Werkveld: Migratie, integratie en diversiteit
dr. Roos van der Zwan
In mijn werk richt ik me op vraagstukken rondom ongelijkheid in de samenleving, zoals genderongelijkheid in de verdeling van werk en zorg, de positie van mensen met een beperking en van statushouders. De laatste jaren heb ik vooral onderzoek gedaan naar ongelijkheid op de arbeidsmarkt, maar ik ben ook graag bezig met de thema’s migratie en integratie. Hierbij gebruik ik het liefst een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden. Ik heb gemerkt dat die combinatie vaak helpt om een onderzoeksvraag goed te kunnen beantwoorden. Ik vind het daarbij belangrijk om ook het perspectief mee te nemen van de mensen waar het over gaat.
Derde deelrapportage Perspectief Inburgeraar gepubliceerd!
Sinds de invoering van de Wet inburgering 2021 onderzoekt Regioplan in samenwerking met OpenEmbassy en BMC hoe inburgeraars hun inburgeringstraject ervaren. Deze derde rapportage is gebaseerd op een vragenlijstonderzoek onder ruim 5.000 asiel- en gezinsmigranten en op diepte-interviews, expertpools en peer-interviews met inburgeraars. Het veldwerk vond plaats in het laatste kwartaal van 2024 (kwantitatief) en het eerste kwartaal van 2025 (kwalitatief).
In de diverse bevindingen die in dit onderzoek naar voren komen, zijn een aantal rode draden te ontdekken, waaronder:
- Ervaringen verschillen sterk tussen groepen inburgeraars: De waardering van de inburgering varieert sterk tussen leerroutes, genders en typen migranten. Mensen in de Onderwijsroute zijn bijvoorbeeld vaker positief, dan inburgeraars in de andere leerroutes. Ook mannen en asielmigranten beoordelen hun traject doorgaans positiever dan vrouwen en gezinsmigranten.
- Aansluiting op persoonlijke doelen en ambities: Inburgeraars hechten veel waarde aan begeleiding en lesaanbod die aansluiten bij hun individuele toekomstplannen. Als taallessen of participatieactiviteiten niet relevant zijn voor hun situatie of ambities, daalt de waardering sterk.
- Belang van autonomie in het traject: Inburgeraars hechten er waarde aan om zelf keuzes te kunnen maken gedurende het traject, zoals het kunnen wisselen van taalaanbieder of het geven van feedback op het aanbod. Een leergerichte begeleiding die gericht is op zelfstandigheid wordt meer gewaardeerd dan een sturende aanpak, waarin teveel taken worden overgenomen.
- Veranderende ervaringen gedurende het traject: In het begin zijn inburgeraars over het algemeen positiever over het traject: zo waarderen ze de intensieve en proactieve begeleiding en ervaren ze veel motivatie om bijvoorbeeld de taal te leren. Later neemt de motivatie soms af, onder meer door stress over examens of het gevoel onvoldoende vooruitgang te boeken.
Het soort begeleiding dat inburgeraars later in het traject krijgen kan mogelijk nog beter inspelen op de verschillen in behoeften tussen diverse groepen inburgeraars, en de veranderende behoeften gedurende traject. In het rapport noemen we daarom een aantal concrete aandachtspunten die meegenomen kunnen worden in de verdere uitvoering van het inburgeringsbeleid.
Benieuwd naar deze aandachtspunten en onze overige bevindingen? Lees dan hier het rapport met samenvatting, of neem contact op met Miranda Witvliet.
Dutch Sopemi Report: Rapportage 2024 beschikbaar
Van 2023-2026 brengt Regioplan in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid jaarlijks een rapport uit met de meest recente migratiecijfers en recente ontwikkelingen in migratie- en integratiebeleid. Het nieuwste rapport is nu beschikbaar.
