Werkveld: Jeugd
Bescherming kinderen tegen afsluiting van drinkwater en energie
Afgelopen jaar heeft Regioplan, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en het Ministerie van Economische Zaken, onderzoek gedaan naar de vraag of en wat er nodig is om kinderen beter te beschermen tegen de afsluiting van drinkwater en energie. Middels interviews met experts en betrokkenen en kwantitatieve data van onder andere het CBS hebben we onderzocht wat er nodig zou zijn om huishoudens met kinderen beter te beschermen tegen afsluiting van drinkwater en energie. Daarnaast hebben we een internationale verkenning uitgevoerd om maatregelen uit het buitenland te beschrijven en daarmee oplossingsmogelijkheden voor Nederland te onderzoeken. Specifiek daarbij hebben we de mogelijkheden voor een drinkwaterfonds onderzocht.
De uitkomsten van dit onderzoek hebben geleid tot een aantal aanbevelingen zoals:
- Optimaliseren van het (vroeg)signaleringsproces door de signalen die drinkwaterbedrijven en gemeenten uitwisselen te harmoniseren: bijvoorbeeld door middel van een minimaal bedrag en een minimaal aantal maanden betalingsachterstanden voor een vroegsignaal, informatie over de aanwezigheid van kinderen en verplicht drinkwaterbedrijven om een afsluitsignaal te sturen voordat zij tot afsluiting overgaan.
- Optimaliseer de afsluitregeling drinkwater naar voorbeeld van de afsluitregeling energie.
- Verken de mogelijkheid van schuldenbewind om mensen te beschermen tegen verdere financiële problemen.
- Het overwegen om kinderen op te nemen onder de definitie van kwetsbare afnemers in de afsluitregeling voor drinkwater.
- Op basis van onder andere onze aanbevelingen gaat het kabinet aan de slag met het verbeteren van het sociaal incassoproces en de afsluitregeling voor drinkwater.
De volledige reactie van de ministers kun je lezen in deze kamerbrief.
Regionale lerende omgeving Toekomstscenario
Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming gaat uit van een meer mensgerichte, integrale en systeemgerichte werkwijze in het werken aan veiligheid van kinderen tot ouderen (0-100 jaar). Dat is een grote ontwikkelopgave waarin professionals, beleidsmakers, managers en bestuurders nog een hoop te leren hebben. Samen met Movisie ontwikkelen we daartoe duurzame regionale lerende omgevingen. Dat doen we in opdracht van het landelijk programmateam Toekomstscenario.
De bescherming van kinderen en gezinnen gaat fundamenteel veranderen. In het Toekomstscenario wordt domeinoverstijgend toegewerkt naar een meer mensgerichte, integrale en systeemgerichte werkwijze. Dat is een forse uitdaging, waarin zowel professionals, managers, beleidsmakers en bestuurders nog een hoop te leren hebben. Oftewel: leren is nodig op het niveau van uitvoering, beleid en bestuur. Daarbij is het belangrijk dat het leren niet afzonderlijk van elkaar plaatsvindt, maar dat er juist samenhang is tussen de leerprocessen op de verschillende niveaus.
In opdracht van het landelijk programmateam Toekomstscenario begeleiden Regioplan en Movisie de ontwikkeling van een blijvende, regionale lerende omgeving voor zes regio’s. Samen met de diverse belanghebbenden gaan we in co-creatie aan de slag om vanuit een gezamenlijk beeld van de huidige en gewenste situatie een lerende omgeving in te richten waarbinnen uitvoering, beleid en bestuur met en van elkaar leren in het kader van het Toekomstscenario. Na het inrichten van de lerende omgeving is het belangrijk dat deze ook wordt ‘beproefd’, uitgeprobeerd. In de evaluatie en reflectie op dit ‘beproeven’ leren belanghebbenden wat wel en niet werkt in de lerende omgeving en welke aanpassingen nodig zijn. Dat maakt het ontwikkelen van de lerende omgeving een iteratief proces waarin tussentijdse inzichten en lessen al direct leiden tot verbetering leiden.
