Evaluatie projectsubsidie NJi

Het NJi heeft in de periode 2017 tot en met 2021 jaarlijkse projectsubsidies ontvangen van het ministerie van OCW. Het ministerie van OCWS heeft ons gevraagd om de doelmatigheid van de besteding van het subsidiebedrag te evalueren.

In de periode 2017 tot en met 2021 heeft het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) jaarlijkse projectsubsidies ontvangen van het ministerie van OCW voor het verbeteren van de samenwerking tussen het onderwijs- en jeugddomein door middel van het ontwikkelen van een kennisinfrastructuur op / tussen deze domeinen.

Het doel van het onderzoek is om de doelmatigheid van de besteding van het subsidiebedrag te evalueren. Daarnaast geven we aanbevelingen voor het monitoren van de doelmatigheid van een eventuele instellingssubsidie.

De subsidie
Aanvankelijk was de projectsubsidie onderdeel van de implementatie van passend onderwijs, waarbij het doel was het ondersteunen van de verbinding tussen passend onderwijs en de jeugdzorg door middel van kennis. In de loop der jaren is de focus van de kennisrol van het NJi binnen het kader van deze projectsubsidie verbreed naar samenwerkings- en aansluitingsvraagstukken tussen het onderwijs- en het jeugdveld.

Bij het uitvoeren van het onderzoek was het NJi als subsidieontvanger en het OCW (samen met VWS) als subsidieverstrekker nauw betrokken. Daarnaast is er een enquête uitgezet onder stakeholders. Met enkele stakeholders hebben we daarnaast verdiepende interviews gevoerd. Naast een algemeen beeld van de opbrengsten van de kennisactiviteiten van het NJi, vroegen we ook naar de lessen die er uit de praktijk van de afgelopen periode getrokken kunnen worden.

Meer informatie? In het onderzoeksrapport rapporteren we de belangrijkste kernbevindingen van de evaluatie en schetsen we op basis daarvan enkele toekomstscenario’s voor het vervolg van de subsidieopdracht. Lees het onderzoeksrapport hier of neem contact op met onderzoeker Suna Duysak voor meer informatie.

Evaluatie vsv-programma 2020-2024 regio Achterhoek

In het regionale vsv-programma 2020-2024 heeft de regio Achterhoek extra maatregelen opgenomen om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Hoewel de regio al veel inzet op het voorkomen van voortijdige schooluitval, wil de regio in de periode 2020-2024 een verdiepingsslag maken. Op verzoek van de VSV-programmagroep hebben wij een tussentijdse evaluatie van het vsv-programma uitgevoerd.

Aanpak
Concreet omvatte de evaluatie het volgende:

  • een inventarisatie van de huidige stand van zaken (maatregelen en resultaten), resulterend in een effectiviteitsanalyse;
  • een visie op verbetermogelijkheden van de huidige maatregelen;
  • een uitwerking van die visie in een aantal concrete verbetermaatregelen en acties binnen de huidige maatregelen.

Voor het onderzoek hebben we een deskresearch uitgevoerd van feiten en cijfers over schoolverzuim, voortijdig schooluitval en jongeren in een kwetsbare positie in de Achterhoek. We hebben ons hierbij gebaseerd op relevante beleidsdocumenten, jaarverslagen en data die de RMC-regio met ons heeft gedeeld. Vervolgens hebben we verdiepende interviews gevoerd met de betrokken uitvoerders binnen het programmaplan. Het doel van de gesprekken was om een preciezer beeld te krijgen van de gemaakte keuzes in de uitvoering van de vsv-maatregelen en de (gepercipieerde) opbrengsten van de inzet. Daarbij was het uitgangspunt hoe de betrokken partijen hun inzet relateren aan de opbrengsten en doelen van de specifieke maatregelen. In de laatste fase van het onderzoek hebben we een werksessie georganiseerd met de vsv-programma-groep. In de sessie is gereflecteerd op de voorlopige bevindingen van het onderzoek en hebben we de aanbevelingen verder geconcretiseerd.

Aanbevelingen
Hoewel het aantal vsv’ers in de Achterhoek relatief laag is, zien betrokken partijen ruimte voor verbetering. De Achterhoek heeft veel verschillende activiteiten en voorzieningen om voortijdig schoolverlaten terug te dringen, zowel in het mbo als in het vo. Uit de verdiepende gesprekken kwam naar voren dat de betrokken partijen over het algemeen heel tevreden zijn met de activiteiten en voorzieningen die zij bieden om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan. Ook zien zij het belang van de activiteiten die gedaan worden. Het cijfermatige beeld waaruit die effectiviteit blijkt ontbreekt echter nog. Door de effectiviteit in kaart te brengen kan de regio hun aanpak hard maken bij bestuurders en mogelijk ook structurelere financiële middelen generen. Door de effectiviteit in kaart te brengen kan er ook meer focus gekozen worden en verbeterd worden wat écht werkt. Volgens de vsv-programmagroep zit de winst in het streven naar een grotere gedeelde verantwoordelijkheid. VSV voorkomen en proberen te verlagen (of laag te houden) is een gezamenlijke opdracht voor de betrokken partijen. Hoe kunnen we dit als concreet doel of actie verwoorden? Hoe kunnen we elkaar hierin ondersteunen?