De nationale SOPEMI-rapporten zijn belangrijke input voor het werk van de OESO op het gebied van internationale migratie. De rapporten worden gebruikt ter voorbereiding van de jaarlijkse OESO International Migration Outlook en als referentiedocumenten over ontwikkelingen in het immigratie- en integratiebeleid, informatie over lopende beleidsdebatten en nieuwe kwesties en om trends en patronen in migratie- en integratiestatistieken te identificeren.
Een aantal bevindingen uit deze rapportage:
- Op 1 januari 2024 woonden er 5 miljoen mensen met een migratieachtergrond in Nederland;
- Tussen 2022 en 2023 daalde het aantal immigranten van 403.000 naar 336.000;
- Tussen 2022 en 2023 steeg het aantal emigranten van 179.000 naar 198.000;
- Begin 2023 werkten 730.000 mensen uit de EU en het Verenigd Koninkrijk in Nederland;
- Tussen 2022 en 2023 steeg het aantal asielaanvragen in Nederland van 48.000 naar 50.000;
- In 2023 werden 14.000 eerste asielaanvragen ingewilligd;
- In 2023 studeerden 128.000 buitenlandse studenten aan het Nederlandse hoger onderwijs.
Meer weten? Neem dan contact op met Arend Odé.
Evaluatiekader en nulmeting Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta)
De uitleensector wordt momenteel gekenmerkt door een groep van uitleners die misbruik maakt van de kwetsbare positie van arbeidskrachten. Het overtreden van de wet- en regelgeving is een verdienmodel geworden. Hierdoor werken veel arbeidskrachten in de uitleensector onder schrijnende omstandigheden. Zij krijgen bijvoorbeeld minder betaald dan waar ze recht op hebben of worden onder slechte omstandigheden en tegen hoge tarieven gehuisvest. Om dit soort misstanden en malafide praktijken in de uitleensector tegen te gaan, treedt op 1 januari 2027 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) in werking. In opdracht van het ministerie van SZW ontwikkelde Regioplan een evaluatiekader om de werking van de wet te kunnen beoordelen. Daarnaast voerden we een nulmeting uit om de situatie voorafgaand aan de invoering van de wet in beeld te brengen.
Meer weten? Kijk voor informatie op de projectpagina of neem contact op met Rosanne.
Dutch Sopemi Report. Migration Statistics and Migration Policies in the Netherlands
Van 2023-2026 brengt Regioplan in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid jaarlijks een nationaal rapport uit met de meest recente migratiecijfers en recente ontwikkelingen in migratie- en integratiebeleid.
Het nieuwste rapport staat nu op onze website.
De nationale SOPEMI-rapporten zijn belangrijke input voor het werk van de OESO op het gebied van internationale migratie. De rapporten worden gebruikt ter voorbereiding van de jaarlijkse OESO International Migration Outlook en als referentiedocumenten over ontwikkelingen in het immigratie- en integratiebeleid, informatie over lopende beleidsdebatten en nieuwe kwesties en om trends en patronen in migratie- en integratiestatistieken te identificeren.
Een aantal bevindingen uit deze rapportage:
- Op 1 januari 2024 woonden er 5 miljoen mensen met een migratieachtergrond in Nederland;
- Tussen 2022 en 2023 daalde het aantal immigranten van 403.000 naar 336.000;
- Tussen 2022 en 2023 steeg het aantal emigranten van 179.000 naar 198.000;
- Begin 2023 werkten 730.000 mensen uit de EU en het Verenigd Koninkrijk in Nederland;
- Tussen 2022 en 2023 steeg het aantal asielaanvragen in Nederland van 48.000 naar 50.000;
- In 2023 werden 14.000 eerste asielaanvragen ingewilligd;
- In 2023 studeerden 128.000 buitenlandse studenten aan het Nederlandse hoger onderwijs.
Meer weten?
Neem dan contact op met Arend.