De overstap van vso naar mbo: hoe kan de overstap worden versoepeld?
Hoe kunnen we de overstap van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) zo soepel mogelijk laten verlopen? Om die vraag draait het onderzoek dat we recent uitvoerden in opdracht van Ingrado en dat vrijdag 8 september werd gepresenteerd in Amsterdam. “Er worden wel degelijk ook successen geboekt.”
De overgang van het vso naar het mbo verloopt lang niet altijd even soepel voor de ruim zesduizend jongeren die deze overstap jaarlijks maken. In vergelijking met studenten uit het regulier voortgezet onderwijs verlaten doorgestroomde vso-studenten de opleiding vaker voortijdig zonder diploma. Verdiepend inzicht in waar deze specifieke groep leerlingen tegenaan loopt, ontbrak tot nu toe echter nog.
Oorzaken van uitval
In 2021 dienden Kamerleden Peter Kwint (SP) en Lisa Westerveld (GroenLinks) een motie in waarin ze de regering verzochten om te inventariseren wat er nodig is om een passend aanbod te creëren voor studenten met extra ondersteuningsbehoefte – zodanig dat zij wél in staat zijn een mbo-diploma te behalen.
Ingrado (branchevereniging voor leerplicht en rmc) pakte deze handschoen op en vroeg Regioplan om de oorzaken van voortijdig schoolverlaten van voormalige vso-leerlingen in het mbo in kaart te brengen.
Combinatie
Het onderzoek maakt onder meer duidelijk dat het vaak gaat om een combinatie van de volgende aspecten:
- Beschikt de vso-leerling over de vaardigheden om een mbo-opleiding succesvol af te kunnen ronden?
- Is de vso-leerling voldoende voorbereid op wat hem of haar te wachten staat in het mbo?
- Krijgt de vso-leerling een kans in het mbo?
- Beschikt het mbo over voldoende informatie over de nieuwe student?
- Zijn er voldoende mogelijkheden om de voormalige vso-leerling te ondersteunen in het mbo?
Wat kunnen we doen?
Tijdens ons onderzoek zagen we verschillende initiatieven die erop gericht zijn om vso-leerlingen te helpen bij de overstap. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende initiatieven om deze groep leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden bij de keuze voor een vervolgopleiding, zodat de leerlingen beter weten wat er van hen wordt verwacht in het mbo.
Ook troffen we verschillende vormen van coaching aan voor en tijdens de mbo-opleiding. Verschillende vso-scholen bieden – in samenwerking met het mbo – een mbo-opleiding aan in de beschermde omgeving van de vso-school voor leerlingen waarvoor de overstap naar het mbo (nog) te ambitieus is.
Presentatie
Op vrijdag 8 september presenteerde Regioplan-onderzoeker Jacob van der Wel het eindrapport tijdens een bijeenkomst op het ROC Amsterdam. Daarna volgde nog een paneldiscussie met onder meer de Kamerleden Kwint en Westerveld, drie ervaringsdeskundige studenten, en vertegenwoordigers van het mbo en het vso.
Het is belangrijk om de vso-leerlingen niet op voorhand af te schrijven, benadrukt Jacob. “Het klopt dat studenten met een vso-achtergrond vaker uitvallen en ook minder vaak een diploma halen. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat de meerderheid van de voormalige vso-leerlingen op mbo-niveau 3 en 4 uiteindelijk wél gewoon een diploma haalt. Hoewel de overstap van vso naar mbo veel vraagt van de studenten en de opleidingen, worden er dus wel degelijk ook successen geboekt. Laten we dat vooral als uitgangspunt nemen.”
Volgens Ingrado-bestuurder Corien van Starkenburg laat het rapport al met al zien dat er nog genoeg werk aan de winkel is. “De stip op de horizon is om alle studenten met een vso-achtergrond optimaal te begeleiden zodat zij een mbo-diploma kunnen behalen. Op deze manier bouwen we samen aan inclusief onderwijs.”
