Bijverdienregeling in de onderstand op Caribisch Nederland
Mensen die op de BES-eilanden een onderstandsuitkering ontvangen, mogen daarnaast een betaalde baan hebben. Maken zij hier gebruik van en wat zijn de effecten van deze bijverdienregeling?
Bijverdienen in de onderstand
Inwoners van Caribisch Nederland (de BES-eilanden Bonaire, St. Eustatius en Saba) die niet zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien, kunnen een beroep doen op onderstand. Deze vangnetvoorziening lijkt op de bijstand in Europees Nederland. Onderstandsgerechtigden zijn vrij om naast hun uitkering bij te verdienen, zo lang de onderstand en bijverdiensten samen niet meer bedragen dan het minimumloon. Zij hebben hiermee meer ruimte om bij te verdienen dan bijstandsgerechtigden in Europees Nederland. Hier worden bijverdiensten maximaal zes maanden toegestaan en zijn deze beperkt tot 25% van het verdiende inkomen (met een maximum van €209 per maand).
De bijverdienregeling onder de loep
Om ervoor te zorgen dat mensen met een uitkering kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, zal de onderstand op termijn naar het ijkpunt voor het sociaal minimum moeten toegroeien. Hierbij moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid van bijverdienen tot aan het wettelijk minimumloon en de prikkel om te werken. Het ministerie van SZW wil daarom graag meer zicht krijgen op het functioneren en de effecten van de bijverdienregeling vanuit verschillende invalshoeken (onder andere burger, uitvoering en openbaar lichaam). Draagt de bijverdienregeling bij aan het activerende beleidsdoel van de onderstand; loont het genoeg om te gaan werken? En zijn er alternatieve inrichtingen voor de bijverdienregeling denkbaar die hier nog sterker aan bijdragen?
Ons onderzoek
We voeren het onderzoek uit in samenwerking met lokale partner IndigoBlue Consult. In de eerste fase van het onderzoek doen we literatuuronderzoek naar de mogelijke inrichting van bijverdienregelingen en spreken we met uitvoerders; aan welke ‘knoppen’ kan er gedraaid worden? Ook interviewt IndigoBlue Consult onderstandsgerechtigden op de BES-eilanden over hun ervaringen met de bijverdienregeling. Na een tussenanalyse gaan we in de tweede fase in gesprek met verschillende lokale stakeholders over de opgedane handelingsperspectieven, en de mate waarin deze wenselijk en haalbaar zijn.
Evaluatie Werkfittrajecten
In een inspanning om het aantal bijstandsontvangers te verminderen lanceerde de gemeente Den Haag in 2019 het Werkoffensief +500. Het doel hiervan is om gedurende vier jaar (2019-2022) jaarlijks 500 bijstandsgerechtigden extra aan het werk te helpen. Als onderdeel van het Werkoffensief zet de gemeente (onder andere) Werkfittrajecten in. Tijdens deze trajecten werken mensen die langdurig in de bijstand zitten aan hun werknemersvaardigheden, zelfredzaamheid en motivatie evenals het hanteerbaar maken van eventuele multiproblematiek. Dit doen ze gedurende drie maanden bij een zogenaamd ‘Werkfitbedrijf’, veelal sociale ondernemingen en stichtingen. Het doel is dat deelnemers na het Werkfittraject door kunnen stromen naar een volgend reïntegratietraject (zoals een STiP-traject, dat we eerder evalueerden) of indien mogelijk naar regulier werk.
In opdracht van de gemeente Den Haag evalueerden we de effectiviteit van de werkfittrajecten. Dit diende als input voor verdere besluitvorming over de continuering, vormgeving en borging van Werkfit. Ons onderzoek omvat gesprekken met uitvoerders, deelnemers en Werkfitbedrijven. Het eindrapport is niet openbaar.
Meer weten? Neem contact op met Yannick.
Evaluatie STiP regeling gemeente Den Haag
De gemeente Den Haag biedt inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt de kans om aan de slag te gaan in een gesubsidieerde STiP-baan (Sociaal Traject in Perspectief). Wij onderzochten in hoeverre de STiP-regeling eraan bijdraagt dat deelnemers zich kunnen ontwikkelen en op termijn duurzaam kunnen uitstromen naar regulier werk.
STiP staat voor ‘Sociaal Traject in Perspectief’, en geeft deelnemers de kans om aan de slag te gaan in een gesubsidieerde, additionele baan bij een reguliere werkgever. STiP-deelnemers hebben een arbeidsovereenkomst en ontvangen een salaris. Tijdens de STiP-baan kunnen de deelnemers zich verder ontwikkelen en later mogelijk uitstromen naar een reguliere baan, zo is de gedachte. Deelnemers worden tijdens het traject begeleid en geschoold door medewerkers van het Werkgeversservicepunt, zodat ze hun arbeidsmarktkansen kunnen verbeteren.
