Werkveld: Zorg
Gendersensitief werken bij de aanpak van geweld: een bundeling van kennis en praktische tools
Op 5 september 2024 publiceerde het College voor de Rechten van de Mens (CRM), in samenwerking met Avans, een bundeling van kennis en praktische tools op het gebied van gendersensitief werken bij de aanpak van geweld in de privésfeer.
Een effectieve aanpak van geweld in de privésfeer vereist aandacht voor gender: aandacht voor de rollen en verwachtingen die we in de maatschappij verbinden aan het biologische, binaire man/vrouw-onderscheid. Avans en het CRM brachten de vele verschillende publicaties hierover samen in een handzaam overzicht dat een must is voor iedereen die zich met deze thematiek bezig houdt! Tot dit overzicht behoren ook diverse van onze eigen onderzoeken en handreikingen!
“Als beleidsonderzoeker hoor je enorm veel verschillende verhalen”
Als beleidsonderzoeker bij Regioplan heeft Marjon Tijl een andere rol dan in haar jaren als beleidsadviseur bij de gemeente. Een rol die tot nu toe goed bevalt, vertelt ze. “Als beleidsonderzoeker merk je pas echt hoeveel verschillende perspectieven er bestaan.”
Maatschappelijke betrokkenheid en iets willen doen voor de kwetsbaren in de samenleving: het loopt als een rode draad door de loopbaan van Marjon Tijl. Na haar opleiding hbo-v werkte ze kortstondig als verpleegkundige, maar al snel besloot ze het over een andere boeg te gooien en sociologie te gaan studeren.
Vrouwenorganisaties
Via een stage kwam ze terecht bij een landelijke koepel van vrouwenorganisaties, vertelt ze. “Daar hielden we ons vooral bezig met de thema’s arbeid en zorg. Zo was de economische zelfstandigheid van vrouwen een belangrijk onderwerp. Vanuit de koepel ondersteunden we de aangesloten vrouwenorganisaties en voerden we bijvoorbeeld ook lobby in Den Haag. Dat was enorm leuk om te doen, maar op een gegeven moment vroeg ik me wel af hoe het zou zijn om een keer aan de andere kant van de tafel te zitten. Hoe zou ik als beleidsmaker het verschil kunnen maken?”
Hectische omgeving
Vanuit die nieuwsgierigheid belandde Marjon uiteindelijk als beleidsadviseur bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Haarlem. Bij die gemeente zou ze uiteindelijk 21 jaar lang op verschillende afdelingen werken. “De laatste jaren bij de gemeente heb ik me met name beziggehouden met zorg en welzijn en met de gemeentelijke ondersteuning op dit vlak. Erg interessant, al begon ik op een gegeven moment wel het zelf doen van onderzoek te missen.”
Het werken bij een gemeente is enorm interessant, benadrukt Marjon. “Maar: het is ook een heel dynamische omgeving, waarbinnen maatschappelijke en politieke ontwikkelingen voortdurend zorgen voor een bepaalde hectiek. Dat maakt het soms lastig om eens écht goed stil te staan bij bepaalde ontwikkelingen. Wat is er nou eigenlijk precies aan de hand? En werkt wat we bedenken ook echt? Die reflectie, die ruimte om wat meer de diepte in te gaan: die begon ik steeds meer te missen.”
Betere fundering
Via haar netwerk kwam Marjon op het spoor van beleidsonderzoek en belandde ze afgelopen november bij Regioplan. Als onderzoeker binnen ons team Zorg & Veiligheid is ze onder meer betrokken bij een onderzoek voor de gemeente Voorschoten naar de vraag hoe de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van welzijn is georganiseerd. Qua thematiek ligt het werk als beleidsonderzoeker bij Regioplan dicht bij haar eerdere werk als beleidsadviseur, beaamt ze. “Maar het is erg leuk om nu wederom een keer vanuit een andere rol betrokken te zijn. Door te onderzoeken, reflecteren en onderbouwen dragen we bij aan een betere fundering van wat er in de praktijk gebeurt.”
Lelylijn
Een ander onderzoek waar Marjon bij betrokken is richt zich op de maatschappelijke impact die de mogelijke aanleg van de zogenoemde Lelylijn – een snelle treinverbinding tussen Lelystad en Groningen – zou hebben op de Noordoostpolder. “De gemeente Emmeloord wil graag weten wat de aanleg van deze spoorverbinding zou betekenen voor Emmeloord zelf en voor de omliggende dorpen. Ook weer een erg interessant onderzoek! De Noordoostpolder – die in de jaren veertig werd drooggelegd – kent natuurlijk een geheel eigen ontstaansgeschiedenis; het is van oudsher een ondernemende en pionierende regio, en dat maakt deze streek wel echt anders dan veel andere plekken in Nederland. Erg interessant om daar dieper in te duiken.”
