“De arbeidstoeleiding van statushouders is een complex proces”

Meer nieuwkomers aan het werk! Met dat doel voor ogen zette Instituut Gak in 2018 het programma ‘Een nieuw bestaan, een nieuwe baan’ op. Regioplan deed onderzoek naar dit onlangs afgeronde subsidieprogramma. Wat zijn de belangrijkste lessons learned als het gaat om het verbeteren van de kansen op werk voor nieuwkomers?

Nieuwkomers die de vluchtelingstatus krijgen, mogen in Nederland werken. Toch lukt het slechts een beperkt deel van de nieuwkomers om daadwerkelijk betaald werk te vinden, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Om meer statushouders naar werk of een opleiding te begeleiden, startte Instituut Gak in 2018 het subsidieprogramma ‘Een nieuw bestaan, een nieuwe baan’. Welke lessen kunnen we daar tot nog toe uit trekken?

Om die vraag te beantwoorden onderzocht Regioplan de ruim dertig projecten die binnen programma van start gingen, vertelt onderzoeker Laura Buimer. “De afgelopen drie jaar hebben we de 31 projecten intensief gevolgd. Hoe waren die projecten ingericht? Wat leverden ze concreet op? En wat waren precies de werkzame elementen?”

Arbeidsfit

Om met die opbrengsten te beginnen: overall hebben de projecten zeker bijgedragen aan het ‘arbeidsfit’ maken van deelnemers, schetst Laura. “Deelnemers zijn over het algemeen positief over de projecten. Via de projecten hebben ze allerlei nuttige vaardigheden opgedaan, zoals taalvaardigheden, werknemersvaardigheden, zelfinzicht en zelfvertrouwen. Ook hebben ze beter inzicht in de Nederlandse arbeidsmarkt en het opleidingssysteem én hebben ze dankzij hun deelname vaak hun netwerk kunnen uitbreiden.”

Al met al hebben veel deelnemers een flinke stap gezet richting betaald werk, al bleef de daadwerkelijke uitstroom doorgaans achter bij de doelstellingen. Laura: “Uiteindelijk vond één op de vijf statushouders aan het einde van het programma betaald werk. Bovendien vond 8 procent dankzij het programma een passende opleiding.”

Aandacht voor werkgevers

Sowieso ‘scoorde’ het ene project beter dan het andere, constateren de onderzoekers. “Zo bleken projecten succesvoller als er ook aandacht was voor de werkgeverskant. Veel projecten focusten zich met name op de statushouders zelf en op het ‘arbeidsfit’ worden. Pas na afloop van het traject werd er vervolgens gekeken bij welke werkgevers de statushouders wellicht terecht zouden kunnen, waardoor de kans op een succesvolle match vaak afnam. Deelnemers verdwenen dan soms al uit beeld voordat er een succesvolle match was gemaakt.”

“Je ziet dat projecten die partijen actief aan elkaar koppelden, beter scoorden. Ook hoog scoorden twee sectorale projecten, die zich richtten op een specifieke beroepsgroep en die werden opgezet in samenwerking met werkgevers. Onze aanbeveling is dan ook om werkgevers eerder in het traject te betrekken, zodat er al vroegtijdig contact is en beide partijen een vertrouwensband met elkaar kunnen opbouwen.”

Mentale gezondheid

Verder zouden projecten volgens de onderzoekers meer aandacht moeten besteden aan de mentale gezondheid van deelnemende statushouders, schetst Laura. “Uit verschillende onderzoeken blijkt dat statushouders relatief vaak kampen met mentale gezondheidsproblemen. Veel projecten gebruikten mentale gezondheid als een selectiecriterium, omdat ze verwachtten dat ze deelnemers met mentale problemen niet de juiste begeleiding zouden kunnen bieden.”

