Update criminaliteitsinformatie in Nationale Drug Monitor

Voor de Nationale Drug Monitor 2021 en 2022 updaten we de informatie over alcohol- en drugsgerelateerde criminaliteit en overlast. De updates over het jaar 2020 zijn nu gepubliceerd. Wij updaten de onderdelen over illegale handel, productie en bezit van drugs en over criminaliteit en overlast door alcohol- en drugsgebruikers. De belangrijkste bevindingen vatten we hier samen.

Opsporingsonderzoeken naar georganiseerde drugscriminaliteit

Het OM voerde in 2020 meer opsporingsonderzoeken uit naar georganiseerde criminaliteit, waarbij drugs het eerste aandachtsgebied was, dan in 2019. Daarnaast zijn, voor het eerst sinds 2015, meer opsporingsonderzoeken naar synthetische drugs dan naar cocaïne en heroïne uitgevoerd. Het aantal veroordelingen tot een vrijheidsstraf, voortkomend uit de onderzoeken naar georganiseerde handel in en/of productie van drugs, is gedaald in 2020. De drugssmokkel blijkt ondanks de verschillende lockdowns wereldwijd onverminderd doorgegaan.

Inbeslagname drugs en ontmanteling productielocaties

Tijdens de coronacrisis heeft de douane meer kilo’s cocaïne, ecstasy/MDMA en amfetamine in beslag genomen. De politie nam meer cannabis in beslag in 2020. Ook het aantal ontmantelde productielocaties en opslaglocaties voor synthetische drugs nam toe in 2020. Het aantal aangetroffen dumplocaties is daarentegen opnieuw afgenomen in vergelijking met voorgaande jaren. Verder zijn in 2020 meer methamfetaminelabs en cocaïnewasserijen ontmanteld en minder hennepkwekerijen geruimd dan in 2019.

Opiumwetzaken in de strafrechtketen

In 2020 is er, mede als gevolg van de coronamaatregelen, een afname te zien in het aantal dagvaardingen en gerechtelijke afdoeningen in Opiumwetzaken. De totale instroom van Opiumwetzaken bij het Openbaar Ministerie (OM) is in 2020 gedaald ten opzichte van 2019. Dit geldt zowel voor zaken die betrekking hebben op hard- of softdrugs als voor gecombineerde zaken. Het relatieve aandeel softdrugszaken nam af, het merendeel van de instroom bestaat ook in 2020 uit harddrugsdelicten. De meest voorkomende sancties in Opiumwetzaken zijn de taakstraf en (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Overlast door alcohol- en drugsgebruik

Het aantal door de politie geregistreerde overlastincidenten door alcohol en drugs nam in 2020 opnieuw toe. Mogelijk houdt de stijgende trend verband met de inwerkingtreding van de Wet Middelenonderzoek bij geweldplegers (per 1 juli 2017). Opsporingsinstanties hebben daardoor meer mogelijkheden gekregen om drugsgebruik bij geweldsincidenten te signaleren.

Verdachten van rijden onder invloed

Het aantal geregistreerde verdachten van rijden onder invloed was in 2020 terug op het niveau van 2018, na een stijging in 2018 en 2019. Het aantal door de rechter afgedane zaken voor rijden onder invloed daalde in 2020 ten opzichte van 2019. Mogelijk hangt dit samen met de coronamaatregelen. Net als in voorgaande jaren werden in 2020 bijna alle verdachten van rijden onder invloed schuldig bevonden.

Drugsgebruik in detentie

In 2020 zijn tijdens detentie minder urinecontroles afgenomen. Het aantal afgenomen urinetests was in 2020 bijna een derde lager dan in 2019. Ook het aandeel positieve urinetests nam in 2020 (6%) af ten opzichte van 2019 (8%). De coronamaatregelen zijn hier mogelijk van invloed op geweest.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC).

Meer informatie?

Bekijk de website www.nationaledrugmonitor.nl voor meer informatie over alcohol- en drugsgerelateerde criminaliteit en overlast!

De notitie over de opbrengsten van de groepsgesprekken, waar in de update naar wordt verwezen, vindt u hier.