Verschillende perspectieven
Als beleidsonderzoeker merkt Marjon hoeveel verschillende perspectieven er bestaan en hoe dat het beeld van de werkelijkheid van betrokkenen bepaalt. “Als beleidsmaker ben je je misschien toch wat minder bewust van de positie van waaruit mensen bepaalde dingen doen en betrokken zijn bij een onderwerp. Als beleidsonderzoeker hoor je vaak juist enorm veel verschillende verhalen, vanuit verschillende rollen. Het is dan de kunst om goed recht te doen aan al die verschillende perspectieven. En dat dan zó, dat het iets oplevert waar de opdrachtgever ook wat mee kan – óók als de uitkomst indruist tegen wat die verwacht.”
Platte organisatie
Al met al een andere dynamiek dan het werken als beleidsmaker bij een gemeente, benadrukt Marjon. Een ander verschil is de omvang van de organisatie, vertelt ze. “Het is erg leuk om eens in een kleine organisatie met ongeveer veertig bevlogen collega’s te werken, in plaats van in een gemeentelijke organisatie met zo’n 1.200 mensen. Regioplan is een enorm platte organisatie; dat de vier directeuren zelf nauw betrokken zijn bij het dagelijkse onderzoekswerk, spreekt wat dat betreft boekdelen.”
Bijen houden
Marjons maatschappelijke betrokkenheid komt ook terug in een van haar hobby’s: het houden van bijen. “Bijen zijn enorm belangrijk voor de biodiversiteit en voor onze voedselvoorziening, maar de bijenstand kachelt al jaren achteruit. Als hobby-imker houd ik een paar bijenvolken. Dat is niet alleen nuttig, het is ook gewoon enorm leuk om te doen. Waar die fascinatie voor bijen vandaan komt? Mijn vader, opa en tante waren alle drie hobby-imker, dus het zit vast in de genen. Als ik nu zelf met mijn bijen bezig ben en die typische geur van honing ruik, ben ik weer even terug in het oude schuurtje van mijn opa. Heerlijk!”
Evaluatie Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding
Doel van de Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding is om meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij een evaluatie van deze wet uit.
Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. Doel van de Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding is om te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Ook probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.
Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.
Borging van expertise
Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen van wie ouders in detentie verblijven.
Ook is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan zulke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in zulke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.
Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege de personeelstekorten en het hoge personeelsverloop waar ook GI’s mee te kampen hebben.
Het niet benoemen van een bijzondere curator
Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.
Conclusies
De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken.
Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken hoe en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over zijn of haar leven worden genomen.
Meer weten?
Download dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.
Evaluatie clausulering recht op omgang na partnerdoding
De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij samen met onderzoekers van Avans Hogeschool een evaluatie van deze wet uit.
Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Tevens probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.
Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.
Borging van expertise
Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen wiens ouders in detentie verblijven.
Tevens is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan dergelijke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in dergelijke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.
Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd, wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege personeelstekorten en het hoge personeelsverloop, waar ook GI’s mee te kampen hebben.
Het niet benoemen van een bijzondere curator
Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.
Conclusies
De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken. Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken op welke wijze en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over diens leven worden genomen.
Meer weten?
Download hieronder dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.
Coco Bastiaansen MSc
Ik krijg energie van verdieping in sociaal maatschappelijke vraagstukken en de rol van beleid hierin. Beleid is bedoeld om richting te geven en bij te dragen aan het optimaal functioneren van de samenleving en heeft daarmee effect op het welzijn van de mensen binnen deze samenleving. Als Socioloog met praktijkervaring binnen de maatschappelijke hulpverlening bekijk ik beleidsvraagstukken door twee brillen: zowel vanuit de maatschappelijke- als de beleidscontext. Bij Regioplan ben ik werkzaam als medior onderzoeker binnen het team Zorg & Veiligheid en hou ik me bezig met verscheidene onderwerp binnen dit domein.
“Beleidsmakers, ga nou eens écht kijken in de samenleving”
Waarom werkt bepaald beleid – bijvoorbeeld op het gebied van armoede – wél, en ander beleid juist weer helemaal níet? Het is een vraag die Coco Bastiaansen (die deze zomer begon als onderzoeker in ons team Zorg & Veiligheid) al tijden bezighoudt.