Op basis van de verzamelde inzichten zijn vier verbetermaatregelen uitgewerkt om het huidige vsv-programmaplan door te ontwikkelen:
Maatregel 1: Structurele middelen genereren voor dat wat werkt
Maatregel 2: De effectiviteit beter inzichtelijk maken
Maatregel 3: Leerlingen (nog) beter ondersteunen bij het maken van een studiekeuze
Maatregel 4: Nog meer richten op preventie

Meer informatie? Lees het onderzoeksrapport of neem contact op met Suna Duysak.

RMC-aanpak verzuim 18+ en monitoring van jongeren in een kwetsbare positie (JIKP)

Door de medewerkers van de verschillende Regionale Meld- en Coördinatiefunctieregio’s (RMC-(sub)regio’s) wordt op uiteenlopende manieren gewerkt aan het voorkomen en terugdringen van voortijdige schooluitval. Ingrado heeft ons gevraagd een verkennend onderzoek uit te voeren dat voorziet in een overkoepelend inzicht in de wijze waarop de RMC-(sub)regio’s werken aan hun verzuim 18+- en JIKP-aanpak en tevens inzicht geeft in mogelijkheden om de huidige invulling te verbeteren.

Onderzoeksmethode
Om te komen tot een overkoepelend inzicht van de verzuim 18+ en JIKP-aanpak van de verschillende regio’s is op verschillende manieren data verzameld. De onderzoeksaanpak bestond grofweg uit drie fases:
Fase 1: online quicksan onder RMC-coördinatoren van de verschillende RMC-(sub)regio’s;
Fase 2: verdiepende kwalitatieve interview met RMC-coördinatoren;
Fase 3: werksessie met RMC-coördinatoren en Ingrado.

Algemene conclusies

RMC-aanpak Verzuim 18+
In algemene zin kunnen we concluderen dat de invulling van de verzuimaanpak 18+ een stuk eenduidiger gaat dan de invulling van de monitoringstaak voor JIKP. Uit de gesprekken blijkt dat de RMC-coördinatoren een duidelijke visie hebben over hoe (en door wie) verzuim 18+ aangepakt moet worden. Het is duidelijk wat hun taken en verantwoordelijkheden zijn bij het voorkomen en verminderen van verzuim 18+. Ze zijn daarnaast beter bekend en meer ingebed in het verzuimnetwerk (leerplicht en onderwijs) en weten welke lijnen en middelen ze kunnen inzetten om kwesties rondom verzuim op te lossen. Hoewel in de RMC-(sub)regio’s de invulling van de aanpak divers wordt vormgegeven, is er wel een gemeenschappelijke lijn te herkennen. Alle regio’s werken vanuit een preventief kader aan verzuim 18+ en proberen waar mogelijk aan te sluiten op de verzuimaanpak van leerplicht (verzuim 18-). Een al bestaande nauwe samenwerking met leerplicht en het onderwijs en de landelijke campagnes van Ingrado over de RMC-routekaart en de aandacht voor ‘aanwezigheid’ in plaats van verzuim, dragen volgens de RMC-coördinatoren bij aan een meer gemeenschappelijke (landelijke) invulling van verzuim 18+.

Monitoringstaak JIKP
De mate waarin RMC-regio’s verschillen in hoe ze hun monitoringstaak voor JIKP invullen is een stuk groter dan de regionale verschillen voor verzuim 18+. Sommige regio’s monitoren en signaleren alleen in cijfers en hebben een bescheiden rol in de uitvoering van de vervolgacties, andere regio’s zoeken actief de samenwerking op binnen het jeugdveld en het onderwijs om JIKP meer hands-on te begeleiden. De RMC-medewerkers moeten zich voor de aanpak voor JIKP navigeren door een netwerk waarin ze relatief minder bekend zijn (dan het onderwijs). De rol (toegevoegde waarde) van de RMC in de monitoring van JIKP is voor sommige RMC-coördinatoren en voor de ketenpartners niet altijd evident. De onderliggende redenen voor deze onduidelijkheid zijn onder meer het ontbreken van gezamenlijke doelstellingen en financiering voor de monitoring van JIKP en het ontbreken van een eenduidige definitie voor JIKP/ kwetsbare jongeren binnen de keten.