Mensenhandel zichtbaar maken. Leren van onderzoek in Ede en Utrecht

Gemeenten staan momenteel voor de taak om een lokale aanpak van mensenhandel te vormen. Een belangrijk startpunt hiervoor is om zicht op het fenomeen te krijgen. In opdracht van CoMensha en VNG en gemeenten Ede en Utrecht onderzochten wij hoe deze twee gemeenten mensenhandel lokaal in beeld brengen. De lessen uit deze gemeenten kunnen andere gemeenten helpen bij het opstellen van hun aanpak mensenhandel.

Diversiteit aan vormen van mensenhandel

Net als op landelijk niveau, treffen we in de onderzochte gemeenten een diversiteit aan vormen van mensenhandel aan. In beide gemeenten spelen seksuele, criminele en arbeidsuitbuiting en binnen deze vormen zijn weer verschillende risicoprofielen te onderscheiden. Mensenhandel neem dus vele verschijningsvormen aan en de kenmerken van slachtoffers zijn divers, wat vraagt om een gedifferentieerde aanpak.

Aanpak van mensenhandel begint bij zicht creëren

Om een gerichte aanpak van mensenhandel te vormen, is het cruciaal om zicht te hebben op het fenomeen. Door gesprekken met professionals en risicogroepen kan de gemeente zicht krijgen op de aard van het fenomeen. De omvang is echter een uitdaging, omdat bestaande registraties ontoereikend zijn om een realistische schatting te maken. Gemeenten kunnen daarom investeren in randvoorwaarden van effectieve informatieverzameling en -uitwisseling:

  • Professionals herkennen signalen;
  • Er is een eenduidige en toegankelijk registratiesysteem voor signalen;
  • Verschillende instanties delen signalen met elkaar;
  • Er bestaan duidelijke werkafspraken over informatieverzameling en -deling;
  • Er is een doorverwijzingsstructuur en centraal aanspreek- of meldpunt.

Een uitgebreide beschrijving van de bevindingen uit Ede en Utrecht en onze aanbevelingen voor andere gemeenten is terug te vinden het rapport.

Neem voor meer informatie contact op met Yannick.

Mensenhandel zichtbaar maken. Leren van onderzoek in Ede en Utrecht

Gemeenten staan momenteel voor de taak om een lokale aanpak van mensenhandel te vormen. Een belangrijk startpunt hiervoor is om zicht op het fenomeen te krijgen. In opdracht van CoMensha en VNG en gemeenten Ede en Utrecht onderzochten wij hoe deze twee gemeenten mensenhandel lokaal in beeld brengen. De lessen uit deze gemeenten kunnen andere gemeenten helpen bij het opstellen van hun aanpak mensenhandel.

Diversiteit aan vormen van mensenhandel
Net als op landelijk niveau, treffen we in de onderzochte gemeenten een diversiteit aan vormen van mensenhandel aan. In beide gemeenten spelen seksuele, criminele en arbeidsuitbuiting en binnen deze vormen zijn weer verschillende risicoprofielen te onderscheiden. Mensenhandel neem dus vele verschijningsvormen aan en de kenmerken van slachtoffers zijn divers, wat vraagt om een gedifferentieerde aanpak.

Aanpak van mensenhandel begint bij zicht creëren
Om een gerichte aanpak van mensenhandel te vormen, is het cruciaal om zicht te hebben op het fenomeen. Door gesprekken met professionals en risicogroepen kan de gemeente zicht krijgen op de aard van het fenomeen. De omvang is echter een uitdaging, omdat bestaande registraties ontoereikend zijn om een realistische schatting te maken. Gemeenten kunnen daarom investeren in randvoorwaarden van effectieve informatieverzameling en -uitwisseling:

  • Professionals herkennen signalen;
  • Er is een eenduidige en toegankelijk registratiesysteem voor signalen;
  • Verschillende instanties delen signalen met elkaar;
  • Er bestaan duidelijke werkafspraken over informatieverzameling en -deling;
  • Er is een doorverwijzingsstructuur en centraal aanspreek- of meldpunt.

Een uitgebreide beschrijving van de bevindingen uit Ede en Utrecht en onze aanbevelingen voor andere gemeenten is terug te vinden het rapport.

Neem voor meer informatie contact op met Yannick.