Voortijdig schoolverlaters aan het werk
In het schooljaar 2022-2023 hebben ruim 30.000 jongeren het onderwijs zonder startkwalificatie verlaten. De bulk van de uitval zit in het mbo. Een deel van de mbo-studenten is zonder diploma aan het werk gegaan. We noemen dit ook wel ‘groenpluk’. Hoe en wanneer deze uitvallers aan het werk zijn gekomen en of het vinden van een baan voor deze jongeren ook de reden was om met de opleiding te stoppen weten we echter niet. In opdracht van Ingrado gaan we in gesprek met jongeren om antwoord te krijgen op deze vragen.
Oriëntatietrajecten in het mbo
Niet alle mbo-studenten slagen er in om in één keer de opleiding te kiezen die het best bij hun past. Omdat een verkeerde studiekeuze een van de oorzaken is van uitval van studenten is het belangrijk dat aankomende studenten een bewuste en weloverwogen keuze maken voor het vervolg van hun loopbaan. Verschillende mbo-instellingen in de regio Utrecht bieden al oriëntatietrajecten aan. Voor MBO Samen zoeken we uit wat de werkende principes van deze programma’s zijn en of er behoefte is aan samenwerkingen op de terrein.
16 mei: Online Kenniskamer ‘Effectief regie voeren op complexe casuïstiek’!
Complexe casuïstiek vraagt om een intensieve vorm van regie. Die helpt om beter aan te sluiten bij het perspectief van cliënten en vanuit dat perspectief te komen tot passende en daadwerkelijk integrale hulp. Bovendien kan intensieve regie bijdragen aan meer motivatie voor hulp en een blijvende afstemming tussen verschillende trajecten in een casus.
In onze projecten zien we praktijkvoorbeelden van gemeenten waarin regie effectief wordt ingezet, en waar gezinnen daarmee op een duurzame manier worden geholpen. We zien echter ook gemeenten die nog worstelen met het vormgeven van regie op complexe casuïstiek, en waar vragen leven over hoe je regie zo vormgeeft, dat je de volledige potentie ervan benut.
Daarom organiseren wij op donderdag 16 mei van 10:00 tot 11:30 een online Regioplan Kenniskamer voor gemeenten die zich bezighouden met regie op complexe casuïstiek, of hier (verder) mee aan de slag willen. In deze kenniskamer nemen wij aanwezigen mee in de ‘good practices’ van het implementeren van regie. We gaan daarbij in op vragen en overwegingen die essentieel zijn voor gemeenten om met regie aan de slag te gaan, waaronder:
- Wat maakt regie effectief? Wat weten we over de werkende mechanismen, die maken dat regie effectief kan zijn?
- Wat voor regie en door wie?
Wat zijn de belangrijkste onderdelen van regie , hoe houden die verband met elkaar, en hoe verdeel je die taken over je mensen? - Op welke typen casuïstiek is een intensieve vorm van regie van meerwaarde?
- Wat is ‘intensieve’ regie eigenlijk?
- En wanneer zet je die in? Goede regie vraagt veel tijd, en flexibiliteit om die tijd effectief in te zetten. Om dit te doen in een context waarin tijd en mensen schaars zijn, moet je als gemeente keuzes maken. Maar op basis waarvan maak je die keuzes? Op welke typen casuïstiek is regie van meerwaarde en wát houdt die meerwaarde dan precies in?
- Hoe zorg je dat de regisseurs hun positie effectief kunnen pakken?
Een professional kan geen regie voeren als de omgeving niet meewerkt. Dat geldt voor zowel de gezinnen en de externe ketenpartners in het zorg- en veiligheidsdomein als interne afdelingen binnen de gemeente. Hoe creëer je een context waarin regie goed gedijt?
