Werkveld: Zorg
Evaluatie Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding
Doel van de Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding is om meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij een evaluatie van deze wet uit.
Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. Doel van de Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding is om te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Ook probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.
Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.
Borging van expertise
Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen van wie ouders in detentie verblijven.
Ook is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan zulke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in zulke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.
Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege de personeelstekorten en het hoge personeelsverloop waar ook GI’s mee te kampen hebben.
Het niet benoemen van een bijzondere curator
Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.
Conclusies
De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken.
Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken hoe en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over zijn of haar leven worden genomen.
Meer weten?
Download dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.
Evaluatie clausulering recht op omgang na partnerdoding
De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij samen met onderzoekers van Avans Hogeschool een evaluatie van deze wet uit.
Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Tevens probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.
Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.
Borging van expertise
Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen wiens ouders in detentie verblijven.
Tevens is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan dergelijke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in dergelijke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.
Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd, wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege personeelstekorten en het hoge personeelsverloop, waar ook GI’s mee te kampen hebben.
Het niet benoemen van een bijzondere curator
Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.
Conclusies
De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken. Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken op welke wijze en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over diens leven worden genomen.
Meer weten?
Download hieronder dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.
Coco Bastiaansen MSc
Ik krijg energie van verdieping in sociaal maatschappelijke vraagstukken en de rol van beleid hierin. Beleid is bedoeld om richting te geven en bij te dragen aan het optimaal functioneren van de samenleving en heeft daarmee effect op het welzijn van de mensen binnen deze samenleving. Als Socioloog met praktijkervaring binnen de maatschappelijke hulpverlening bekijk ik beleidsvraagstukken door twee brillen: zowel vanuit de maatschappelijke- als de beleidscontext. Bij Regioplan ben ik werkzaam als medior onderzoeker binnen het team Zorg & Veiligheid en hou ik me bezig met verscheidene onderwerp binnen dit domein.
“Beleidsmakers, ga nou eens écht kijken in de samenleving”
Waarom werkt bepaald beleid – bijvoorbeeld op het gebied van armoede – wél, en ander beleid juist weer helemaal níet? Het is een vraag die Coco Bastiaansen (die deze zomer begon als onderzoeker in ons team Zorg & Veiligheid) al tijden bezighoudt.
Tijdens haar studie Sociaalpedagogische Hulpverlening raakte Coco Bastiaansen gefascineerd door de kloof die er soms gaapt tussen de wereld van beleid aan de ene, en de praktijk van alledag aan de andere kant. “Na een stage bij de gemeente Rotterdam ben ik in die stad aan de slag gegaan als maatschappelijk werker. In die rol kwam ik over de vloer bij gezinnen in achterstandswijken die kampten met schulden. Daar zag ik met eigen ogen hoe groot de invloed van beleid vaak is. Beleid kan een oplossing bieden voor de problemen van mensen, maar het kan ook echt de plank misslaan.”
Geen goed beeld
“Een voorbeeld? In veel gemeenten kunnen mensen met een laag inkomen vaak gratis of met korting allerlei leuke dingen kunnen doen. Maar de brief waarmee mensen daarvan op de hoogte worden gesteld, is vaak enorm ingewikkeld – met als gevolg dat een groot deel van de doelgroep zo’n pas nooit aanvraagt.”
Beleidsmedewerkers en maatschappelijk werkers hebben vaak simpelweg geen goed beeld van de belevingswereld van hun doelgroep, merkte Coco. “Als jij zelf niet arm bent, is het gewoon enorm lastig om te snappen hoe het is voor mensen om in armoede te leven. Beleidsmakers zou ik dus vooral willen aanraden om erop uit te gaan en nou eens écht te gaan kijken in de samenleving en te praten met de mensen waarvoor het beleid gemaakt wordt.”
Generatiearmoede
Coco raakte door haar werk steeds meer gefascineerd door de vraag waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen in een samenleving en welke factoren daarbij meespelen. “Daarom ben ik nog verder gaan studeren, om te beginnen in Tilburg waar ik een premaster Sociologie heb gedaan. Daarna heb ik een jaar de master Social Research gedaan in Trento in Italië, en in Tilburg nog de master Sociologie. In dezelfde stad heb ik vervolgens nog een tijdje gewerkt als junior onderzoeker bij Tranzo – een wetenschappelijk centrum voor zorg en welzijn – en bij de afdeling cognitieve neuropsychologie van de universiteit.”