Aandacht voor gender in aanpak huiselijk geweld: handreiking voor casuïstiekbespreking en training

Voor het landelijk programma Geweld hoort nergens thuis ontwikkelde Regioplan een handreiking casuïstiekbespreking voor het verbeteren van de aandacht voor gender in de aanpak van huiselijk geweld. Deze handreiking is getest in trainingen aan professionals en aan deze eerste ervaringen aangepast.

Hoe help je de uitvoering om meer en beter aandacht te besteden aan de rol die gender speelt bij huiselijk geweld en kindermishandeling? Die vraag van het landelijk programma Geweld hoort nergens thuis leidde in 2021 tot de oplevering van een aantal producten door Regioplan, waaronder een tweetal casuïstiekbeschrijvingen met een gebruikershandreiking. Deze zijn door ervaren trainers getest in negen trainingen in zes regio’s.

De lessen uit deze testfase zijn verwerkt in de hieronder opgenomen aangepaste handreiking, die kan worden gebruikt voor training en casuïstiekbespreking.

Criminaliseren, reguleren of toch decriminaliseren? De aard en effecten van prostitutiebeleid

Welke verschillende typen prostitutiebeleid zijn er? En wat weten we over de effecten ervan? Wij onderzochten het voor het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC).

Stichting Exxpose diende in september het burgerinitiatief ‘Ik ben onbetaalbaar’ in. In dat burgerinitiatief riep de stichting de Tweede Kamer op om het kopen van seks strafbaar te stellen. De Tweede Kamer vroeg vervolgens om een internationaal vergelijkend onderzoek naar de effecten van de verschillende soorten prostitutiebeleid. Op verzoek van het WODC voerden wij dat onderzoek uit. Voor het onderzoek voerden we een grootschalig literatuuronderzoek uit en spraken we 100 sekswerkers, slachtoffers van uitbuiting, professionals, beleidsmakers, exploitanten en medewerkers van het Openbaar Ministerie en de politie.

Meer weten?

Lees ons onderzoeksrapport of neem contact op met Yannick.

 

De aard en effecten van prostitutiebeleid

Stichting Exxpose diende in september het burgerinitiatief ‘Ik ben onbetaalbaar’ in. In dat burgerinitiatief riep de stichting de Tweede Kamer op het kopen van seks strafbaar te stellen. De Tweede Kamer vroeg vervolgens om een internationaal vergelijkend onderzoek naar de effecten van de verschillende soorten prostitutiebeleid. Op verzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) voerden wij dat onderzoek uit.

Meer weten?
Neem contact op met Yannick.

Niek van Ansem MSc

In mijn dagelijks leven hield het mij al veel bezig hoe allerlei soorten problemen door de politiek worden aangepakt en wat daarin de verschillen zijn, tussen landen maar ook tussen gemeenten. In die brede interesse ligt mijn drijfveer voor beleidsonderzoek besloten. Dat komt tot uiting wanneer ik complexe beleidsthema’s en -vraagstukken toegankelijk in woorden moet vangen, zodat een diepgaand rapport tegelijkertijd lekker leest. Die vertaalslag vind ik een bijzonder leuke uitdaging in de vele creatieve fases die het onderzoeksproces kent. Een rode draad in mijn nieuwsgierigheid is daarbij de vraag hoe jeugdigen en gezinnen beter kunnen worden geholpen als er problemen spelen op meerdere leefgebieden.

De seksbranche in 2020

In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) hebben we een nulmeting uitgevoerd om later mogelijke effecten van de mogelijke, komende Wet regulering sekswerk te meten. Deze nulmeting ging over de aard en omvang van de seksbranche, het gemeentelijk beleid en de organisatie van toezicht en handhaving.

Gemeentelijk beleid

Gemeenten die prostitutiebeleid formuleren maken keuzes: Willen we überhaupt sekswerk in onze gemeente? En zo ja, hoe balanceren we dan tussen drempelverhogende maatregelen om misstanden en mensenhandel buiten de deur te houden en drempelverlagende maatregelen, die ervoor zorgen dat autonome sekswerkers hun werk kunnen doen.

Dit onderzoek laat op basis van een grootschalige enquête onder gemeenten zien hoeveel gemeenten prostitutiebeleid hebben, hoe het beleid in Nederlandse gemeenten te typeren is. En welke keuzes gemeenten in hun beleid maken.