Deze vragen komen aan bod in deze Online Kenniskamer, maar daarnaast is deze bijeenkomst bedoeld om ook kennis en ervaringen uit te wisselen, zodat je als gemeenten met en van elkaar leert en wordt uitgedaagd om de volgende stappen te zetten met regie!
De online kenniskamer zal plaatsvinden op donderdag 16 mei van 10:00 tot 11:30 en vindt plaats via Microsoft Teams. De bijeenkomst wordt geleid door Katrien de Vaan en Niek van Ansem.
Interesse? Meld je dan nu aan door te mailen naar niek.van.ansem@regioplan.nl. Je ontvangt van ons dan een Teams-link!
Betere hulp aan gezinnen met complexe hulpvragen: onderzoeken, ontwikkelen en leren in Hoorn en West-Friesland
Bij gezinnen met complexe hulpvragen staat er veel op het spel. Zij hebben vaak problemen op meerdere levensdomeinen tegelijkertijd. In de praktijk komt het helaas nog te vaak voor dat deze gezinnen niet de hulp krijgen die ze nodig hebben. Daarom hebben de gemeente Hoorn en de regio West-Friesland ons gevraagd hen te ondersteunen in hun omgang met complexe casuïstiek. Wat begon met een verdiepend onderzoek naar complexe casuïstiek in Hoorn, heeft zich door de jaren heen uitgebreid naar andere activiteiten zoals het begeleiden van leertafels en een implementatietraject. Hieronder geven we een overzicht van de activiteiten en delen we enkele belangrijke inzichten.
Verdiepend onderzoek complexe casuïstiek
In de gemeente Hoorn zijn er relatief veel gezinnen waar meerdere problemen tegelijkertijd spelen. Voor deze problemen worden vaak langdurige en meerdere soorten zorg ingezet. Ondanks de inzet van hulpverleners en van cliënten zelf, heeft deze aanpak regelmatig nog niet het gewenste effect. Daarom hebben we een verdiepend onderzoek uitgevoerd om zicht te krijgen op verbetermogelijkheden voor het beantwoorden van complexe hulpvragen. Dat deden we door in gesprek te gaan met professionals en direct betrokkenen. Uit het onderzoek bleek onder andere dat gezinnen geholpen zijn bij een intensievere, meer systeemgerichte en domeinoverstijgende aanpak.
Beschrijven van de methodiek Proeftuin
Het stopt niet bij kennis over wat er beter kan. De volgende stap is om die kennis te benutten voor daadwerkelijke verandering. Dat gebeurt in een Proeftuin binnen het gebiedsteam Kersenboogerd. In de Proeftuin wordt een methodiek ontwikkeld waarin de eerdere inzichten een plek krijgen. In opdracht van gemeente Hoorn beschrijven we deze methodiek door aan te sluiten bij casusoverleggen en ontwerpsessies te houden met betrokkenen. Zo ontstaat een gedragen methodiekbeschrijving die meegroeit met de lessen die tijdens de pilot worden opgedaan.
Adviseren over gezinsgericht werken
In complexe casuïstiek is vaak sprake van jeugdbescherming, en omgekeerd: casussen waarin de jeugdbescherming betrokken raakt, zijn vrijwel altijd complex. Gezinsgericht werken is een manier van werken waar in dit kader veel van wordt verwacht. In de regio West-Friesland was echter onduidelijk wat precies verstaan moest worden onder gezinsgericht werken: de gemeenten in de regio leken daar iets anders onder te verstaan dan de gecertificeerde instellingen. Ons werd gevraagd duidelijkheid te brengen. Dat bleek alleen mogelijk door een vraagstuk op tafel te leggen dat onderliggend bleek aan de discussie over gezinsgericht werken: de samenwerking tussen lokale teams en partijen in de jeugdbeschermingsketen en ontevredenheid over die samenwerking. Samen met Chiel Peters van Hiemstra & De Vries hebben wij in samenspraak met de betrokken partijen uitgangspunten opgesteld voor de samenwerking tussen lokale teams en gecertificeerde instellingen; uitgangspunten waar bij de verdere richting Toekomstscenario op kan worden voortgebouwd. Het traject leidde bovendien tot belangrijke bijvangst over wat een effectieve jeugdbescherming in de weg staat en ondersteunt.