Aanbevelingen
Het is bijzonder dat de RMC-(sub)regio’s een beter beeld hebben van hun taken en verantwoordelijkheden als het gaat om het verminderen van verzuim 18+ en juist minder als gaat om het monitoren van JIKP. Dit is bijzonder omdat er geen wetgeving is over de invulling van de aanpak van verzuim 18+ maar wel over de monitoringstaak van JIKP. Op basis van de bevindingen hebben we Ingrado aangeraden om aan de slag te gaan met de volgende punten:

  1. Werk samen met de MBO Raad aan het versterken en verbeteren van een eenduidig verzuimbeleid op mbo-instellingen (waarin een eenduidige lijn wordt getrokken tussen de aanpak van verzuim 18 min en verzuim 18 plus).
  2. Communiceer de onduidelijkheden over de monitoringstaak van JIKP aan het ministerie van OCW.
  3. Stel een handreiking op over de doelgroep JIKP om te komen tot een scherpere definitie afbakening van de doelgroep en duidelijkheid over de taak/doelstelling van de RMC bij JIKP (onder meer t.b.v. een heldere communicatie binnen de gemeentelijke organisatie).

Meer informatie? Lees meer over de bevindingen in het onderzoeksrapport of neem contact op met Suna Duysak.

Thuiszitters en schoolverzuim in Apeldoorn

In opdracht van de Rekenkamercommissie van Apeldoorn hebben we onderzoek gedaan naar de aard en omvang van het schoolverzuim en het aantal thuiszitters in Apeldoorn. Het onderzoek geeft niet alleen inzicht in de aard en omvang van de problematiek van de afgelopen jaren, maar biedt ook een doorkijk naar de achterliggende redenen.

Algemeen beeld
In het onderzoek hebben we allereerst de algemene stand van zaken geschetst voor wat betreft het beleid, de uitvoering en de ervaringen van stakeholders omtrent schoolverzuim en thuiszitters. De huidige cijfers laten zien dat de verzuim- en thuiszittersaantallen van Apeldoorn onder het landelijk gemiddelde liggen. De daling in het aantal thuiszitters wordt echter met name verklaard door de definitiewijziging van het begrip. De officiële leerplichttellingen geven geen volledig beeld van het aantal jeugdigen dat daadwerkelijk thuiszit. Daarnaast lijkt de gemeente nog onvoldoende inzicht en grip te hebben op leerlingen die zorgwekkend verzuimen (bijvoorbeeld leerlingen met frequent ziekteverzuim), onder meer door beperkingen in wet- en regelgeving om in te grijpen bij dit type verzuim.

Daarnaast worden de schotten in de geldstromen tussen onderwijs en zorg (nog steeds) als erg hoog ervaren. De betrokken professionals hebben behoefte aan betere afspraken over casusregie en terugkoppeling en meer flexibiliteit en maatwerkoplossingen in de aanpak van de thuiszittersproblematiek. De gesproken ouders van thuiszittende leerlingen geven aan zich onvoldoende gehoord te voelen door de school en zorgverleners. De kernboodschap is dat ouders en kinderen met name een persoonlijk en open gesprek hebben gemist met de school en zorgverleners.

Aanbevelingen Rekenkamercommissie
Aan het college hebben wij  aanbevolen om alle thuiszitters (ook die met een geoorloofde reden thuiszitten) te rapporteren in de jaarlijkse leerplichtverslagen en om het beleid omtrent geoorloofd verzuim meer in lijn te brengen met de preventieve verzuimaanpak. Dit kan door de (al ingevoerde) M@ZL-methodiek (Medische Advisering van Ziekgemelde Leerling) op meer vo-scholen uit te rollen (M@ZL is een beproefde methodiek voor een integrale aanpak van zorgwekkend ziekteverzuim bij scholieren in het vo en mbo). Ook vragen we aandacht voor het evalueren van de vernieuwde regieafspraken, het creëren van een frictiebudget tussen onderwijs en zorg en het organiseren van jaarlijkse gesprekken tussen raadsleden en (ouders van) thuiszittende jeugdigen.

Meer informatie
De PMA en het gespreksverslag zijn via de gemeentelijke website terug te zien en lezen. Raadpleeg het volledige onderzoeksrapport voor meer informatie of neem contact op met onderzoeker Suna Duysak.

Oudertevredenheid Passend Onderwijs Zuidoost Utrecht

Hoe tevreden zijn ouders over de extra ondersteuning die hun kinderen krijgen op school, en hoe kan dit worden verbeterd? Op verzoek van het samenwerkingsverband VO Zuidoost Utrecht (SWV ZOU) deden wij een ouderteverdenheidsonderzoek naar de uitvoering van passend onderwijs op de scholen aangesloten bij het samenwerkingsverband.