Het blijkt dat ongeveer de helft van gemeenten prostitutiebeleid heeft. Dit is minder dan vijf jaar geleden, toen nog driekwart prositutiebeleid had. Veruit de meesten staan een maximaal aantal seksbedrijven toe. De gemeenten richten hun beleid met name op vergunningseisen, vestigingscriteria, handhaving en toezicht, gezondheidsaspecten en ook het bestrijden van mensenhandel.

Thema’s als de versterking van de maatschappelijke positie van sekswerkers, uitstapbeleid, participatie van seks-werkers in beleid, destigmatisering en versterking van de arbeidsmarktpositie komen relatief weinig in het beleid voor.

Halvering van vergunde seksbedrijven

Het aantal vergunde seksbedrijven in Nederland lijkt sinds 5 jaar geleden gehalveerd. Relatief veel gemeenten geven vergunningen aan seksclubs, privéhuizen en escortbureaus en in mindere mate aan de zelfstandige escort, raamsekswerk en thuisontvangst.

Dit onderzoek geeft ook een blik op de doorgaans onvergunde internetbranche. Gedurende een jaar werden er op de advertentiewebsites die we in ons onderzoek hebben meegenomen meer dan 27.000 unieke advertenties geplaatst.

Toezicht en handhaving

Samen met de politie zijn gemeenten de belangrijkste spelers in de organisatie van toezicht en handhaving. De bestuurlijke controles in de vergunde branche worden uitgevoerd door gemeentelijke handhavers, de politie of door beide.

Ook in de onvergunde branche zijn de gemeente en de politie de belangrijkste partijen. Hier worden de controles vaak nog door de Afdelingen Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) uitgevoerd.

Bij sommige gemeenten ligt de regie en uitvoering voor toezicht en handhaving volledig bij de gemeente, in andere gemeenten is men nog zoekende naar een juiste rolverdeling. Er spelen hier meerdere knelpunten.

Gemeenten zeggen soms dat ze de capaciteit en de expertise niet hebben. Daarnaast mogen gemeenten momenteel geen gegevens van onvergund werkende sekswerkers noteren en uitwisselen. Dat bemoeilijkt de handhaving.

Overigens zijn er gemeenten die gegevens van sekswerkers nog vermelden in bestuurlijke rapportages. Verder worden de grote beleidsverschillen tussen gemeenten genoemd als obstakel in het houden van toezicht op de branche.

Meer weten?

Neem contact op Yannick of lees ons rapport.

Seksbranche 2020

In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) hebben we een nulmeting uitgevoerd om later mogelijke effecten van de mogelijke, komende Wet regulering sekswerk te meten. Deze nulmeting ging over de aard en omvang van de seksbranche, het gemeentelijk beleid en de organisatie van toezicht en handhaving.

Gemeentelijk beleid

Gemeenten die prostitutiebeleid formuleren maken keuzes: Willen we überhaupt sekswerk in onze gemeente? En zo ja, hoe balanceren we dan tussen drempelverhogende maatregelen om misstanden en mensenhandel buiten de deur te houden en drempelverlagende maatregelen, die ervoor zorgen dat autonome sekswerkers hun werk kunnen doen.

Dit onderzoek laat op basis van een grootschalige enquête onder gemeenten zien hoeveel gemeenten prostitutiebeleid hebben, hoe het beleid in Nederlandse gemeenten te typeren is. En welke keuzes gemeenten in hun beleid maken.

Het blijkt dat ongeveer de helft van gemeenten prostitutiebeleid heeft. Dit is minder dan vijf jaar geleden, toen nog driekwart prositutiebeleid had. Veruit de meesten staan een maximaal aantal seksbedrijven toe. De gemeenten richten hun beleid met name op vergunningseisen, vestigingscriteria, handhaving en toezicht, gezondheidsaspecten en ook het bestrijden van mensenhandel.

Thema’s als de versterking van de maatschappelijke positie van sekswerkers, uitstapbeleid, participatie van seks-werkers in beleid, destigmatisering en versterking van de arbeidsmarktpositie komen relatief weinig in het beleid voor.

Halvering van vergunde seksbedrijven

Het aantal vergunde seksbedrijven in Nederland lijkt sinds 5 jaar geleden gehalveerd. Relatief veel gemeenten geven vergunningen aan seksclubs, privéhuizen en escortbureaus en in mindere mate aan de zelfstandige escort, raamsekswerk en thuisontvangst.