Tijdens haar studie Sociaalpedagogische Hulpverlening raakte Coco Bastiaansen gefascineerd door de kloof die er soms gaapt tussen de wereld van beleid aan de ene, en de praktijk van alledag aan de andere kant. “Na een stage bij de gemeente Rotterdam ben ik in die stad aan de slag gegaan als maatschappelijk werker. In die rol kwam ik over de vloer bij gezinnen in achterstandswijken die kampten met schulden. Daar zag ik met eigen ogen hoe groot de invloed van beleid vaak is. Beleid kan een oplossing bieden voor de problemen van mensen, maar het kan ook echt de plank misslaan.”
Geen goed beeld
“Een voorbeeld? In veel gemeenten kunnen mensen met een laag inkomen vaak gratis of met korting allerlei leuke dingen kunnen doen. Maar de brief waarmee mensen daarvan op de hoogte worden gesteld, is vaak enorm ingewikkeld – met als gevolg dat een groot deel van de doelgroep zo’n pas nooit aanvraagt.”
Beleidsmedewerkers en maatschappelijk werkers hebben vaak simpelweg geen goed beeld van de belevingswereld van hun doelgroep, merkte Coco. “Als jij zelf niet arm bent, is het gewoon enorm lastig om te snappen hoe het is voor mensen om in armoede te leven. Beleidsmakers zou ik dus vooral willen aanraden om erop uit te gaan en nou eens écht te gaan kijken in de samenleving en te praten met de mensen waarvoor het beleid gemaakt wordt.”
Generatiearmoede
Coco raakte door haar werk steeds meer gefascineerd door de vraag waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen in een samenleving en welke factoren daarbij meespelen. “Daarom ben ik nog verder gaan studeren, om te beginnen in Tilburg waar ik een premaster Sociologie heb gedaan. Daarna heb ik een jaar de master Social Research gedaan in Trento in Italië, en in Tilburg nog de master Sociologie. In dezelfde stad heb ik vervolgens nog een tijdje gewerkt als junior onderzoeker bij Tranzo – een wetenschappelijk centrum voor zorg en welzijn – en bij de afdeling cognitieve neuropsychologie van de universiteit.”
Vooral in die laatste functie kwamen Coco’s eerdere ervaringen vanuit haar studie Sociaalpedagogische Hulpverlening en in de Rotterdamse praktijk goed van pas, vertelt ze. “Een onderzoek waar ik me vooral mee bezig heb gehouden ging over de aanpak van generatiearmoede. Wat voor invloed heeft armoede op de werking van de hersenen? En hoe kunnen het gemeentelijk beleid en de manier van hulpverlening hierop aangepast worden zodat het bijdraagt aan het welzijn van de mensen? Enorm interessant.”
Korte vs. lange termijn
Het is al uit meerdere onderzoeken gebleken dat de hersenen anders werken wanneer mensen schaarste, zoals armoede, ervaren, vertelt Coco. “Mensen die in armoede leven, zijn vooral gericht op de korte termijn en zijn daardoor ook minder goed in staat om op de lange termijn te denken. Bij beleidsmakers ontbreekt dit soort kennis vaak, waardoor er een mismatch ontstaat tussen het beleid aan de ene, en de belevingswereld van de doelgroep aan de andere kant.”
Twee brillen
Coco werkte nog een tijdje bij de gemeente Den Haag en bij een beleidsonderzoeksbureau in Breda, om uiteindelijk terecht te komen bij Regioplan als medior onderzoeker in het team Zorg & Veiligheid. “Beleidsonderzoek vind ik razend interessant. Op dit moment houd ik me binnen ons team bezig met een onderzoek naar de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Een onderwerp dat nieuw voor me is, maar dat ik wel enorm interessant vind. Leuk om me daar in te verdiepen.”
Als beleidsonderzoeker komt Coco’s praktijkervaring sowieso goed van pas, denkt ze. “Uiteindelijk gaat het er simpelweg om dat beleid datgene doet waarvoor het bedoeld is. Dat klinkt heel eenvoudig, maar ik heb met eigen ogen gezien hoe lastig dat kan zijn. Daardoor kan ik goed door twee brillen naar beleid kijken, en die ervaring breng ik graag mee naar Regioplan.”
