Werkveld: Migratie, integratie en diversiteit
Onderzoek gepubliceerd: Samenwerking COA, UWV en VNG om azc-bewoners naar werk te begeleiden
COA, UWV en VNG werken in pilots samen aan een aanpak om azc-bewoners naar werk te begeleiden. Onderzoek van Regioplan geeft zicht op de meerwaarde van de pilots en lessen voor de toekomst.
Een aanzienlijk deel van de azc-bewoners werkt nog niet, waardoor arbeidspotentieel onbenut blijft. COA, UVW en VNG zijn daarom in 2025 drie pilots gestart om samen aan een aanpak te werken om azc-bewoners naar werk te begeleiden. Regioplan deed onderzoek naar wat werkt in de pilots en naar de rol van gemeenten, UWV en COA om azc-bewoners naar werk te begeleiden.
De combinatie van expertises van COA, UWV en gemeenten komt uit de pilots als meerwaarde naar voren. Veel azc-bewoners zijn enthousiast over werk en kloppen met vragen over werk aan bij de Meedoenbalies op de opvanglocaties. Om azc-bewoners aan werkgever te kunnen koppelen is het belangrijk dat er voldoende oog is voor het enthousiasmeren, ontzorgen en ondersteunen van werkgevers.
Voor verdere opschaling zijn duidelijke regie en voldoende capaciteit nodig om de samenwerking en dienstverlening duurzaam te versterken. Voor het succesvol begeleiden naar werk van azc-bewoners is het bovendien belangrijk dat de werkzame elementen worden geborgd via duidelijke werkprocessen, het beschrijven van methodieken en kwaliteitsbewaking.
Lees hier het eindrapport van het onderzoek Kwalitatieve evaluatie pilots azc-bewoners aan het werk.
Periodieke rapportage terugkeerbeleid (2018-2025)
In deze periodieke rapportage over het Nederlandse terugkeerbeleid onderzoeken wij het doelbereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid in de afgelopen zeven jaar.
In Nederland geldt dat vreemdelingen die geen recht (meer) hebben op verblijf, waaronder uitgeprocedeerde asielzoekers, het land moeten verlaten. Dit uitgangspunt komt voort uit het nationale en Europese migratierecht en vormt een essentieel onderdeel van een geloofwaardig en samenhangend migratiestelsel. Het terugkeerbeleid is (in theorie) erop gericht dit vertrek op een zorgvuldige, rechtmatige en uitvoerbare wijze te realiseren.
In dit onderzoek evalueren wij het doelbereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid van het Nederlandse terugkeerbeleid in de periode 2018-2025. Hierbij ligt de focus op het in kaart brengen van de verschillende middelen die ingezet worden voor het realiseren van het terugkeerbeleid, en hoe deze middelen bijdragen aan het uiteindelijke beleidsdoel.
Doel en Aanpak
De evaluatie vindt plaats binnen het kader van realistisch evalueren. Deze benadering richt zich niet alleen op de vraag óf beleid werkt, maar richt zich vooral op welke onderdelen van beleid werken, voor wie en onder welke omstandigheden. Door te kijken naar de verschillende onderdelen van het terugkeerbeleid (de verschillende betrokken instanties, de beschikbare beleidsinstrumenten, de onderliggende aannames bij het inzetten van die instrumenten) ontstaat er een verdiepend inzicht in de werking van het Nederlandse terugkeerbeleid.
De analyse maakt onderscheid tussen instrumenten gericht op vrijwillige terugkeer (zoals begeleiding en ondersteuning bij zelfstandig vertrek en het stimuleren van vrijwillige terugkeer), maatregelen in het kader van gedwongen terugkeer (bijvoorbeeld de vreemdelingenbewaring en feitelijke uitzetting), en inspanningen op het terrein van internationale samenwerking (bijvoorbeeld met herkomstlanden en binnen Europees verband). Door deze sporen in samenhang te onderzoeken, ontstaat inzicht in hun afzonderlijke en gecombineerde bijdrage aan het realiseren van een effectief en doelmatig, en rechtvaardig terugkeerproces.