Vooral in die laatste functie kwamen Coco’s eerdere ervaringen vanuit haar studie Sociaalpedagogische Hulpverlening en in de Rotterdamse praktijk goed van pas, vertelt ze. “Een onderzoek waar ik me vooral mee bezig heb gehouden ging over de aanpak van generatiearmoede. Wat voor invloed heeft armoede op de werking van de hersenen? En hoe kunnen het gemeentelijk beleid en de manier van hulpverlening hierop aangepast worden zodat het bijdraagt aan het welzijn van de mensen? Enorm interessant.”
Korte vs. lange termijn
Het is al uit meerdere onderzoeken gebleken dat de hersenen anders werken wanneer mensen schaarste, zoals armoede, ervaren, vertelt Coco. “Mensen die in armoede leven, zijn vooral gericht op de korte termijn en zijn daardoor ook minder goed in staat om op de lange termijn te denken. Bij beleidsmakers ontbreekt dit soort kennis vaak, waardoor er een mismatch ontstaat tussen het beleid aan de ene, en de belevingswereld van de doelgroep aan de andere kant.”
Twee brillen
Coco werkte nog een tijdje bij de gemeente Den Haag en bij een beleidsonderzoeksbureau in Breda, om uiteindelijk terecht te komen bij Regioplan als medior onderzoeker in het team Zorg & Veiligheid. “Beleidsonderzoek vind ik razend interessant. Op dit moment houd ik me binnen ons team bezig met een onderzoek naar de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Een onderwerp dat nieuw voor me is, maar dat ik wel enorm interessant vind. Leuk om me daar in te verdiepen.”
Als beleidsonderzoeker komt Coco’s praktijkervaring sowieso goed van pas, denkt ze. “Uiteindelijk gaat het er simpelweg om dat beleid datgene doet waarvoor het bedoeld is. Dat klinkt heel eenvoudig, maar ik heb met eigen ogen gezien hoe lastig dat kan zijn. Daardoor kan ik goed door twee brillen naar beleid kijken, en die ervaring breng ik graag mee naar Regioplan.”
Onderzoek naar uitvoering van verslavingszorg in Enschede
Voor de rekenkamer van de gemeente Enschede voerden wij een onderzoek uit naar de uitvoering van de verslavingszorg in Enschede en regiogemeenten. Doel van het onderzoek was om inzichtelijker te maken uit welke activiteiten die verslavingszorg precies bestaat en wat de ingezette (financiële) middelen en behaalde doelen per activiteit zijn.In de regio Enschede gaat er relatief veel geld van de gemeentelijke begroting naar verslavingszorg, terwijl het tegelijkertijd niet strikt is afgebakend welke activiteiten allemaal onder verslavingszorg vallen. Voor dit onderzoek hebben we samengewerkt met onderzoeksbureau Cebeon.
Inhoud van het onderzoek
Het onderzoek omvat verscheidene facetten van de zorgactiviteiten van Tactus, de hoofdaanbieder van verslavingszorg in de regio Enschede, zoals preventie, bemoeizorg, dagopvang, beschermd wonen en ambulante zorg. Om scherp te krijgen hoe deze activiteiten precies behoren bij te dragen aan het tegengaan van verslavingsproblematiek, hebben we gesproken met beleidsmakers, personeel en cliënten van Tactus en diverse ketenpartners. Tegelijkertijd is er door Cebeon een financiële analyse uitgevoerd van de uitgaven van de gemeente Enschede aan de verschillende activiteiten, waarbij ook de verantwoordingsinformatie van Tactus is meegenomen. Daarbij is een vergelijking gemaakt met drie andere gemeenten, om de uitkomsten in een breder perspectief te plaatsen.