Onderzoek naar uitvoering van verslavingszorg in Enschede
Voor de rekenkamer van de gemeente Enschede voerden wij een onderzoek uit naar de uitvoering van de verslavingszorg in Enschede en regiogemeenten. Doel van het onderzoek was om inzichtelijker te maken uit welke activiteiten die verslavingszorg precies bestaat en wat de ingezette (financiële) middelen en behaalde doelen per activiteit zijn.In de regio Enschede gaat er relatief veel geld van de gemeentelijke begroting naar verslavingszorg, terwijl het tegelijkertijd niet strikt is afgebakend welke activiteiten allemaal onder verslavingszorg vallen. Voor dit onderzoek hebben we samengewerkt met onderzoeksbureau Cebeon.
Inhoud van het onderzoek
Het onderzoek omvat verscheidene facetten van de zorgactiviteiten van Tactus, de hoofdaanbieder van verslavingszorg in de regio Enschede, zoals preventie, bemoeizorg, dagopvang, beschermd wonen en ambulante zorg. Om scherp te krijgen hoe deze activiteiten precies behoren bij te dragen aan het tegengaan van verslavingsproblematiek, hebben we gesproken met beleidsmakers, personeel en cliënten van Tactus en diverse ketenpartners. Tegelijkertijd is er door Cebeon een financiële analyse uitgevoerd van de uitgaven van de gemeente Enschede aan de verschillende activiteiten, waarbij ook de verantwoordingsinformatie van Tactus is meegenomen. Daarbij is een vergelijking gemaakt met drie andere gemeenten, om de uitkomsten in een breder perspectief te plaatsen.
Conclusies en aanbevelingen
Hoewel uit het onderzoek bleek dat Tactus ruimschoots voldoet aan de randvoorwaarden voor effectief verslavingsbeleid, kunnen op basis van het onderzoek geen harde uitspraken gedaan worden over effectiviteit en efficiëntie van de verslavingszorg. De verantwoordingsinformatie van Tactus bevat namelijk weinig gegevens over de (lange termijn-) resultaten van de diverse trajecten. Deels komt dit doordat resultaten soms moeilijk meetbaar te maken zijn, zoals bij verslavingspreventie. Een andere oorzaak is echter dat de gemeente Enschede geen heldere indicatoren hanteert voor een effectmeting, zoals cijfers over terugval van (ex-) cliënten, waarover Tactus vervolgens zou kunnen verantwoorden. Een belangrijke aanbeveling uit het onderzoek was daarom om dergelijke indicatoren in de toekomst concreter te maken, zodat de gemeente meer inzicht heeft en beter bij kan sturen in de uitgaven en opbrengsten van de verslavingszorg.
Meer weten over dit onderzoek?
Download hieronder het eindrapport of neem contact op met Niek of Katrien.
Nieuw project: implementatie verplichte Beschermingscode HGKM op de BES-eilanden
In opdracht van de Directie Zorg en Jeugd Caribisch Nederland van het Ministerie van VWS gaat Regioplan de openbare lichamen op de drie BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) ondersteunen bij het implementeren van de verplichte Beschermingscode Huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM). Professionals bij organisaties in de sectoren zorg, welzijn, justitie en onderwijs worden door te werken met deze code beter in staat gesteld om huiselijk geweld en kindermishandeling te voorkomen, tijdig te signaleren en (mogelijke) slachtoffers beter te beschermen.
De Beschermingscode HGKM is de BES-variant van de Meldcode HGKM, zoals die geldt voor professionals in bovengenoemde sectoren in Nederland. In 2019, 2020 en 2021 hebben wij in Nederland bijgedragen aan de implementatie van de verbeterde Meldcode door in het hele land trainingen te organiseren voor professionals in de meldcodeplichtige beroepsgroepen.
Beoogde resultaten
Die ervaring nemen we mee naar de BES-eilanden, waar we tot eind december 2024 gaan toewerken naar de volgende beoogde resultaten:
• alle Beschermingscode-plichtige organisaties op de drie BES-eilanden en professionals zijn bekend met de Beschermingscode;
• alle Beschermingscode-plichtige organisaties op de drie BES-eilanden zijn in staat om deze code structureel toe te voegen aan hun kernactiviteiten en vervolgens hun medewerkers te faciliteren en te ondersteunen om conform de Beschermcode te handelen als de situatie daar om vraagt;
• de medewerkers van de Beschermingscode-plichtige organisaties (zo’n 2.000 professionals) zijn in staat om in de praktijk te handelen conform de Beschermingscode en kunnen leren van hun ervaringen om het handelen conform de Beschermingscode waar nodig te verbeteren;
• de inwoners van de drie BES-eilanden die gebruikmaken van de diensten van de Beschermingscode-plichtige organisaties hebben kennis kunnen nemen van de Beschermingscode, begrijpen deze code, zien de meerwaarde ervan in, en accepteren dat de code in de praktijk wordt toegepast als dat nodig is.