Internationale vergelijking taalvaardigheid arbeidsmigranten
Cijfers van de OECD laten zien dat migranten in Nederland de Nederlandse taal relatief slecht beheersen in vergelijking met andere landen. In aansluiting op het IBO arbeidsmigratie hebben we daarom een internationale vergelijking uitgevoerd, onder andere om lessen uit het buitenland in kaart te brengen.
In dit onderzoek, dat we uitvoerden in opdracht van het ministerie van Financien en het ministerie van SZW, hebben we een literatuurstudie uitgevoerd en een analyse gemaakt van cijfermatige bronnen over de taalverwerving van arbeidsmigranten en de wijze waarop het taalaanbod voor arbeidsmigranten in het buitenland is georganiseerd.
In het rapport zetten we een aantal belangrijke determinanten van taalverwerving van arbeidsmigranten op een rij. Deze determinanten kunnen geschaard worden onder 1. motivatie om de taal te leren en 2. de contactmomenten met de Nederlandse taal. Verder beschrijven we hoe de taalverwerving van arbeidsmigranten is georganiseerd in vier andere landen: Duitsland, Zweden, Denemarken en Luxemburg.
Op basis van de bevindingen kunnen we op vier thema’s lessen voor Nederlands beleid op een rij zetten:
- Voor het aanbieden van werkgerichte taalprogramma’s en het betrekken van werkgevers
- Gericht op het vergroten van de toegang tot taallessen
- Voor het bevorderen van informele contactmomenten
- Gericht op het versterken van de monitoring en evaluatie
Onderzoek: moslimdiscriminatie is hardnekkig en ontwrichtend
Moslimdiscriminatie is een wijdverbreid en hardnekkig fenomeen dat vaak niet uit losse incidenten bestaat maar een patroon vormt. Dit komt naar naar voren uit het onderzoek dat Regioplan en European Research Centre on Migration and Ethnic Relations (ERCOMER) van de Universiteit Utrecht in opdracht van het ministerie van SZW hebben uitgevoerd.
Moslimdiscriminatie is steeds meer genormaliseerd in alle geledingen van de samenleving. Dat maakt het een structureel probleem. De gevolgen hiervan kunnen ontwrichtend zijn, niet alleen voor moslims zelf, maar ook voor de maatschappij als geheel. Het kan ertoe leiden dat met name de jongere generatie de verbinding met de Nederlandse samenleving kwijtraakt. Deze uitkomsten komen naar voren uit het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie, dat wij in de periode december 2023 – december 2024 hebben uitgevoerd naar de ervaringen van moslims met discriminatie en naar mogelijke aanvullende maatregelen om moslimdiscriminatie effectief tegen te gaan.
Voor dit onderzoek is er een literatuurstudie gedaan en zijn er interviews en focusgroepen georganiseerd met moslims over hun discriminatie-ervaringen. Ook is er gesproken met verschillende belangengroepen, maatschappelijke stakeholders, experts en beleidsmakers.
In dit onderzoek zijn drie verbeterkansen verder uitgewerkt. Deze verbeterkansen identificeren belangrijke elementen, doelen, actoren en acties om moslimdiscriminatie verder aan te kunnen pakken. Het ministerie van SZW zal in het tweede kwartaal van 2025 in samenhang met het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme een kabinetsreactie versturen naar de Tweede Kamer.
Lees hier het hele rapport.
Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie
Moslimdiscriminatie is een wijdverbreid en hardnekkig fenomeen dat vaak niet uit losse incidenten bestaat maar een patroon vormt. Dit komt naar naar voren uit het onderzoek dat Regioplan en European Research Centre on Migration and Ethnic Relations (ERCOMER) van de Universiteit Utrecht in opdracht van het ministerie van SZW hebben uitgevoerd.