“In de praktijk bleken statushouders met mentale problemen echter tóch in te stromen, simpelweg omdat er aan de voorkant te weinig zicht was op die problemen. Ons advies luidt daarom om meer aandacht te geven aan mentale gezondheid, zodat mentale problemen tijdig gesignaleerd kunnen worden. Op die manier kunnen deze mensen naar de juiste instanties worden doorverwezen óf binnen het project de juiste ondersteuning krijgen.”

Meer aandacht voor vrouwelijke statushouders

Verder concluderen de onderzoekers dat vrouwelijke statushouders minder vaak passend werk vinden dan mannen, maar wél vaker een opleiding. En dat is opvallend, vertelt Laura. “Juist de mannen zijn in hun land van herkomst namelijk vaker laagopgeleid. We concludeerden dat vrouwelijke statushouders vaker specifieke obstakels ervaren. Zo zijn ze doorgaans minder goed in beeld bij de gemeente, waardoor ze ook minder begeleiding ontvangen. Ook hebben ze vaak meer zorgtaken – in het huishouden en qua opvoeding – en is het lastig om kinderopvang te regelen. Daardoor zijn ze onder de streep minder beschikbaar voor werk.”

“Ons advies luidt dan ook om binnen projecten meer aandacht te besteden aan deze bijzondere positie; de arbeidsbemiddeling van vrouwen verdient een specifieke aanpak.”

Complex proces

De ‘arbeidstoeleiding’ van statushouders is al met al een complex proces, benadrukt Laura. “Goede ondersteuning is hierbij erg belangrijk. Tegelijkertijd hebben we gezien dat gemeenten in de onderzochte periode niet altijd de middelen en mogelijkheden hadden om goede, op maat gesneden ondersteuning te bieden. Initiatieven vanuit maatschappelijke organisaties die dichter bij de doelgroep staan kunnen er – zo blijkt uit deze evaluatie – voor zorgen dat méér statushouders een plek vinden op de arbeidsmarkt.”

Meer weten?

In het eindrapport lees je meer over de achtergronden en conclusies van ons onderzoek. Van het rapport is een ook een kortere publieksversie beschikbaar.

Nieuw onderzoek: overzicht van effectieve inclusie-interventies

De rijksoverheid wil haar medewerkers een veilige werkomgeving bieden, vrij van uitsluiting, discriminatie, pesten en intimidatie. Binnen de verschillende ministeries worden daarom allerlei interventies ingezet om te komen tot een veilige en inclusieve cultuur. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om trainingen en workshops rondom thema’s als vooroordelen, in- en uitsluiting en sociale veiligheid, maar ook om onder meer coaching- en mentorprogramma’s en inclusieve gesprekken binnen teams.

Wetenschappelijk fundament

Maar welke interventies dragen nu écht het meeste bij aan die gewenste inclusieve cultuur? De komende maanden doet Regioplan – in opdracht van het ministerie van BZK – onderzoek naar de effectiviteit van deze inclusie-interventies, vertelt projectleider Heleen Schols. “Van lang niet alle interventies is bekend hoe ze zijn opgebouwd, welk effect ze precies beogen en in hoeverre ze ook daadwerkelijk bijdragen aan meer inclusie. Wij onderwerpen daarom twintig bestaande interventies aan een nader onderzoek.”

“Dat doen we allereerst door de interventies te voorzien van een wetenschappelijk fundament; door interventies die in de praktijk beproefd zijn nauwkeurig te beschrijven en door ze theoretisch te onderbouwen op basis van de meest actuele wetenschappelijke kennis. Daarnaast voeren we gesprekken met experts en met de uitvoerders van en deelnemers aan interventies.”