Leren over de samenwerking in complexe casussen
Tot slot zijn gezinnen gebaat bij hulpverleners die zichzelf en elkaar kritisch durven te bevragen en willen leren van ervaringen uit het verleden. De gemeente Hoorn vroeg ons daarom om een leerproces te begeleiden op basis van complexe casussen waarin de samenwerking en regie niet naar wens verliep. Dit kreeg vorm door drie leertafels en een zogenaamde ‘fishbowl sessie’. In de leertafels werd op de samenwerking en regie binnen een concrete casus gereflecteerd door de betrokken uitvoerende professionals. Vervolgens werden in een fisbowlsessie ook hun management/directie uitgenodigd om samen casusoverstijgend te onderzoeken welke oorzaken ten grondslag liggen aan de ervaren knelpunten en wat je hiervan kan leren naar de toekomst. Deelnemers gaven aan dat het waardevol is om op deze manier dat wat ‘onder water’ leeft omhoog te halen en onderwerp te maken van gesprek.
Meer weten?
Alles samengenomen ligt er een mooi proces dat met elke stap bijdraagt aan betere hulp aan gezinnen met complexe hulpvragen. Wil je meer weten over (een van) de genoemde stappen? Neem gerust contact op met Katrien de Vaan.
Evaluatie Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding
Doel van de Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding is om meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij een evaluatie van deze wet uit.
Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. Doel van de Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding is om te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Ook probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.
Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.
Borging van expertise
Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen van wie ouders in detentie verblijven.
Ook is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan zulke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in zulke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.
Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege de personeelstekorten en het hoge personeelsverloop waar ook GI’s mee te kampen hebben.
Het niet benoemen van een bijzondere curator
Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.
Conclusies
De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken.
Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken hoe en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over zijn of haar leven worden genomen.
Meer weten?
Download dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.
Evaluatie clausulering recht op omgang na partnerdoding
De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij samen met onderzoekers van Avans Hogeschool een evaluatie van deze wet uit.
Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Tevens probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.
Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.
Borging van expertise
Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen wiens ouders in detentie verblijven.
Tevens is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan dergelijke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in dergelijke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.
Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd, wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege personeelstekorten en het hoge personeelsverloop, waar ook GI’s mee te kampen hebben.
Het niet benoemen van een bijzondere curator
Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.
Conclusies
De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken. Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken op welke wijze en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over diens leven worden genomen.
Meer weten?
Download hieronder dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.
“Waarom doen mensen wat ze doen?”
Als beleidsonderzoeker bij Regioplan geniet Titus Scholten (die eerder dit jaar begon in ons team Mens & Samenleving) enorm van de vele gesprekken die hij in het kader van onze onderzoeken voert. “Juist doordat je met mensen in gesprek gaat, kun je als onderzoeker mooie concrete aanbevelingen doen waar mensen écht wat aan hebben.”
Waarom doen mensen wat ze doen? Wat zijn hun beweegredenen? Het zijn vragen die Titus altijd al bezighielden en die hem ertoe brachten om na de middelbare school Toegepaste Psychologie te gaan studeren. “Ik wist nog niet precies wat ik wilde gaan doen. Wél wist ik dat ik uiteindelijk naar de universiteit wilde, en die fascinatie voor menselijke gedrag was er dus al wel. Toegepaste Psychologie lag dus voor de hand.”
Na het behalen van zijn hbo-propedeuse stroomde Titus vervolgens in op de UvA bij Antropologie, vertelt hij. “Op de website stond dat ene zinnetje dat me al vaker had getriggerd, namelijk: ‘Waarom doen mensen wat ze doen?’. Toen wist ik: dit is een studie die waarschijnlijk goed bij me past.”