Meer weten?
Voor meer informatie over dit project kun je contact opnemen met Katrien de Vaan of Romy van den Dungen.
Opbrengsten van de Expertpool Ouderenmishandeling
Vandaag (15 juni) is de Internationale Dag tegen Ouderenmishandeling. Wereldwijd wordt er vandaag aandacht gevraagd voor geweld tegen ouderen, zoals lichamelijk geweld, emotionele mishandeling of financieel misbruik. Het effectief tegengaan van ouderenmishandeling is een vraagstuk waar veel Nederlandse gemeenten nog mee worstelen. Regioplan beheert en coördineert daarom sinds begin vorig jaar een Expertpool Ouderenmishandeling, die gemeenten kan ondersteunen bij vraagstukken rondom het ontwikkelen van een eigen lokale aanpak op dit thema.
Bijeenkomst Expertpool Ouderenmishandeling
Op maandag 12 juni organiseerde Regioplan een bijeenkomst die in het teken stond van de resultaten die het afgelopen anderhalf jaar met ondersteuning van de Expertpool zijn bereikt. Naast de 24 gemeenten die gebruik hebben gemaakt van de Expertpool waren daarbij ook afgevaardigden vanuit andere gemeenten welkom. In vier presentaties kwamen experts en gemeenten aan het woord om toe te lichten wat ze de afgelopen maanden samen hebben bereikt.
Samen bouwen aan een visie op een lokale aanpak van ouderenmishandeling
Bij het tot stand brengen van een gedegen gemeentelijke aanpak van ouderenmishandeling is het allereerst belangrijk om als gemeente draagvlak te creëren bij de organisaties waar je mee samenwerkt, zoals thuiszorgorganisaties en Veilig Thuis. De ervaring leert daarbij dat het kan helpen om met een beperkt aantal gemotiveerde partners te beginnen aan de hand van een specifiek thema, en vervolgens daarop verder te bouwen aan een meer alomvattende aanpak van ouderenmishandeling. Zo kwam in de presentaties een gemeente aan het woord die gestart was met het ontwikkelen van een aanpak aan de hand van het thema ‘ontspoorde mantelzorg’, en hield een andere gemeente zich bezig met het opzetten van een Lokale Alliantie tegen financieel misbruik. Daardoor ging bij deze gemeenten het thema van ouderenmishandeling voor de betrokken partners meer leven, wat weer een goede basis schept voor verdere samenwerking.
Bewustwordingscampagnes en deskundigheidsbevordering
Dat het draagvlak voor een lokale aanpak van ouderenmishandeling geen vanzelfsprekendheid is, komt onder andere doordat ouderenmishandeling lang niet altijd een zichtbaar fenomeen is. Het gaat veelal nog om ‘verborgen leed’. Dit was ook het uitgangspunt van een bewustwordingscampagne die is ontwikkeld door een van de aanwezige G4-gemeenten. Deze campagne had als doel om professionals én burgers bewuster te maken van de vele verschillende vormen van ouderenmishandeling en hoe die zich kunnen openbaren. Het herkennen van de signalen van ouderenmishandeling stond ook centraal in de training die in een van de presenterende gemeenten aan zorgprofessionals werd aangeboden. Om zorgen over (mogelijke) ouderenmishandeling scherper te krijgen en daar goed naar te kunnen handelen, is het in alle gevallen belangrijk hierover al bij de eerste signalen in gesprek te gaan – zowel als slachtoffer, professional en als bezorgde burger.
Reacties van gemeenten
Ook gemeenten die zelf nog niet bezig zijn met een lokale aanpak ouderenmishandeling gaven na de bijeenkomst aan veel inspiratie uit de presentaties te halen. Zo waren verschillende gemeenten geïnteresseerd in de mogelijkheid om zelf een bewustwordingscampagne op te zetten. Daarnaast stimuleerden de voorbeelden in de presentaties gemeenten om het tegengaan van ouderenmishandeling effectiever op de agenda te zetten.
Verder lezen over ouderenmishandeling?