Conclusies en aanbevelingen
Hoewel uit het onderzoek bleek dat Tactus ruimschoots voldoet aan de randvoorwaarden voor effectief verslavingsbeleid, kunnen op basis van het onderzoek geen harde uitspraken gedaan worden over effectiviteit en efficiëntie van de verslavingszorg. De verantwoordingsinformatie van Tactus bevat namelijk weinig gegevens over de (lange termijn-) resultaten van de diverse trajecten. Deels komt dit doordat resultaten soms moeilijk meetbaar te maken zijn, zoals bij verslavingspreventie. Een andere oorzaak is echter dat de gemeente Enschede geen heldere indicatoren hanteert voor een effectmeting, zoals cijfers over terugval van (ex-) cliënten, waarover Tactus vervolgens zou kunnen verantwoorden. Een belangrijke aanbeveling uit het onderzoek was daarom om dergelijke indicatoren in de toekomst concreter te maken, zodat de gemeente meer inzicht heeft en beter bij kan sturen in de uitgaven en opbrengsten van de verslavingszorg.
Meer weten over dit onderzoek?
Download hieronder het eindrapport of neem contact op met Niek of Katrien.
Nieuw project: implementatie verplichte Beschermingscode HGKM op de BES-eilanden
In opdracht van de Directie Zorg en Jeugd Caribisch Nederland van het Ministerie van VWS gaat Regioplan de openbare lichamen op de drie BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) ondersteunen bij het implementeren van de verplichte Beschermingscode Huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM). Professionals bij organisaties in de sectoren zorg, welzijn, justitie en onderwijs worden door te werken met deze code beter in staat gesteld om huiselijk geweld en kindermishandeling te voorkomen, tijdig te signaleren en (mogelijke) slachtoffers beter te beschermen.
De Beschermingscode HGKM is de BES-variant van de Meldcode HGKM, zoals die geldt voor professionals in bovengenoemde sectoren in Nederland. In 2019, 2020 en 2021 hebben wij in Nederland bijgedragen aan de implementatie van de verbeterde Meldcode door in het hele land trainingen te organiseren voor professionals in de meldcodeplichtige beroepsgroepen.
Beoogde resultaten
Die ervaring nemen we mee naar de BES-eilanden, waar we tot eind december 2024 gaan toewerken naar de volgende beoogde resultaten:
• alle Beschermingscode-plichtige organisaties op de drie BES-eilanden en professionals zijn bekend met de Beschermingscode;
• alle Beschermingscode-plichtige organisaties op de drie BES-eilanden zijn in staat om deze code structureel toe te voegen aan hun kernactiviteiten en vervolgens hun medewerkers te faciliteren en te ondersteunen om conform de Beschermcode te handelen als de situatie daar om vraagt;
• de medewerkers van de Beschermingscode-plichtige organisaties (zo’n 2.000 professionals) zijn in staat om in de praktijk te handelen conform de Beschermingscode en kunnen leren van hun ervaringen om het handelen conform de Beschermingscode waar nodig te verbeteren;
• de inwoners van de drie BES-eilanden die gebruikmaken van de diensten van de Beschermingscode-plichtige organisaties hebben kennis kunnen nemen van de Beschermingscode, begrijpen deze code, zien de meerwaarde ervan in, en accepteren dat de code in de praktijk wordt toegepast als dat nodig is.
Meer weten?
Voor meer informatie over dit project kun je contact opnemen met Katrien de Vaan of Romy van den Dungen.
Opbrengsten van de Expertpool Ouderenmishandeling
Vandaag (15 juni) is de Internationale Dag tegen Ouderenmishandeling. Wereldwijd wordt er vandaag aandacht gevraagd voor geweld tegen ouderen, zoals lichamelijk geweld, emotionele mishandeling of financieel misbruik. Het effectief tegengaan van ouderenmishandeling is een vraagstuk waar veel Nederlandse gemeenten nog mee worstelen. Regioplan beheert en coördineert daarom sinds begin vorig jaar een Expertpool Ouderenmishandeling, die gemeenten kan ondersteunen bij vraagstukken rondom het ontwikkelen van een eigen lokale aanpak op dit thema.
Bijeenkomst Expertpool Ouderenmishandeling
Op maandag 12 juni organiseerde Regioplan een bijeenkomst die in het teken stond van de resultaten die het afgelopen anderhalf jaar met ondersteuning van de Expertpool zijn bereikt. Naast de 24 gemeenten die gebruik hebben gemaakt van de Expertpool waren daarbij ook afgevaardigden vanuit andere gemeenten welkom. In vier presentaties kwamen experts en gemeenten aan het woord om toe te lichten wat ze de afgelopen maanden samen hebben bereikt.