Reismotieven Oekraïense ontheemden
In opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft Regioplan het onderzoek ‘Reismotieven Oekraïense ontheemden’ uitgevoerd. Dit onderzoek biedt inzicht in het profiel en de gezinssamenstelling, reisroute en motieven van ontheemden uit Oekraïne die zich in 2025 bij aankomst in Nederland hebben gemeld bij een crisisnoodopvanglocatie (CNO).
Voor het onderzoek is een vragenlijst ontwikkeld, die door in totaal 1.752 mensen bij aankomst op een CNO is ingevuld. De uitkomsten geven daarmee een feitelijk beeld van de instroom van Oekraïense ontheemden in 2025 binnen de CNO’s. De meeste mensen (60 procent van de respondenten) reizen direct naar Nederland en een kleiner deel (40 procent) reist via andere landen. Mensen die op doorreis zijn verbleven het vaakst in Polen en Duitsland. De slechte veiligheidssituatie in Oekraïne is de belangrijkste reden om te vertrekken, gevolgd door aangescherpte wet- en regelgeving. De contacten en/of familie, werkmogelijkheden en opvangmogelijkheden zijn de belangrijkste redenen om in Nederland bescherming aan te vragen.
De uitkomsten van het onderzoek leveren input voor het langetermijnbeleid voor ontheemden uit Oekraïne en bieden daarnaast nuttige inzichten voor het huidige benodigde opvanglandschap.
Meer weten? Lees hier het volledige onderzoeksrapport.
Roos van der Zwan & Coco Mooren, Anouk Pronk & Huub Verbaten (Clingendael) en Mieke Maliepaard (WODC) schreven deze zomer samen een stuk over de onderzoeksbevindingen. Hierin betogen we dat het Nederlandse beleid zou moeten erkennen dat wat begon als tijdelijke opvang, zich nu ontwikkelt tot duurzame vestiging. En dat het daarom van belang is om te zorgen voor duidelijke verblijfroutes voor Oekraïense vluchtelingen en hen daarnaast te ondersteunen bij het leren van Nederlands.
Twee nieuwe onderzoeken over Oekraïense ontheemden gepubliceerd!
In opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft Regioplan twee onderzoeken uitgevoerd over Oekraïense ontheemden in Nederland. Deze rapporten bieden inzicht in de reismotieven en verblijf- en vertrekintenties van Oekraïense ontheemden.
Reismotieven van Oekraïense ontheemden
Het onderzoek genaamd ‘Reismotieven Oekraïense ontheemden’ biedt inzicht in het profiel en de gezinssamenstelling, reisroute en motieven van ontheemden uit Oekraïne die zich in 2025 bij aankomst in Nederland hebben gemeld bij een crisisnoodopvanglocatie (CNO).
Voor het onderzoek is een vragenlijst ontwikkeld, die door in totaal 1.752 mensen bij aankomst op een CNO is ingevuld. De uitkomsten geven daarmee een feitelijk beeld van de instroom van Oekraïense ontheemden in 2025 binnen de CNO’s. De meeste mensen (60 procent van de respondenten) reizen direct naar Nederland en een kleiner deel (40 procent) reist via andere landen. Mensen die op doorreis zijn verbleven het vaakst in Polen en Duitsland. De slechte veiligheidssituatie in Oekraïne is de belangrijkste reden om te vertrekken, gevolgd door aangescherpte wet- en regelgeving. De contacten en/of familie, werkmogelijkheden en opvangmogelijkheden zijn de belangrijkste redenen om in Nederland bescherming aan te vragen.
De uitkomsten van het onderzoek leveren input voor het langetermijnbeleid voor ontheemden uit Oekraïne en bieden daarnaast nuttige inzichten voor het huidige benodigde opvanglandschap.
Meer weten? Lees hier het volledige onderzoeksrapport.
Tijdelijk ontheemd of definitief vertrokken?