Praktische Inclusiegids

Uiteindelijk wordt er – op basis van de literatuurstudie en de gehouden interviews – een zogenoemde Inclusiegids samengesteld, vervolgt Heleen. “In deze gids keren uiteraard de inclusie-interventies terug die we onder de loep hebben genomen. Op basis van onze bevindingen geven we vervolgens praktische tips en adviezen voor het opzetten van interventies die aansluiten bij het specifieke inclusiebeleid en de structuur en cultuur van je organisatie. Wat zijn do’s en don’ts als je een succesvolle interventie wil opzetten? Op die manier biedt de gids een praktische en inspirerende basis voor beleidsadviseurs en leidinggevenden binnen de rijksoverheid die met dit thema aan de slag willen gaan.”

Bijdragen aan inclusie

Regioplan heeft veel ervaring met onderzoek naar het brede thema inclusie. Zo voerden we de afgelopen jaren onderzoeken uit voor onder meer het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Charter Diversiteit van SER Diversiteit in Bedrijf, het UWV en verschillende gemeentes. Heleen: “Enorm interessant om nu ook bij de rijksoverheid in dit boeiende thema te duiken en op die manier bij te dragen aan een inclusievere rijksoverheid.”

Meer weten over dit thema?

Neem dan gerust contact op met Miranda.

 

Overzicht van effectieve inclusie-interventies Rijksoverheid

De rijksoverheid wil haar medewerkers een veilige werkomgeving bieden, vrij van uitsluiting, discriminatie, pesten en intimidatie. Binnen de verschillende ministeries worden daarom allerlei interventies ingezet om te komen tot een veilige en inclusieve cultuur. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om trainingen en workshops rondom thema’s als vooroordelen, in- en uitsluiting en sociale veiligheid, maar ook om onder meer coaching- en mentorprogramma’s en inclusieve gesprekken binnen teams.

Wetenschappelijk fundament

Maar welke interventies dragen nu écht het meeste bij aan die gewenste inclusieve cultuur? In opdracht van het ministerie van BZK doen wij onderzoek naar de effectiviteit van deze inclusie-interventies. Dat doen we allereerst door de interventies te voorzien van een wetenschappelijk fundament; door interventies die in de praktijk beproefd zijn nauwkeurig te beschrijven en door ze theoretisch te onderbouwen op basis van de meest actuele wetenschappelijke kennis. Daarnaast voeren we gesprekken met experts en met de uitvoerders van en deelnemers aan interventies.

Praktische Inclusiegids

Uiteindelijk wordt er – op basis van de literatuurstudie en de gehouden interviews – een zogenoemde Inclusiegids samengesteld. In deze gids keren uiteraard de inclusie-interventies terug die we onder de loep hebben genomen. Op basis van onze bevindingen geven we vervolgens praktische tips en adviezen voor het opzetten van interventies die aansluiten bij het specifieke inclusiebeleid en de structuur en cultuur van je organisatie. Wat zijn do’s en dont’s als je een succesvolle interventie wil opzetten? Op die manier biedt de gids een praktische en inspirerende basis voor beleidsadviseurs en leidinggevenden binnen de rijksoverheid die met dit thema aan de slag willen gaan.

Meer weten?

Neem contact op met Miranda.

 

Regioplan ook komende vier jaar nationaal correspondent voor OESO-SOPEMI

Sinds 2013 treedt Regioplan op als nationaal correspondent voor SOPEMI. SOPEMI is internationaal netwerk van migratie experts die jaarlijks aan de OESO rapporteren over de actuele ontwikkelingen in migratiestatistieken en -beleid.

Ook voor de periode van 2022-2025 heeft het Ministerie van Sociale Zaken Regioplan de opdracht gegeven om jaarlijks te rapporteren over migratie en integratie in Nederland. Bekijk nu de rapportage over 2021 op onze website.

Luna van Dijk MA

Als beleidsonderzoeker combineer ik graag mijn achtergrond als socioloog en ethicus om me vooral te richten op projecten met een ethische component. Hierbij leg ik de focus op onderwerpen als sociale (on)gelijkheid, digitalisering en technologische ontwikkelingen, mensen- en kinderrechten, en zorg- en veiligheidsvraagstukken. Mijn interdisciplinaire achtergrond in de sociale wetenschappen stelt me in staat om zowel kwalitatieve als kwantitatieve onderzoeksmethoden te hanteren en zo tot een compleet beeld van het onderzoeksobject te komen.