Samen bouwen aan een visie op een lokale aanpak van ouderenmishandeling
Bij het tot stand brengen van een gedegen gemeentelijke aanpak van ouderenmishandeling is het allereerst belangrijk om als gemeente draagvlak te creëren bij de organisaties waar je mee samenwerkt, zoals thuiszorgorganisaties en Veilig Thuis. De ervaring leert daarbij dat het kan helpen om met een beperkt aantal gemotiveerde partners te beginnen aan de hand van een specifiek thema, en vervolgens daarop verder te bouwen aan een meer alomvattende aanpak van ouderenmishandeling. Zo kwam in de presentaties een gemeente aan het woord die gestart was met het ontwikkelen van een aanpak aan de hand van het thema ‘ontspoorde mantelzorg’, en hield een andere gemeente zich bezig met het opzetten van een Lokale Alliantie tegen financieel misbruik. Daardoor ging bij deze gemeenten het thema van ouderenmishandeling voor de betrokken partners meer leven, wat weer een goede basis schept voor verdere samenwerking.
Bewustwordingscampagnes en deskundigheidsbevordering
Dat het draagvlak voor een lokale aanpak van ouderenmishandeling geen vanzelfsprekendheid is, komt onder andere doordat ouderenmishandeling lang niet altijd een zichtbaar fenomeen is. Het gaat veelal nog om ‘verborgen leed’. Dit was ook het uitgangspunt van een bewustwordingscampagne die is ontwikkeld door een van de aanwezige G4-gemeenten. Deze campagne had als doel om professionals én burgers bewuster te maken van de vele verschillende vormen van ouderenmishandeling en hoe die zich kunnen openbaren. Het herkennen van de signalen van ouderenmishandeling stond ook centraal in de training die in een van de presenterende gemeenten aan zorgprofessionals werd aangeboden. Om zorgen over (mogelijke) ouderenmishandeling scherper te krijgen en daar goed naar te kunnen handelen, is het in alle gevallen belangrijk hierover al bij de eerste signalen in gesprek te gaan – zowel als slachtoffer, professional en als bezorgde burger.
Reacties van gemeenten
Ook gemeenten die zelf nog niet bezig zijn met een lokale aanpak ouderenmishandeling gaven na de bijeenkomst aan veel inspiratie uit de presentaties te halen. Zo waren verschillende gemeenten geïnteresseerd in de mogelijkheid om zelf een bewustwordingscampagne op te zetten. Daarnaast stimuleerden de voorbeelden in de presentaties gemeenten om het tegengaan van ouderenmishandeling effectiever op de agenda te zetten.
Verder lezen over ouderenmishandeling?
Neem dan eens een kijkje in:
• het lokaal plan van aanpak Roosendaal.
• de risicoprofielen voor slachtoffers van ouderenmishandeling.
• het Actieplan Ontspoorde Mantelzorg.
• het onderzoek Lokale Allianties.
Bekijk ook het verslag van de slotconferentie Expertpool Ouderenmishandeling.
Doorleren LVB Pro/Vso
Hoe kunnen jongeren met een licht verstandelijke beperking, afkomstig uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, door blijven leren of zich blijven ontwikkelen? De directies Langdurige Zorg en Maatschappelijke Ondersteuning van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben ons gevraagd een onderzoek uit te voeren dat meer inzicht geeft in de mogelijkheden die jongeren met een LVB hebben om door te leren en/of zich te blijven ontwikkelen.
Doelstelling en deelvragen
In de afgelopen paar jaar komt uit diverse onderzoeken naar voren dat mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) (nog) niet altijd voldoende mogelijkheden hebben om zich door te ontwikkelen in onderwijs, dagbesteding of werk. Het doel van dit onderzoek is om knelpunten en werkzame elementen in de (door)ontwikkeling van jongeren met een LVB bloot te leggen en aan de hand daarvan verbeterpunten te bieden voor toekomstig beleid. In het onderzoek staat de volgende onderzoeksvraag centraal:
Hoe kunnen jongeren met een licht verstandelijke beperking, afkomstig uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, door blijven leren of zich blijven ontwikkelen?
Om dit verder te specificeren, zijn de volgende deelvragen geformuleerd:
- Wat zijn de ervaren knelpunten door mensen met een licht verstandelijke beperking (afkomstig van praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs), de uitstroompartij en de ontvangende partij om door te kunnen leren vanaf dagbesteding, (beschut) werk of onderwijs?