Daarnaast doet Regioplan samen met het Clingendael Instituut onderzoek naar de Beschermingsopdracht Oekraïense ontheemden. Het meeste recente rapport Tijdelijk ontheemd of definitief vertrokken? De dilemma’s van Oekraïense ontheemden is nu uit. Regioplan was verantwoordelijk voor het kwalitatieve deel van het onderzoek, waarin de verblijf- en vertrekintenties van verschillende groepen Oekraïense ontheemden zijn onderzocht. Hiervoor zijn er 40 interviews afgenomen onder vier groepen: volwassenen met kinderen, volwassenen die al langer in Nederland zijn, Oekraïense ontheemden die recentelijk naar Nederland zijn gekomen en volwassenen in een kwetsbare positie.
Uit het onderzoek blijkt dat de meeste respondenten, ongeveer 60 tot 70 procent, definitief in Nederland willen blijven. Oekraïense ontheemden geven aan te willen blijven vanwege toenemende verbondenheid, positieve ervaringen met Nederland, stabiliteit en een afnemend vertrouwen in de toekomst van Oekraïne. Of ze willen terugkeren, hangt onder andere af van de veiligheid in Oekraïne, corruptie, risico op dienstplicht en vooruitzichten voor huisvesting en werkgelegenheid in zowel Nederland als Oekraïne.
Meer weten over de verblijf- en vertrekintenties en de verschillen tussen groepen? Bekijk onze kwalitatieve analyse. Het uitgebreide rapport is hier te vinden.
Heb je vragen of wil je meer weten? Neem dan contact op met Miranda of Roos.
René van Son MSc
In mijn onderzoek richt ik mij op vraagstukken rondom migratie, integratie en participatie. Daarbij kijk ik breder dan één thema: mijn interesse ligt in sociale (on)gelijkheid en de mechanismen die kansen bevorderen of juist belemmeren. Mijn achtergrond in de politicologie en sociologie vormt daarbij een belangrijke basis: ik ben geïnteresseerd in hoe beleid tot stand komt en wat de maatschappelijke gevolgen zijn. In mijn werk houd ik mij bezig met de manier waarop beleid mensen in staat stelt om volwaardig mee te doen in de samenleving. Hierbij combineer ik kwantitatieve en kwalitatieve methoden. Ik begin graag bij het grotere geheel, om vervolgens in te zoomen op de geleefde werkelijkheid van mensen achter de cijfers. Juist in die combinatie ontstaat een rijker en completer beeld.
Jaimy Jozefzoon MSc
Bij Regioplan werk ik met enthousiasme aan maatschappelijke vraagstukken rondom inclusie, migratie, participatie en kansengelijkheid. Met mijn achtergrond in toegepaste, sociale en culturele psychologie breng ik kennis mee over hoe gedrag, sociale context en systemen samenhangen.
Als onderzoeker vind ik het belangrijk dat beleid goed onderbouwd is en aansluit bij de leefwereld van de mensen om wie het gaat. Daarbij draag ik graag bij aan analyses die leiden tot heldere, toepasbare aanbevelingen.
dr. Araa Al Jaramani
Ik krijg energie van verdiepend onderzoek naar maatschappelijke ongelijkheid en de rol van beleid in het creëren van inclusieve kansen. Als onderzoeker bij Regioplan werk ik op het snijvlak van migratie, arbeid en sociale inclusie. Mijn expertise ligt bij vraagstukken rondom arbeidsmarktparticipatie van nieuwkomers, digitale inclusie en gendergelijkheid. Met een sterke kwalitatieve onderzoeksachtergrond geef ik graag ruimte aan de stemmen en ervaringen van mensen zelf. Voor mij is beleid geen eindpunt, maar een middel om duurzame en rechtvaardige maatschappelijke verandering mogelijk te maken– mits het recht doet aan de diversiteit en realiteit van de samenleving.
Tussenevaluatie SOWIS: inzichten en lessen uit het eerste tijdvak
De arbeidsparticipatie van statushouders blijft achter bij die van de rest van de beroepsbevolking. Werkgevers spelen een belangrijke rol bij het verbeteren van deze positie. Tegelijkertijd ervaren zij drempels bij het aannemen en begeleiden van statushouders. Daarom introduceerde het ministerie van SZW de subsidieregeling SOWIS. De regeling biedt werkgevers financiële middelen en inhoudelijke ondersteuning om taal- en cultuurverschillen op de werkvloer te overbruggen en hen te ondersteunen bij de begeleiding van statushouders.