Informatieoverdracht COA naar asielzoekers

Wanneer asielzoekers aankomen in een asielzoekerscentrum krijgen zij van het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) informatie over verschillende onderwerpen die relevant zijn voor het leven op een azc. Eerder evalueerde het COA de informatievoorziening zelf op basis van gesprekken met COA-medewerkers. Het perspectief van de asielzoekers zelf ontbrak daarin nog. Wat zijn de ervaringen van asielzoekers met de informatievoorziening van het COA? Die vraag stond in ons onderzoek centraal.

Het programma WLCL: vooral veel zenden en weinig afstemming op specifieke groepen

Sinds 2016 is die informatievoorziening ondergebracht in het programma Wonen en leven op de COA-locatie (WLCL). Het programma kent vijf verplichte programmaonderdelen die in principe in de eerste weken na aankomst op de opvanglocatie worden aangeboden, te weten de onderdelen ‘welkom heten’, ‘rechten en plichten’, ‘zorg’, ‘wonen op deze locatie’ en ‘veiligheid’.

Het programma heeft vooral het karakter van veel zenden van informatie, er is weinig sprake van interactie tijdens de bijeenkomsten. De verschuiving naar online informatievoorziening (als gevolg van corona) heeft dit versterkt. De inhoud van de informatieoverdracht in de eerste fase van opvang is in principe hetzelfde voor alle bewoners, er is weinig afstemming op specifieke groepen. Daarnaast blijkt dat de uitvoering verschilt tussen locaties en medewerkers. COA-locaties kunnen (binnen de kaders) de informatieoverdracht namelijk af stemmen op de locatie.

Bepaalde groepen asielzoeker hebben (groot) voordeel in hun communicatie met het COA

Asielzoekers die Nederlands of Engels beheersen worden in de regel goed bediend. De basisinformatievoorziening in het kader van het programma WLCL in de eerste fase van opvang ervaren zij als redelijk adequaat. Zij zijn van mening dat het programma verschillende onderwerpen behandelt die belangrijk zijn om veilig en zelfredzaam te kunnen wonen op het azc en zij vinden dat de wijze waarop de informatie wordt aangeboden over het algemeen begrijpelijk is.

Er zijn echter indicaties dat dit niet voor alle bewoners het geval is. Het COA verwacht een hoge mate van mondigheid en assertiviteit van bewoners voor het stellen van vragen, maar niet iedereen kan of doet dat. Met name asielzoekers die geen Engels spreken of wat terughoudender zijn, lijken hierdoor informatie te missen. Aangezien een flink deel van de bewoners op het azc geen of beperkt Engels spreekt en/of laaggeletterd is, ligt specifieke aandacht voor deze groepen voor de hand.

Belangrijke verbetersuggesties

Belangrijk is de informatievoorziening beter af te stemmen op verschillende groepen, en meer aandacht te hebben voor bepaalde kwetsbare groepen (zoals analfabeten). Daarnaast dient er meer aandacht te zijn voor een goede ‘landing’ van informatie, met name door herhaling en door te controleren of de boodschap goed is aangekomen. Ook zou men beter moeten aan sluiten bij de digitale vaardigheden en behoeftes van asielzoekers – het COA zou kunnen verkennen hoe meer gebruikgemaakt kan worden van social media om informatie over te brengen.

Asielzoekers zelf zeggen meer mogelijkheden te willen om ad-hocvragen te kunnen stellen. Hiervoor zou de informatiebalie ruimere openingstijden kunnen hanteren, en zou de mogelijkheid moeten bestaan om via e-mail vragen te stellen.

Meer weten?