- Wat zijn randvoorwaarden, werkzame elementen of succesfactoren, zodat mensen met een licht verstandelijke beperking die dat willen kunnen doorleren vanuit dagbesteding, (beschut) werk of onderwijs?
- Welke goede voorbeelden zijn er en wat kunnen we daarvan leren?
Aanpak
Bestaande kennis in beeld brengen
Om een goed beeld te krijgen van de ontwikkelroutes van jongeren met een LVB hebben we bestaande bronnen geraadpleegd. Het gaat hierbij om kennis over de belangrijkste knelpunten en werkzame elementen om te komen tot ontwikkeling in de vervolgroutes. Aanvullend bestudeerden we ook de beschikbare cijfers over de doelgroep en bronnen die vanuit de begeleidingscommissie van dit onderzoek met ons zijn gedeeld.
Drie voorbeeldregio’s selecteren en werkwijze in kaart brengen
We hebben ervoor gekozen om drie voorbeeldregio’s te selecteren en deze verder te verdiepen. De regio’s zijn geselecteerd op basis van de voorzieningen en/of activiteiten die worden georganiseerd rondom de ondersteuning bij het doorleren en -ontwikkelen van jongeren met een LVB. De volgende regio’s zijn geselecteerd:
- Zaandam, waar een integrale aanpak rondom jongeren is. Alle budgetten worden gebundeld, zodat er geen jongeren ‘tussen wal en schip vallen’.
- Arnhem, waar een nauwe samenwerking is tussen de pro, vso en de gemeente.
- Nijmegen, waar een heel nauw netwerk is met werkgevers in de regio. Hierdoor zijn ze goed in staat om jongeren op een passende plek te krijgen voor (beschut) werk of arbeidsgerichte dagbesteding.
Verdiepende gesprekken met jongeren en professionals
In de verdiepingsfase hebben we ons gericht op het uitwerken van de loopbanen van jongeren met een LVB zowel in de geselecteerde voorbeeldregio’s als daarbuiten. We hebben verdiepende gesprekken gevoerd met de jongeren en de betrokken professionals rondom de jongeren om inzicht te krijgen in hun persoonlijke knelpunten en successen.
Reflectiesessie
We hebben de verdiepingsfase afgesloten met een reflectiesessie met de begeleidingscommissie ter toetsing en reflectie op de belangrijkste knelpunten, werkzame elementen en benodigde randvoorwaarden in de diverse ontwikkelroutes voor personen met een LVB.
Bevindingen
Lees het onderzoeksrapport en de factsheet voor een overzicht van de belangrijkste bevindingen die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek. Meer weten? Neem contact op met Suna Duysak.
Onderzoek: hoeveel tandartsen en mondhygiënisten zijn er in de toekomst nodig?
De komende vijf tot twintig jaar stroomt een aanzienlijk deel van de huidige generatie tandartsen en mondhygiënisten uit. Ook verwachten zowel tandartsen als mondhygiënisten over vijf jaar ongeveer twee uur per week minder te werken. Dat zijn de belangrijkste conclusies uit een onderzoek dat we recent uitvoerden in opdracht van het Capaciteitsorgaan, dat de toekomstig benodigde capaciteit aan zorgprofessionals in kaart brengt.
In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) werkte het Capaciteitsorgaan aan een raming voor de benodigde instroom in de opleidingen tot tandarts en mondhygiënist. Nu de vraag naar tandartsen en mondhygiënisten de komende jaren naar verwachting alleen maar verder zal toenemen (in lijn met de stijgende vraag naar andere zorgprofessionals), wilde het ministerie goed zicht hebben op het aantal mondzorgprofessionals dat nodig is om aan die groeiende vraag te kunnen voldoen.
Enquête
Voor een goede raming was onder meer inzicht nodig in het actuele zorgaanbod aan tandartsen en mondhygiënisten in Nederland. Om dit beter in kaart te brengen, namen we – in opdracht van het Capaciteitsorgaan – een enquête af onder deze twee beroepsgroepen. In deze enquête werd onder meer ingegaan op het aantal gewerkte uren, de verwachte arbeidstijdontwikkeling naar de toekomst, de uitstroomverwachting, het aandeel tijd voor patiëntenzorg, de aard van het werkverband, en de buitenlandse instroom. Daarnaast analyseerden we microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Belangrijkste conclusies
Uit deze inventarisatie blijkt onder meer het volgende.