Het eerste aanvraagtijdvak laat zien dat er veel belangstelling is voor de subsidie: het overgrote deel van het budget is benut en 203 werkgevers ontvingen een subsidie. De meerderheid van die werkgevers had al ervaring met statushouders en geeft aan dat zij de statushouders ook de subsidie wel hadden aangenomen. Wel is de subsidie voor de werkgevers aanleiding om nieuwe begeleidingsactiviteiten op te starten of bestaande begeleiding te intensiveren. Bovendien bereikt de regeling ook een aanzienlijke hoeveelheid werkgevers die nog niet eerder met statushouders werkten. Dat geldt voor 37% van de werkgevers. Voor deze groep verlaagt de regeling de drempel om statushouders aan te nemen.
Werkgevers zijn overwegend tevreden over de regeling. De financiële middelen maken activiteiten mogelijk die anders niet gestart waren, en de kennistools bieden praktische tips en handvatten bij het inrichten en verbeteren van begeleiding. Een belangrijke les voor het vervolg is om meer nieuwe werkgevers te bereiken. Daarnaast is het belangrijk om werkgevers te voorzien van meer toepasbare kennis over effectieve taalbegeleiding en ondersteuning bij (psychische) gezondheidsproblematiek van statushouders.
De effectiviteit van de subsidieregeling op duurzame arbeidsparticipatie onderzoeken we in de eindevaluatie. Deze verschijnt in 2028.
Meer weten? Bekijk het rapport of de uitgebreidere projectpagina, of neem contact met Rosanne.
Tussenevaluatie SOWIS
De Subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) is in 2024 door het ministerie van SZW in het leven geroepen om werkgevers te ondersteunen bij het aannemen en begeleiden van statushouders. De regeling beoogt de arbeidsparticipatie van statushouders te vergroten door werkgevers financieel en inhoudelijk te ondersteunen bij het overbruggen van taal- en cultuurverschillen op de werkvloer. Voor de periode 2024-2026 is 10,5 miljoen euro beschikbaar gesteld. In opdracht van SZW voert Regioplan zowel een eindevaluatie als een tussenevaluatie van de regeling uit. De tussenevaluatie is inmiddels afgerond en biedt inzichten om mee te nemen in het vervolg van de subsidieregeling.
De arbeidsparticipatie van statushouders blijft achter bij die van de rest van de beroepsbevolking. Werkgevers spelen een belangrijke rol bij het verbeteren van deze positie. Tegelijkertijd ervaren zij drempels bij het aannemen en begeleiden van statushouders, bijvoorbeeld door taal- en culturele verschillen en extra begeleidingsbehoefte. Daarom introduceerde het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in 2024 de subsidieregeling SOWIS. De regeling biedt werkgevers financiële middelen en inhoudelijke ondersteuning om taal- en cultuurverschillen op de werkvloer te overbruggen. Doel is om de arbeidsparticipatie van statushouders te vergroten. In 2025 voerden wij een tussenevaluatie uit. We brachten in kaart hoe de regeling is uitgevoerd en welke lessen hieruit te trekken zijn.
Voor dit onderzoek deden wij deskresearch en ontwikkelden we een beleidstheorie. Ook analyseerden we gegevens over het aantal aanvragen en toekenningen. Daarnaast hielden we een enquête onder werkgevers die een aanvraag hadden ingediend. Ook spraken we met afgewezen en afgehaakte werkgevers en deden we casestudies bij werkgevers en statushouders. Zo kregen we inzicht in de uitvoering van de regeling en de ervaringen van betrokkenen.