Dit onderzoek geeft ook een blik op de doorgaans onvergunde internetbranche. Gedurende een jaar werden er op de advertentiewebsites die we in ons onderzoek hebben meegenomen meer dan 27.000 unieke advertenties geplaatst.

Toezicht en handhaving

Samen met de politie zijn gemeenten de belangrijkste spelers in de organisatie van toezicht en handhaving. De bestuurlijke controles in de vergunde branche worden uitgevoerd door gemeentelijke handhavers, de politie of door beide.

Ook in de onvergunde branche zijn de gemeente en de politie de belangrijkste partijen. Hier worden de controles vaak nog door de Afdelingen Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) uitgevoerd.

Bij sommige gemeenten ligt de regie en uitvoering voor toezicht en handhaving volledig bij de gemeente, in andere gemeenten is men nog zoekende naar een juiste rolverdeling. Er spelen hier meerdere knelpunten.

Gemeenten zeggen soms dat ze de capaciteit en de expertise niet hebben. Daarnaast mogen gemeenten momenteel geen gegevens van onvergund werkende sekswerkers noteren en uitwisselen. Dat bemoeilijkt de handhaving.

Overigens zijn er gemeenten die gegevens van sekswerkers nog vermelden in bestuurlijke rapportages. Verder worden de grote beleidsverschillen tussen gemeenten genoemd als obstakel in het houden van toezicht op de branche.

Meer weten?

Neem contact op Yannick of lees ons rapport.

Partiële evaluatie weigeraanpak

Het ministerie van JenV heeft maatregelen genomen om het weigeren van medewerking aan gedragskundig onderzoek in een strafrechtelijk onderzoek tegen te gaan. Wij voerden in opdracht van het WODC een partiële evaluatie uit van deze ‘weigeraanpak’.

Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft maatregelen getroffen om de problematiek van niet-meewerkende verdachten bij gedragskundig onderzoek terug te dringen, de zogenoemde ‘weigeraanpak’.

Bij het opleggen van bijzondere voorwaarden of tbs is het nodig om vast te stellen of er sprake is van een psychische stoornis of gesteldheid die het risico van crimineel gedrag vergroot. Dit gebeurt met een gedragskundig onderzoek. Een gedragskundig onderzoek resulteert in een pro Justitia (PJ)-rapportage waarmee de rechter wordt geïnformeerd over een mogelijke psychische stoornis bij de verdachte, de mogelijke doorwerking daarvan op het ten laste gelegde delict, de toerekeningsvatbaarheid en mogelijke sancties.

De afgelopen jaren kwam het steeds vaker voor dat verdachten medewerking aan gedragskundig onderzoek weigerden, in het bijzonder bij het klinisch gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Zonder (volledige) PJ-rapportage kan het voor een rechter moeilijk(er) zijn om een passende straf of maatregel, zoals een tbs-maatregel, op te leggen. Daardoor is de kans groter dat de desbetreffende justitiabele alleen tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, waarna hij zonder behandeling in de maatschappij terugkeert met een grotere kans op terugval in crimineel gedrag.

Om deze ‘weigerproblematiek’ terug te dringen is de zogenoemde weigeraanpak ontwikkeld, bestaande uit acht maatregelen. Binnen dit onderzoek evalueerden we de implementatie, uitvoering en (ongewenste) neveneffecten van vier van de acht maatregelen van de weigeraanpak:

  1. Regeling weigerende observandi (art. 37a lid 3 t/m 9 Sr);
  2. Aanscherping begrip ‘stoornis’ (art. 37a lid 1.1 Sr);
  3. Verduidelijking risicocriterium (art. 37a lid 1 Sr);
  4. Aanpassing van de rechtspositie van tbs-gestelden (Ministeriële regeling t.a.v. Reglement verpleging tbs-gestelden).

Onze evaluatie maakte deel uit van een synthesestudie van het WODC naar de weigeraanpak. We voerden dit onderzoek uit in opdracht van het WODC, in samenwerking met Mario Braakman van Tilburg University.

Meer informatie?

Raadpleeg ons eindrapport en/of de samenvatting (beschikbaar in zowel Nederlands als Engels):

Eindrapport Deelevaluatie weigeraanpak
Samenvatting Deelevaluatie weigeraanpak
Summary Deelevaluatie weigeraanpak