Moslimdiscriminatie is steeds meer genormaliseerd in alle geledingen van de samenleving. Dat maakt het een structureel probleem. De gevolgen hiervan kunnen ontwrichtend zijn, niet alleen voor moslims zelf, maar ook voor de maatschappij als geheel. Het kan ertoe leiden dat met name de jongere generatie de verbinding met de Nederlandse samenleving kwijtraakt. Deze uitkomsten komen naar voren uit het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie, dat wij in de periode december 2023 – december 2024 hebben uitgevoerd naar de ervaringen van moslims met discriminatie en naar mogelijke aanvullende maatregelen om moslimdiscriminatie effectief tegen te gaan.
Voor dit onderzoek is er een literatuurstudie gedaan en zijn er interviews en focusgroepen georganiseerd met moslims over hun discriminatie-ervaringen. Ook is er gesproken met verschillende belangengroepen, maatschappelijke stakeholders, experts en beleidsmakers.
In dit onderzoek zijn drie verbeterkansen verder uitgewerkt. Deze verbeterkansen identificeren belangrijke elementen, doelen, actoren en acties om moslimdiscriminatie verder aan te kunnen pakken. Het ministerie van SZW zal in het tweede kwartaal van 2025 in samenhang met het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme een kabinetsreactie versturen naar de Tweede Kamer.
Tussenevaluatie Wet inburgering 2021 (Wi2021)
De tussenevaluatie laat zien dat de Wi2021 een sterke verbetering is ten opzichte van de Wi2013. Op verschillende punten is de Wi2021 anders ingericht dan het voorgaande stelsel. Zo hebben gemeenten de regie gekregen over de uitvoering van de inburgering, is het beoogde taalniveau verhoogd van A2 naar B1 en zijn er meerdere leerroutes ingericht om meer maatwerk te kunnen bieden. Uit het onderzoek komt naar voren dat gemeenten actief invulling geven aan de regierol en dat er sprake is van een vrijwel landelijk dekkend aanbod op alle onderdelen. Inburgeraars zijn over het algemeen tevreden over de kwaliteit van de inburgeringscursus en de meeste taalaanbieders voldoen aan de basiseisen voor kwaliteit. Ook waarderen inburgeraars de inzet van maatwerk. Tot nu toe weten inburgeraars onder de Wi2021 ook een hoger taalniveau te behalen dan onder de Wi2013.
Het onderzoek laat daarentegen ook zien dat het tijdig starten met de inburgering moeilijk van de grond komt. Daarnaast is het vlot doorlopen van de inburgering in de praktijk ingewikkeld. Voor een groot deel van de asielstatushouders kan het een jaar duren vanaf het moment dat ze inburgeringsplichtig worden totdat ze daadwerkelijk starten met de inburgeringscursus. Voor gezins- en overige migranten is deze termijn korter, aangezien zij niet starten in de COA-opvang, maar is een periode van een half jaar tot de start van de cursus ook geen uitzondering. Factoren die buiten het bereik van het inburgeringsstelsel liggen spelen daarbij een grote rol, zoals de moeizame doorstroom vanuit de opvang naar huisvesting in de gemeente als gevolg van het landelijk woningtekort en capaciteitsproblemen in de uitvoering bij zowel het COA en gemeenten als bij taalscholen.
Gemeenten onderschrijven het belang van het combineren van taal en participatie (‘dualiteit’) en in de praktijk van de inburgering wordt hier ook op ingezet. Toch zijn er in de praktijk ook verschillende obstakels die dualiteit belemmeren. Zo is het lastig om voldoende lokale participatieplekken te vinden en is het op zoek gaan voor individuele inburgeraars naar geschikte participatieplekken arbeidsintensief voor gemeenten. Dit belemmert de effectiviteit van de inzet op dualiteit in de praktijk.
De feitelijke kosten voor de uitvoering van de inburgering komen hoger uit dan het beschikbare budget in het Gemeentefonds. Dit komt door een combinatie van een hoger aantal inburgeraars en hogere kosten per inburgeraar dan van te voren geraamd. De tekorten per inburgeraar zijn groter in kleine gemeenten dan in grote gemeenten.