Enkele belangrijke inzichten uit de tussenevaluatie
Het eerste aanvraagtijdvak liet zien dat er veel belangstelling is voor de regeling. Er werden 357 aanvragen ingediend, waarvan 203 subsidies zijn verleend. Daarmee werden 402 statushouders ondersteund. De meerderheid van de werkgevers had al eerdere ervaring met statushouders. Voor dit deel van de werkgevers was de subsidie geen doorslaggevende reden om statushouders aan te nemen. Wel biedt de subsidie ruimte om extra begeleiding te organiseren en bestaande begeleiding te intensiveren. Tegelijkertijd bereikt de regeling ook een aanzienlijk deel werkgevers die nog niet eerder met statushouders werkten: dit was bij ruim een-derde van de werkgevers het geval. Mede dankzij de subsidie lijkt deze groep werkgevers nu een stap te kunnen zetten in het aannemen van statushouders.
De werkgevers zijn overwegend tevreden over de informatievoorziening en de aanvraagprocedure van de regeling. Ook vinden veel werkgevers de voorwaarden niet ingewikkeld. Wel was er onduidelijkheid bij een deel van de afgewezen werkgevers over de afwijzingsreden. Ook ervaren sommige werkgevers het verplichte activiteitenplan als belastend. Het plan prikkelt werkgevers om vooraf goed na te denken over de begeleiding. De vragen en tips in het format helpen om activiteiten te concretiseren of aan te scherpen. Tegelijkertijd vinden vooral kleinere werkgevers het format te rigide.
Werkgevers waarderen de financiële middelen en de kennistools. Het subsidiegeld maakt bij een deel van de werkgevers activiteiten mogelijk die anders niet gestart waren en de kennistools bieden praktische tips en handvatten voor het inrichten van de begeleiding of aanpassingen door te voeren in de al bestaande begeleiding. Wel blijkt er in de praktijk nog behoefte te zijn aan meer informatie over effectieve taalbegeleiding en het omgaan met (psychische) gezondheidsproblematiek bij statushouders.
Lessen voor het vervolg
Op basis van deze tussenevaluatie zien wij een aantal lessen voor het vervolg:
- Een eerste les is dat gemeenten en werkgeversservicepunten belangrijpe partijen zijn in het bereiken van werkgevers, ook doordat zij soms al een bestaande werkrelatie hebben met werkgevers die al met statushouders werken. Om die reden is het echter ook belangrijk om deze partijen te attenderen wervingsstrategieën waarmee ze ook werkgevers kunnen bereiken die nog niet met statushouders werken. Dit kan de effectiviteit van de subsidieregeling in het bereiken van nieuwe werkgevers aanzienlijk verhogen.
- Daarnaast is het belangrijk om het aanvraagproces verder te vereenvoudigen, met name voor kleinere werkgevers, voor wie de algemene eisen die worden gesteld aan de begeleiding niet altijd passen bij hun bedrijfsvoering.
- Tot slot zien wij ruimte voor verbeteringen in de kennisstructuur, waarbij werkgevers (nog) meer handvatten krijgen aangereikt als het gaat om ‘best practices’ in effectieve taalbegeleiding en het beiden van ondersteuning aan statushouders met (psychische) gezondheidsproblemen.
Het vervolg
De subsidieregeling loopt door tot en met 2029. In vergelijking met het eerste aanvraagtijdvak zijn er al aanpassingen doorgevoerd. Zo is het bedrag per werkgever verlaagd van € 5.000 naar € 3.000. Dit is gedaan om met hetzelfde budget meer werkgevers te bereiken. Bovendien kunnen werkgevers voortaan jaarlijks opnieuw subsidie aanvragen, als tegemoetkoming voor structurele begeleidingskosten bij statushouders. Werkgevers die voor het eerst subsidie aanvragen, ontvangen daarnaast € 3.000 extra voor de ontwikkelkosten van een nieuw traject. Tot slot organiseert SZW samen met werkgeversorganisaties bijeenkomsten met ervaren werkgevers. Zo ontwikkelen zij effectieve en praktisch toepasbare interventies, zodat meer werkgevers statushouders aannemen.
Hoewel de ervaringen tot nu toe laten zien dat de subsidieregeling werkgevers helpt bij het begeleiden van statushouders, is het effect op duurzame arbeidsparticipatie nu nog niet vast te stellen. Dat onderzoeken we in de eindevaluatie. De resultaten daarvan verschijnen begin 2028.