Jehova’s getuigen
Tijdens zijn studie richtte Titus zich met name op twee onderwerpen: de westerse wereld en religie. In zijn eindonderzoek kwamen die twee onderwerpen mooi samen, vertelt hij. “Voor dit onderzoek ben ik in de wereld van de Jehova’s getuigen gedoken, en dan met name in het verbod op het vieren van je verjaardag. Binnen het christendom vormen Jehova’s getuigen de enige denominatie die zo’n verbod kent, en dat gegeven fascineerde me meteen.”
“Ik kwam er al snel achter dat het verbod helemaal zo oud niet is – het stamt uit de jaren zestig van de vorige eeuw – en dat het vooral als doel heeft om de gemeenschap zo gesloten mogelijk te houden en te voorkomen dat gelovigen van het ‘ware pad’ afdwalen. Enorm interessant om daar dieper in te duiken.”
Taaislijmziekte
Titus lijdt aan taaislijmziekte. Die chronische aandoening heeft hem tijdens zijn periode als scholier en student regelmatig gehinderd in zijn doen en laten, maar dankzij nieuwe medicatie kan hij de laatste jaren steeds meer een ‘normaal’ leven leiden, vertelt hij. “Via Emma at Work – een organisatie die jongeren met een lichamelijke handicap of chronische ziekte ondersteunt in hun zoektocht naar werk – kwam ik in contact met Regioplan. Het klikte meteen goed, en dit voorjaar ben ik begonnen als beleidsonderzoeker binnen het team Mens & Samenleving.”
Jeugdzorg
In dit eerste halfjaar heeft Titus zich met name beziggehouden met twee onderzoeken naar nieuwe wet- en regelgeving in de jeugdzorg, vertelt hij. “Vanuit mijn eigen achtergrond weet ik hoe belangrijk het is dat kinderen veilig en onbezorgd kunnen opgroeien. In die zin is het sowieso een onderwerp dat me na aan het hart ligt.”
“Wat me is opgevallen is hoeveel verschillende partijen er wel niet betrokken zijn bij de jeugdzorg. Het is een enorm complex systeem, en die bureaucratie zorgt er soms voor dat het lang kan duren voordat de juiste hulp op gang komt; bijvoorbeeld in het geval van huiselijk geweld en kindermishandeling. Dat leidt soms tot schrijnende situaties. Gelukkig zijn er met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming nu goede ideeën om dat op te lossen.”
Gesprekken voeren
Het meest geniet Titus van het voeren van gesprekken met mensen. “Beleidsonderzoek kent een grote kwantitatieve component – het is ook gewoon enorm interessant om in de harde data en cijfers te duiken –, maar uiteindelijk haal ik de meeste voldoening uit de interviews die ik houd met mensen over hun ervaringen.”
“Dat geldt ook voor een ander onderzoek dat we eerder dit jaar uitvoerden in opdracht van het College voor de Rechten van de Mens. Dat onderzoek richtte zich op mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking die ook op andere vlakken op achterstand staan, bijvoorbeeld omdat ze een migratieachtergrond hebben. Hoe ziet de leefwereld van deze mensen eruit? En: wat kan daarin verbeterd worden? Ook voor dit onderzoek heb ik veel interessante interviews afgenomen. Juist doordat je echt met mensen praat, kun je als onderzoeker – op basis van wat je allemaal hoort – mooie concrete aanbevelingen doen waar mensen écht wat aan kunnen hebben.”
Perfecte combinatie
Ten slotte werkte Titus – die in zijn vrije tijd een fanatiek schaker is – mee aan een onderzoek rondom de succesvolle arbeidsparticipatie van Oekraïense vluchtelingen. Welke lessen kunnen we daaruit trekken? Allemaal boeiende onderzoeken, vertelt Titus. “Ik ben erg blij dat ik interessant werk heb gevonden bij mij ‘om de hoek’, in een bedrijf met leuke collega’s. Mijn fascinatie voor menselijk gedrag kan ik hier perfect combineren met het verbeteren van beleid.”