De tussenevaluatie is gebaseerd op een synthese van verschillende onderzoeken die in het kader van de monitoring en evaluatie van de Wi2021 zijn uitgevoerd. Ook is er een uitgebreid onderzoek uitgevoerd door Cebeon naar de betaalbaarheid van het stelsel.
In de kabinetsreactie die op 28 januari 2026 is verschenen over de tussenevaluatie wordt ook gereflecteerd op het recent verschenen onderzoek van de Algemene rekenkamer ‘Onbenut potentieel’. Een groot deel van de conclusies van dit onderzoek komt overeen met de bevindingen van de tussenevaluatie. Het kabinet neemt de aanbevelingen van de Algemene rekenkamer over.
Kabinet publiceert tussenevaluatie Wet inburgering en neemt aanbevelingen Rekenkamer over.
Start onderzoek Tussenevaluatie Wet inburgering 2021 (Wi2021)
De Wet inburgering 2021 (Wi2021) is nu drie jaar op weg. Een goed moment om de tussenstand op te maken. Voor het ministerie van SZW zijn we daarom recent gestart met de Tussenevaluatie van de Wi2021. Dit onderzoek voeren we samen uit met Cebeon en RadarAdvies.
Per 1 januari 2022 is de Wi2021 in werking getreden als opvolger van de Wet inburgering 2013. De Wi2021 beoogt, samen met andere wetgeving binnen het sociaal domein, een bijdrage te leveren aan het snel en volwaardig meedoen van inburgeringsplichtigen in de Nederlandse maatschappij, liefst via betaald werk.
In de Wi2021 gelden verschillende vereisten en verantwoordelijkheden voor enerzijds asielmigranten en anderzijds gezins- en overige migranten. Zo moeten gezins- en overige migranten zelf hun cursus regelen en betalen. Voor asielmigranten koopt de gemeente de trajecten in. Verschillende instrumenten zoals maatschappelijke begeleiding en financiële ontzorging gelden alleen voor asielmigranten. De Wi2021 gaat, in tegenstelling tot de Wi2013, uit van de regierol van gemeenten en daarnaast van de eigen verantwoordelijkheid van inburgeraars voor het voldoen van de inburgeringsplicht. De Tussenevaluatie van de wet bestaat uit drie onderdelen: het opmaken van de tussenstand van de uitvoering en werking van onderdelen van de wet, een deelonderzoek over de uitvoeringskosten voor gemeenten en een deelonderzoek over de maatschappelijke begeleiding als onderdeel van de Wi2021.
De werking en uitvoering van de Wi2021 gaan we vanuit Regioplan in kaart brengen middels realistische evaluatie. We stellen allereerst de beleidstheorie van de verschillende onderdelen van de wet op met behulp van literatuuronderzoek en interviews met beleidsmakers. Vervolgens toetsen we de beleidstheorie aan de hand van bestaande evaluatiestudies en organiseren we reflectie- en toetsingssessies met gemeenten en stakeholders. Op basis van deze inzichten reflecteren we op de centrale vraag of de geconstateerde ontwikkelingen zich hebben voltrokken op een manier zoals die volgens de beleidstheorie verwacht kan worden.
Daarnaast gaat Cebeon onderzoeken welke kosten gemeenten maken voor de uitvoering van de Wi2021 en in hoeverre de beschikbare financiering passend is om de onderdelen van de wet goed uit te kunnen voeren. RadarAdvies gaat inzicht verkrijgen in de wijze waarop gemeenten de maatschappelijke begeleiding invullen en hoe de maatschappelijke begeleiding is ingebed in de uitvoering van de andere onderdelen van de Wi2021.
De inzichten uit deze onderdelen samen geven een eerste beeld van de werking, het doelbereik, de tussenresultaten en de kosten van de Wi2021, zodat potentiële verbeteringen in de wet- en regelgeving en de uitvoering van de wet in beeld komen. Het onderzoek loopt tot en met november 2025.