Wilt u meer weten? Bekijk dan hier het volledige rapport, of neem contact op met Rosanne.
Tussenevaluatie Wet inburgering 2021: Verbetering ten opzichte van de vorige inburgeringwet, maar ook nog uitdagingen
Het kabinet heeft de tussenevaluatie Wet inburgering 2021 gepubliceerd. In deze tussenevaluatie, die is uitgevoerd door Regioplan, maken we na ruim drie jaar de balans op van de werking van de Wi2021.
De tussenevaluatie laat zien dat de Wi2021 een sterke verbetering is ten opzichte van de Wi2013. Op verschillende punten is de Wi2021 anders ingericht dan het voorgaande stelsel. Zo hebben gemeenten de regie gekregen over de uitvoering van de inburgering, is het beoogde taalniveau verhoogd van A2 naar B1 en zijn er meerdere leerroutes ingericht om meer maatwerk te kunnen bieden. Uit het onderzoek komt naar voren dat gemeenten actief invulling geven aan de regierol en dat er sprake is van een vrijwel landelijk dekkend aanbod op alle onderdelen. Inburgeraars zijn over het algemeen tevreden over de kwaliteit van de inburgeringscursus en de meeste taalaanbieders voldoen aan de basiseisen voor kwaliteit. Ook waarderen inburgeraars de inzet van maatwerk. Tot nu toe weten inburgeraars onder de Wi2021 ook een hoger taalniveau te behalen dan onder de Wi2013.
Het onderzoek laat daarentegen ook zien dat het tijdig starten met de inburgering moeilijk van de grond komt. Daarnaast is het vlot doorlopen van de inburgering in de praktijk ingewikkeld. Voor een groot deel van de asielstatushouders kan het een jaar duren vanaf het moment dat ze inburgeringsplichtig worden totdat ze daadwerkelijk starten met de inburgeringscursus. Voor gezins- en overige migranten is deze termijn korter, aangezien zij niet starten in de COA-opvang, maar is een periode van een half jaar tot de start van de cursus ook geen uitzondering. Factoren die buiten het bereik van het inburgeringsstelsel liggen spelen daarbij een grote rol, zoals de moeizame doorstroom vanuit de opvang naar huisvesting in de gemeente als gevolg van het landelijk woningtekort en capaciteitsproblemen in de uitvoering bij zowel het COA en gemeenten als bij taalscholen.
Gemeenten onderschrijven het belang van het combineren van taal en participatie (‘dualiteit’) en in de praktijk van de inburgering wordt hier ook op ingezet. Toch zijn er in de praktijk ook verschillende obstakels die dualiteit belemmeren. Zo is het lastig om voldoende lokale participatieplekken te vinden en is het op zoek gaan voor individuele inburgeraars naar geschikte participatieplekken arbeidsintensief voor gemeenten. Dit belemmert de effectiviteit van de inzet op dualiteit in de praktijk.
De feitelijke kosten voor de uitvoering van de inburgering komen hoger uit dan het beschikbare budget in het Gemeentefonds. Dit komt door een combinatie van een hoger aantal inburgeraars en hogere kosten per inburgeraar dan van te voren geraamd. De tekorten per inburgeraar zijn groter in kleine gemeenten dan in grote gemeenten.
De tussenevaluatie is gebaseerd op een synthese van verschillende onderzoeken die in het kader van de monitoring en evaluatie van de Wi2021 zijn uitgevoerd. Ook is er een uitgebreid onderzoek uitgevoerd door Cebeon naar de betaalbaarheid van het stelsel.
In de kabinetsreactie die op 28 januari 2026 is verschenen over de tussenevaluatie wordt ook gereflecteerd op het recent verschenen onderzoek van de Algemene rekenkamer ‘Onbenut potentieel’. Een groot deel van de conclusies van dit onderzoek komt overeen met de bevindingen van de tussenevaluatie. Het kabinet neemt de aanbevelingen van de Algemene rekenkamer over.
Hier lees je de kabinetsreactie, en hier kun je ons gehele rapport lezen.