Regioplan heeft dit onderzoek in samenwerking met de Universiteit Utrecht uitgevoerd, in opdracht van het WODC.
Het onderzoek bestond uit interviews met asielzoekers, deskundigen en COA-medewerkers. Ook is er een focusgroep gehouden met experts uit de wetenschap en praktijk van interculturele communicatie.

Lees ons rapport of neen contact op met Miranda.

 

Mensenhandel zichtbaar maken. Leren van onderzoek in Ede en Utrecht

Gemeenten staan momenteel voor de taak om een lokale aanpak van mensenhandel te vormen. Een belangrijk startpunt hiervoor is om zicht op het fenomeen te krijgen. In opdracht van CoMensha en VNG en gemeenten Ede en Utrecht onderzochten wij hoe deze twee gemeenten mensenhandel lokaal in beeld brengen. De lessen uit deze gemeenten kunnen andere gemeenten helpen bij het opstellen van hun aanpak mensenhandel.

Diversiteit aan vormen van mensenhandel

Net als op landelijk niveau, treffen we in de onderzochte gemeenten een diversiteit aan vormen van mensenhandel aan. In beide gemeenten spelen seksuele, criminele en arbeidsuitbuiting en binnen deze vormen zijn weer verschillende risicoprofielen te onderscheiden. Mensenhandel neem dus vele verschijningsvormen aan en de kenmerken van slachtoffers zijn divers, wat vraagt om een gedifferentieerde aanpak.

Aanpak van mensenhandel begint bij zicht creëren

Om een gerichte aanpak van mensenhandel te vormen, is het cruciaal om zicht te hebben op het fenomeen. Door gesprekken met professionals en risicogroepen kan de gemeente zicht krijgen op de aard van het fenomeen. De omvang is echter een uitdaging, omdat bestaande registraties ontoereikend zijn om een realistische schatting te maken. Gemeenten kunnen daarom investeren in randvoorwaarden van effectieve informatieverzameling en -uitwisseling:

  • Professionals herkennen signalen;
  • Er is een eenduidige en toegankelijk registratiesysteem voor signalen;
  • Verschillende instanties delen signalen met elkaar;
  • Er bestaan duidelijke werkafspraken over informatieverzameling en -deling;
  • Er is een doorverwijzingsstructuur en centraal aanspreek- of meldpunt.

Een uitgebreide beschrijving van de bevindingen uit Ede en Utrecht en onze aanbevelingen voor andere gemeenten is terug te vinden het rapport.

Neem voor meer informatie contact op met Yannick.

Mensenhandel zichtbaar maken. Leren van onderzoek in Ede en Utrecht

Gemeenten staan momenteel voor de taak om een lokale aanpak van mensenhandel te vormen. Een belangrijk startpunt hiervoor is om zicht op het fenomeen te krijgen. In opdracht van CoMensha en VNG en gemeenten Ede en Utrecht onderzochten wij hoe deze twee gemeenten mensenhandel lokaal in beeld brengen. De lessen uit deze gemeenten kunnen andere gemeenten helpen bij het opstellen van hun aanpak mensenhandel.

Diversiteit aan vormen van mensenhandel
Net als op landelijk niveau, treffen we in de onderzochte gemeenten een diversiteit aan vormen van mensenhandel aan. In beide gemeenten spelen seksuele, criminele en arbeidsuitbuiting en binnen deze vormen zijn weer verschillende risicoprofielen te onderscheiden. Mensenhandel neem dus vele verschijningsvormen aan en de kenmerken van slachtoffers zijn divers, wat vraagt om een gedifferentieerde aanpak.