Neem dan eens een kijkje in:
• het lokaal plan van aanpak Roosendaal.
• de risicoprofielen voor slachtoffers van ouderenmishandeling.
• het Actieplan Ontspoorde Mantelzorg.
• het onderzoek Lokale Allianties.
Bekijk ook het verslag van de slotconferentie Expertpool Ouderenmishandeling.
Doorleren LVB Pro/Vso
Hoe kunnen jongeren met een licht verstandelijke beperking, afkomstig uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, door blijven leren of zich blijven ontwikkelen? De directies Langdurige Zorg en Maatschappelijke Ondersteuning van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben ons gevraagd een onderzoek uit te voeren dat meer inzicht geeft in de mogelijkheden die jongeren met een LVB hebben om door te leren en/of zich te blijven ontwikkelen.
Doelstelling en deelvragen
In de afgelopen paar jaar komt uit diverse onderzoeken naar voren dat mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) (nog) niet altijd voldoende mogelijkheden hebben om zich door te ontwikkelen in onderwijs, dagbesteding of werk. Het doel van dit onderzoek is om knelpunten en werkzame elementen in de (door)ontwikkeling van jongeren met een LVB bloot te leggen en aan de hand daarvan verbeterpunten te bieden voor toekomstig beleid. In het onderzoek staat de volgende onderzoeksvraag centraal:
Hoe kunnen jongeren met een licht verstandelijke beperking, afkomstig uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, door blijven leren of zich blijven ontwikkelen?
Om dit verder te specificeren, zijn de volgende deelvragen geformuleerd:
- Wat zijn de ervaren knelpunten door mensen met een licht verstandelijke beperking (afkomstig van praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs), de uitstroompartij en de ontvangende partij om door te kunnen leren vanaf dagbesteding, (beschut) werk of onderwijs?
- Wat zijn randvoorwaarden, werkzame elementen of succesfactoren, zodat mensen met een licht verstandelijke beperking die dat willen kunnen doorleren vanuit dagbesteding, (beschut) werk of onderwijs?
- Welke goede voorbeelden zijn er en wat kunnen we daarvan leren?
Aanpak
Bestaande kennis in beeld brengen
Om een goed beeld te krijgen van de ontwikkelroutes van jongeren met een LVB hebben we bestaande bronnen geraadpleegd. Het gaat hierbij om kennis over de belangrijkste knelpunten en werkzame elementen om te komen tot ontwikkeling in de vervolgroutes. Aanvullend bestudeerden we ook de beschikbare cijfers over de doelgroep en bronnen die vanuit de begeleidingscommissie van dit onderzoek met ons zijn gedeeld.
Drie voorbeeldregio’s selecteren en werkwijze in kaart brengen
We hebben ervoor gekozen om drie voorbeeldregio’s te selecteren en deze verder te verdiepen. De regio’s zijn geselecteerd op basis van de voorzieningen en/of activiteiten die worden georganiseerd rondom de ondersteuning bij het doorleren en -ontwikkelen van jongeren met een LVB. De volgende regio’s zijn geselecteerd:
- Zaandam, waar een integrale aanpak rondom jongeren is. Alle budgetten worden gebundeld, zodat er geen jongeren ‘tussen wal en schip vallen’.
- Arnhem, waar een nauwe samenwerking is tussen de pro, vso en de gemeente.
- Nijmegen, waar een heel nauw netwerk is met werkgevers in de regio. Hierdoor zijn ze goed in staat om jongeren op een passende plek te krijgen voor (beschut) werk of arbeidsgerichte dagbesteding.
Verdiepende gesprekken met jongeren en professionals
In de verdiepingsfase hebben we ons gericht op het uitwerken van de loopbanen van jongeren met een LVB zowel in de geselecteerde voorbeeldregio’s als daarbuiten. We hebben verdiepende gesprekken gevoerd met de jongeren en de betrokken professionals rondom de jongeren om inzicht te krijgen in hun persoonlijke knelpunten en successen.
Reflectiesessie
We hebben de verdiepingsfase afgesloten met een reflectiesessie met de begeleidingscommissie ter toetsing en reflectie op de belangrijkste knelpunten, werkzame elementen en benodigde randvoorwaarden in de diverse ontwikkelroutes voor personen met een LVB.
Bevindingen
Lees het onderzoeksrapport en de factsheet voor een overzicht van de belangrijkste bevindingen die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek. Meer weten? Neem contact op met Suna Duysak.