Inmiddels wordt de STiP-regeling ruim drie jaar uitgevoerd, en heeft de gemeente Den Haag ons gevraagd om deze te evalueren. Hiervoor spreken we met zowel deelnemers, werkgevers als met uitvoerders. Wie zijn er met de regeling bereikt, en wat heeft hun STiP-baan voor hen betekend? Hoe verloopt het uitvoeringsproces en wat kan hierin mogelijk verbeterd worden? Daarnaast hebben we op basis van CBS-data de uitkomsten van de STiP-trajecten in kaart gebracht: in hoeverre stromen deelnemers na deelname aan hun STiP-baan door naar regulier werk?
De resultaten laten zien dat ruim de helft (55%) van de deelnemers van wie de STiP-baan is beëindigd, er slaagt om binnen zes maanden een reguliere baan te vinden. Van degenen die hierin slagen, is 30 procent regulier in dienst genomen door dezelfde werkgever. STiP leidt voor veel deelnemers niet alleen tot een reguliere baan, maar draagt ook positief bij aan het zelfvertrouwen en de maatschappelijke participatie van de kandidaat. Ook werkgevers geven aan dat de subsidiëring essentieel is om deze doelgroep in dienst te nemen.
Ons rapport bevat ook een aantal adviezen voor de gemeente Den Haag, zoals: verminder kwaliteitsverschillen door in te zetten op professionalisering en vakmanschap, wees realistisch over het scholingsaanbod en heb eerder en structureler aandacht voor doorbemiddeling naar regulier werk. De komende periode zal de gemeente deze adviezen implementeren in de regeling en de dienstverlening.
De arbeidsmarkt van het sociaal domein
De arbeidsmarkt van het sociaal domein heeft de afgelopen jaren te maken gehad met grote veranderingen in de manier waarop het sociaal domein is georganiseerd. We onderzochten, samen met onze zusterorganisatie Cebeon, welke gevolgen deze veranderingen hebben gehad.
Hierbij beantwoordden we de volgende drie onderzoeksvragen:
- Hoe heeft het sociaal domein zich de afgelopen jaren ontwikkeld?
- Hoe ziet het sociaal domein er nu uit?
- Wat zijn de gevolgen van de verschillende inrichtingsvormen voor de arbeidsmarkt?
Het rapport en een samenvattende factsheet vindt u op de website van het AZW-programma.
Detachering: Individuele studietoeslag (Inspectie SZW)
De Inspectie SZW doet, op verzoek van de staatssecretaris van SZW, onderzoek naar de individuele studietoeslag. Deze regeling heeft als doel jongeren van 18 jaar en ouder met een arbeidsbeperking, die onderwijs volgen, een financieel steuntje in de rug te geven.
De afgelopen jaren is de individuele studietoeslag diverse malen in de Tweede Kamer aan de orde gekomen. Het ging hierbij vooral om de onderlinge gemeentelijke verschillen in de hoogte van de individuele studietoeslag en de onbekendheid bij de doelgroep. De recente besprekingen in de Tweede Kamer hebben geleid tot de toezegging van de Staatssecretaris om de Tweede Kamer eind 2018 te voorzien van informatie over de uitvoering van de regeling.
Effectiviteit Aanpak 45-plussers gemeente Almere
In de gemeente Almere werden bijstandsgerechtigden van vijfenveertig jaar en ouder intensief begeleid bij het vinden van werk. Ook met begeleiding blijft het lastig voor deze groep om werk te vinden. De afstand naar de arbeidsmarkt is vaak groot door onder andere fysieke problemen en werkervaring in krimpende sectoren. Klantmanagers zijn desondanks enthousiast, omdat zij merken dat ook klanten die (nog) geen werk vinden, wel actiever worden, bijvoorbeeld als vrijwilliger.
Intensieve begeleiding voor bijstandsgerechtigden in Almere
In de gemeente Almere hebben bijstandsgerechtigden van 45 jaar en ouder die al langere tijd werkloos waren intensieve begeleiding van een klantmanager gekregen. Het doel van de aanpak was om meer klanten uit te laten stromen naar werk en klanten voor wie dat een stap te ver bleek meer te laten participeren in de samenleving. Klantbegeleiders hadden een kleine caseload waardoor ze klanten (twee)wekelijks konden spreken. Daarnaast hadden ze een maatwerkbudget van maximaal 2000 euro per klant tot hun beschikking en konden ze klanten aanmelden voor de training Focus op Werk. In de hele aanpak stond maatwerk centraal: de duur en aard van de begeleiding, de ingezette instrumenten en de intensiteit van het contact werden afgestemd op de situatie van de klant.