• Over vijf jaar verwacht ongeveer 11 procent van de huidige mondhygiënisten uitgestroomd te zijn. Na tien jaar is dit 20 procent, na vijftien jaar 31 procent, en na twintig jaar 46 procent.
• Over vijf jaar verwacht ongeveer 26 procent van de huidige tandartsen uitgestroomd te zijn. Na tien jaar is dit 42 procent, na 15 jaar 52 procent, en na 20 jaar 63 procent.
• Dat de verwachte uitstroom onder tandartsen veel hoger ligt, kan komen doordat zij over het algemeen ouder zijn. Zo is 44 procent van de huidige tandartsen 50 jaar of ouder, tegenover 19 procent van de mondhygiënisten.
• Zowel tandartsen en mondhygiënisten verwachten over vijf jaar ongeveer twee uur per week minder te werken.
• Verder blijkt uit ons onderzoek dat ongeveer een op de vijf tandartsen zijn of haar opleiding in het buitenland heeft gevolgd. Dit komt neer op 2.300 tandartsen.
Toekomstige zorgvraag
Aan de hand van deze (en andere) onderzoeksresultaten kan het Capaciteitsorgaan beter inschatten hoeveel tandartsen en mondhygiënisten de komende jaren opgeleid moeten worden om aan de groeiende vraag te voldoen, vertelt onderzoeker Wiebe Korf. “Door gegevens van zorgprofessionals uit het verleden te combineren met hun verwachtingen voor de toekomst, zijn we tot een zo accuraat mogelijke inschatting gekomen van de verwachte uitstroom en het opleidingsrendement. Op deze manier hebben we niet alleen ingeschat hoeveel tandartsen en mondhygiënisten er werkzaam zullen zijn, maar ook hoe zij hun tijd zullen besteden. Dit heeft het voor het Capaciteitsorgaan mogelijk gemaakt om de opleidingscapaciteit zó in te schatten, dat er voldoende tandartsen en mondhygiënisten zullen zijn om te voldoen aan de toekomstige zorgvraag.”
Meer weten?
Lees dan ons eindrapport.
“Enorm leuk om samen te bouwen aan een nieuwe organisatie”
Zorg & Veiligheid: het is een werkveld waarin Katrien de Vaan zich al jaren als een vis in het water voelt. Inmiddels heeft ze ook haar eerste jaar als directielid erop zitten. “Ik haal nog altijd veel energie uit het zelf uitvoeren van projecten.”
Zorg & Veiligheid was niet de richting waarin Katriens loopbaan zich in eerste instantie ontwikkelde. Na haar studie Geschiedenis wilde ze graag de onderzoekswereld in, maar promotieplekken waren op dat moment schaars, blikt ze terug. “Zo kwam ik terecht bij de gemeente Haarlemmermeer, op de raadsgriffie. Daar raakte ik gefascineerd door het politiek-bestuurlijke krachtenveld binnen een gemeente. Maar: het onderzoek bleef trekken. Uiteindelijk kwam ik terecht bij een onderzoeksbureau dat mensen zocht speciaal voor rekenkameronderzoek: iets waar mijn ervaring op de griffie mij inmiddels de perfecte basis voor had gegeven.”
In 2009 maakte Katrien de overstap naar Regioplan, als onderzoeker binnen het toenmalige cluster Criminaliteit & Veiligheid. In de loop der jaren bouwde ze via tientallen projecten vervolgens gestaag aan haar profiel als projectleider en adviseur op het gebied van zorg en veiligheid. “Veiligheid binnen gezinnen, jeugdbescherming, maar ook de inrichting van het sociaal domein: ik vond en vind het enorm interessante thema’s om me in te verdiepen. Niet alleen omdat het inhoudelijk interessante thema’s zijn, maar ook omdat juist deze onderwerpen op bestuurlijk niveau voortdurend in beweging zijn.”