Aanpak van mensenhandel begint bij zicht creëren
Om een gerichte aanpak van mensenhandel te vormen, is het cruciaal om zicht te hebben op het fenomeen. Door gesprekken met professionals en risicogroepen kan de gemeente zicht krijgen op de aard van het fenomeen. De omvang is echter een uitdaging, omdat bestaande registraties ontoereikend zijn om een realistische schatting te maken. Gemeenten kunnen daarom investeren in randvoorwaarden van effectieve informatieverzameling en -uitwisseling:

  • Professionals herkennen signalen;
  • Er is een eenduidige en toegankelijk registratiesysteem voor signalen;
  • Verschillende instanties delen signalen met elkaar;
  • Er bestaan duidelijke werkafspraken over informatieverzameling en -deling;
  • Er is een doorverwijzingsstructuur en centraal aanspreek- of meldpunt.

Een uitgebreide beschrijving van de bevindingen uit Ede en Utrecht en onze aanbevelingen voor andere gemeenten is terug te vinden het rapport.

Neem voor meer informatie contact op met Yannick.

Werken met co-creatie: do’s en don’ts

Evaluatie van pilots over re-integratie van statushouders in de spoorsector leert dat het werken in co-creatie ontegenzeggelijk sterke punten kent (denk aan draagvlak en netwerkvorming) maar ook grote afbreukrisico’s kent. De belangrijkste lessen: onderschat niet de moeilijkheidsgraad van deze werkvorm, manage de verwachtingen van de deelnemers en misschien wel vooral: regel vooraf de regie en beleg die bij een individuele (en sterke) partij en niet bij een collectief van partijen. In Sociaal Bestek verscheen een artikel over onze evaluatie. In dit artikel concentreren we ons op de ervaringen met deze werkwijze, de sterke punten en knelpunten.

Vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is in 2018 het programma ‘Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt’ (VIA) gestart. Het VIA-programma is gericht op het versterken van de arbeidsmarktpositie van niet-westerse migranten, waaronder statushouders, en Nederlanders met een migratieachtergrond door het achterhalen van werkzame elementen in de arbeidsre-integratie van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. Wij deden onderzoek naar de VIA-pilot.

Meer weten? Neem contact op met Yannick.

Bliksemtraject veranderlogica

Gemeenten en hun uitvoeringspartners zijn continu bezig de effectiviteit en efficiency van beleidsmaatregelen te optimaliseren. Is dat ook voor u herkenbaar? En heeft u daarbij behoefte aan handvatten om scherpe keuze te maken, het beleid te monitoren en hierover te kunnen rapporteren? Wij kunnen u helpen met een bliksemtraject veranderlogica om beleid effectiever en efficiënter op te zetten.

Een veranderlogica (Theory of Change) maakt zichtbaar hoe het beleid maatschappelijke impact nastreeft. In een bliksemtraject brengt u samen met uw partners systematisch in kaart wat de relatie is tussen de doelen van het beleid en de interventies die worden ingezet om die doelen te bereiken. Zo wordt expliciet gemaakt welke werkende mechanismen ertoe moeten leiden dat de interventies bijdragen aan het realiseren van de beoogde doelen. Werken met een uitgewerkte veranderlogica zorgt voor analytische scherpte om beleidskeuzes beter te identificeren en tegen elkaar af te wegen. Bijvoorbeeld als input voor een nieuwe beleidsperiode of bij het ontwerpen of aanscherpen van een aanpak.

Traject op Maat
U kunt zelf uw traject samenstellen uit vijf onderdelen. Wij denken natuurlijk graag mee in uw keuze voor een compacte werkwijze passend bij uw vraag en de lokale context. Ter afsluiting van het traject ontvangt u concrete producten die u in kan zetten om uw aanpak verder te versterken.

Klik op de afbeelding om het bliksemtraject te zien:

In de praktijk: Veilige Steden
Binnen het programma Veilige Steden hebben deelnemende steden een theory of change opgesteld. Hiermee hebben zij o.a. samen met de veldpartners een gezamenlijke visie op de problematiek helder gemaakt en prioriteiten voor de komende programmaperiode bepaald.

Wilt u meer weten over het aanbod? Neem gerust contact met ons op, we denken graag met u mee.