Vooral meer kleine banen door intensieve begeleiding
Van september 2017 tot juni 2019 onderzochten we de effectiviteit van de aanpak 45+ van de gemeente Almere. Het onderzoek was ingericht als experiment: een groep geselecteerde bijstandsgerechtigden werd willekeurig ingedeeld in een experimentgroep (die de intensieve begeleiding werd aangeboden) en een controlegroep (die dat niet kreeg). In juni 2019 is gekeken of er verschillen zijn in uitstroom naar werk tussen beide groepen. Klanten uit de experimentgroep hebben iets vaker werk gevonden dan klanten uit de controlegroep: afhankelijk van het meetmoment (6, 12 of 18 maanden na de start van de begeleiding) wat dit verschil 7 tot 9 procentpunten. Dit gaat wel vooral om kleine banen (minimaal 1 uur per week). Als we alleen kijken naar banen van minimaal 48 uur per maand, is er ook wel een licht positief effect, maar dat is niet significant. Dat betekent dat we niet met voldoende zekerheid kunnen zeggen dat het verschil door de aanpak komt en niet op toeval berust.
Voor wie is deze aanpak geschikt?
Deze aanpak blijkt niet de oplossing voor alle oudere bijstandsgerechtigden, maar uit de procesevaluatie blijkt dat het voor veel kanten toch meerwaarde heeft. Ten eerste blijkt dat een kwart van de klanten die intensief begeleid is weliswaar niet naar werk te zijn uitgestroomd, maar wel meer zijn gaan participeren door bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, een opleiding of een werkervaringsplaats te doen. Ten tweede blijkt uit ons procesonderzoek (bestaande uit interviews met klanten en uitvoerders) dat er klanten zijn die blij zijn met de hulp die ze krijgen en positieve effecten ervaren. Intensief klantmanagement lijkt met name geschikt voor klanten die zelf de moed opgegeven hebben (niet meer solliciteren) of een verkeerde zoekstrategie hanteren (bijv. in hun oude sector) in combinatie met enkele andere belemmeringen die redelijk eenvoudig kunnen worden aangepakt wanneer een klantmanager daar de tijd voor kan nemen. Deze klanten werden weer gemotiveerd om aan de slag te gaan, gestimuleerd om aan andere sectoren of functies te denken en kregen de mogelijkheid aan bepaalde belemmeringen te werken (een cursus, EMDR-therapie, enz.).
Meer informatie?
Neem contact op met Yannick.
Het onderzoek had een looptijd van twee jaar. Inmiddels zijn alle rapporten verschenen. Deze zijn hieronder te vinden. Daarnaast is er een artikel verschenen in op Zorg+Welzijn met een samenvatting van de aanpak en de resultaten (toegankelijk met abonnement).
Het onderzoek vond plaats in het kader van het ZonMw-programma ‘Vakkundig aan het werk’.
Voorschotten voor bijstandsaanvragers: tussen wet en praktijk
Gemeenten hebben maximaal acht weken de tijd om een aanvraag voor een bijstandsuitkering te beoordelen. Om die periode financieel te overbruggen, hebben bijstandsaanvragers recht op een voorschot op hun uitkering. Uit een recent onderzoek van Regioplan voor de rekenkamercommissie van de gemeente Enschede komt naar voren dat dit niet altijd goed verloopt. Dat geldt niet alleen binnen deze gemeente, maar ook daarbuiten. Onlangs publiceerde Regioplan hierover een artikel in tijdschrift Sociaal Bestek.
Tussen besluit en bezwaar
Burgers die het niet eens zijn met een besluit van de overheid kunnen hiertegen bezwaar maken op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Uit onderzoek is al langer bekend dat de bezwaarprocedure door betrokkenen als formeel en weinig bevredigend wordt ervaren. Dit speelt ook in een grote gemeente in Nederland. Bovendien kost het afhandelen van deze bezwaarschriften de gemeente vaak veel tijd en geld. Deze omstandigheden geven de gemeente aanleiding om te proberen een informele bezwaarprocedure in te richten, waarin zij eerder – dat wil zeggen nog voordat er formeel bezwaar wordt gemaakt – in gesprek raken met de burgers over besluiten waarin zij zich niet kunnen vinden. Door vroegtijdig met de burger in gesprek te gaan over zijn of haar onvrede kan sneller, prettiger en goedkoper een beter besluit tot stand komen.
De gemeente is van plan om een dergelijke informele bezwaarprocedure in de vorm van een pilot uit te proberen en heeft ons gevraagd om hiervoor een vooronderzoek te doen. Om zicht te krijgen op de contouren van zo’n informele procedure, zijn we in gesprek gegaan met burgers, betrokken ambtenaren en advocaten. Dit heeft geleid tot een aantal aanbevelingen voor de pilot.