Decentralisatie van de jeugdzorg
Als voorbeeld noemt Katrien de decentralisatie van de jeugdzorg, in 2015. “Die decentralisatie – waarbij de gemeenten verantwoordelijk werden gemaakt voor de jeugdzorg – heeft allerlei nieuwe uitdagingen opgeleverd. Opeens werd er heel erg gestuurd op beheersbaarheid, maar daardoor verdwenen het beoogde langetermijneffect en de effectiviteit van het beleid uit beeld. Dat levert een hele ingewikkelde en interessante spanning op. De meeste gemeenten zijn intrinsiek namelijk best gemotiveerd om te doen wat er nodig is, maar om écht effectief te zijn zullen ze moeten investeren. Ze moeten dieper in de materie duiken, meer tijd aan een casus besteden, beter proberen te begrijpen wat er precies aan de hand is.”
“Maar het probleem is dat zo’n investering niet meteen rendeert; daar gaan vaak jaren overheen. Daar komt bij dat, als de gemeenten het goed doen, er uiteindelijk minder specialistische zorg nodig is – maar die ligt dan weer niet bij gemeenten zélf. Uiteindelijk plukken de gemeenten zelf dus niet de financiële vruchten van hun eigen beleid. Het beheersmatigheidsdenken op de korte termijn belemmert kortom dat je dát gaat doen wat op de lange termijn werkt en ook goedkoper is.”
Complexe casuïstiek
Katrien ziet gemeenten vooral worstelen met complexe casuïstiek. “De eerste jaren was het zoeken naar een nieuwe balans. Wie is nu precies waarvoor verantwoordelijk? Complexe casussen waarin huiselijk geweld een rol speelt, zijn bovendien vaak ook complexe jeugdhulpcasussen – en dan spelen vaak óók GGZ-problematiek bij volwassenen en financiële problemen nog een rol. Binnen het werkveld zijn we nog altijd met elkaar aan het leren hoe dit allemaal het beste werkt.”
Ondermijnende criminaliteit
Een ander interessant thema binnen het brede werkveld Zorg & Veiligheid is ondermijning, schetst Katrien. “Ook op dat vlak gebeurt er nu landelijk en lokaal natuurlijk ontzettend veel. Zó veel, dat de wet- en regelgeving om georganiseerde ondermijnende criminaliteit aan te pakken vaak al na een paar jaar niet meer goed aansluit op wat er in de praktijk nodig is. Bovendien is het op sommige terreinen echt nog uitproberen wat nou wel en niet werkt, en hoe je daar dan een aanpak op inricht. Het is enorm interessant om met beleidsonderzoek bij te dragen aan die zoektocht.”
Maatschappelijke problemen
Voor Katrien markeerde 2022 een belangrijke mijlpaal in haar loopbaan bij Regioplan. In januari nam ze, samen met Jos Lubberman, Miranda Witvliet en Yannick Bleeker, namelijk het stokje over van de toenmalige directie. “Maatschappelijke problemen worden steeds ingewikkelder, met veel verschillende spelers, met verschillende en vaak ook tegengestelde belangen. Tegelijkertijd werkt de overheid steeds meer kennisgestuurd en evidence based.”
“Wij denken dat we, vanuit onze onderzoeksmethodieken en de brede kennis die we als bureau hebben opgebouwd, heel erg goed bij kunnen dragen aan netwerken die met elkaar oplossingen voor maatschappelijke problemen willen ontwikkelen en implementeren. Wij zagen met ons vieren duidelijk voor ons hoe we die nieuwe rol als Regioplan zouden kunnen inkleden, en de toenmalige directie heeft ons vervolgens de ruimte geboden om die ideeën in de praktijk te brengen.”
Samen bouwen
Inmiddels is de nieuwe directie een klein jaar op weg. Het eerste jaar is goed bevallen, vertelt Katrien. “Het is gewoon enorm leuk om, samen met alle medewerkers, te bouwen aan een nieuwe organisatie. Tegelijkertijd ziet een gemiddelde werkdag er voor mij nu natuurlijk wel – op zijn zachtst gezegd – wat anders uit dan voorheen. Opeens ben je niet alleen projectleider of adviseur, maar ook directielid en manager – en dat zijn taken die niet altijd even makkelijk te plannen zijn.”
“Sowieso heb ik van meet af aan gezegd dat ik óók in de uitvoering actief wil blijven. Daar haal ik namelijk nog altijd heel veel energie uit. Bovendien wil ik mezelf inhoudelijk blijven ontwikkelen en feeling blijven houden met de praktijk. Veiligheid in gezinnen, jeugdbescherming, het sociaal domein, ondermijning: het is allemaal nog altijd veel te interessant om dat te laten liggen.”