Onderzoeksmethode
In het onderzoek peilden we de tevredenheid van ouders over de extra ondersteuning die hun kinderen krijgen op scholen die aangesloten zijn bij het Samenwerkingsverband VO Zuidoost Utrecht (SWV ZOU). Het onderzoek richtte zich specifiek op ouders van leerlingen met een ontwikkelperspectief (OPP). Het doel van de peiling was tweeledig: (1) het geeft een beknopt zicht op hoe scholen de extra ondersteuning uitvoeren en (2) hoe ouders deze uitvoering ervaren. Met behulp van een online enquête zijn de ervaringen van 228 ouders geïnventariseerd.

Benchmarkrapportage
We hebben de kernbevindingen samengevat in een algemeen rapport, waaraan we ook enkele aanbevelingen hebben gekoppeld. Daarnaast hebben we individuele schoolrapportages opgesteld waarin de scores van de individuele scholen grafisch en met beknopte beschrijvingen zijn weergegeven (zie fbeeldingen hieronder voor een impressie). Het samenwerkingsverband heeft deze rapportages gebruikt om met scholen in gesprek te gaan over hun schoolspecifieke resultaten die in de peiling naar voren zijn gekomen.

Impressie individuele schoolrapportages (2 van 11 pagina’s)

Meer informatie? Neem contact op met Suna Duysak.

Effectieve jeugdbescherming: partner in een netwerk

Hoe geef je de opdracht aan gecertificeerde instellingen zo vorm, dat die leidt tot een effectieve jeugdbescherming? Een ingewikkelde vraag, die ook gaat over hoe je als gemeente met de jeugdbescherming samen wilt werken. In West-Friesland werkten Katrien de Vaan van Regioplan en Chiel Peters van Hiemstra & De Vries samen met gemeenten en gecertificeerde instellingen aan het formuleren van uitgangspunten die helpen te sturen op effectiviteit.

Gezinsgericht werken staat centraal bij de invulling van jeugdbescherming in West-Friesland. Maar in de praktijk blijkt helemaal niet zo duidelijk wat gezinsgericht werken eigenlijk is. En als wel duidelijk is wat er onder verstaan moet worden, blijkt het nog niet zo eenvoudig in de praktijk te brengen.

In West-Friesland zochten gemeenten naar een manier om duidelijker vast te leggen wat onder gezinsgericht werken moet worden verstaan. Die zoektocht leidde echter al snel tot een goed gesprek over wat je als gemeente eigenlijk van de jeugdbescherming verwacht, en omgekeerd: wat je als gemeente zelf (in je lokale teams en als opdrachtgever) moet doen om dat gezinsgericht werken door de jeugdbescherming te ondersteunen. Een mooi gesprek dat begon met en tussen gemeenten en is verbreed naar de Gecertificeerde Instellingen in de regio.

Het heeft geleid tot uitgangspunten voor de inkoop van jeugdbescherming, en daarnaast tot een heleboel bijvangst over wat een effectieve jeugdbescherming in de weg staat en ondersteunt. Een mooie uitkomst om verder mee aan de slag te gaan.

Deel kleinere kinderopvangorganisaties worstelt nog met verplichte administratie

De meeste Nederlandse kinderopvangorganisaties hebben hun financiële administratie goed op orde, maar kleinere organisaties hebben soms moeite om te voldoen aan nieuwe wettelijke vereisten om maandelijks gegevens te verstrekken aan de Belastingdienst. Dat blijkt uit onderzoek dat Regioplan recent uitvoerde in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Een goede informatievoorziening en gespecialiseerde software kunnen helpen om de maandelijkse gegevensaanlevering te verbeteren, vertelt onderzoeker Rosanne Schaap.

Sinds 1 januari 2022 zijn kinderopvangorganisaties wettelijk verplicht om maandelijks gegevens over de kinderopvang aan te leveren bij de afdeling Toeslagen van de Belastingdienst. Doel van deze regeling is vooral om te voorkomen dat ouders onbedoeld fouten maken en een eventueel onterecht ontvangen toeslag moeten terugbetalen.

Hoe staat het ervoor?

Maar: in hoeverre hebben kinderopvangorganisaties hun financiële administratie en hun bedrijfsvoering op orde? Welke knelpunten ondervinden ze? En: hoe kunnen kinderopvangorganisaties beter ondersteund worden bij het uitvoeren van de financiële administratie? In opdracht van het ministerie van SZW deed Regioplan onlangs onderzoek naar deze en andere vragen, vertelt onderzoeker Rosanne Schaap. “We zijn eerst gaan praten met sleutelfiguren – bij het ministerie, bij de Belastingdienst en bij verschillende brancheorganisaties – om uit te vinden welke knelpunten zij zoal zien, als startpunt voor de rest van het onderzoek.”

“Vervolgens hebben we een enquête gehouden onder kinderopvangorganisaties over de huidige staat van de financiële administratie en bedrijfsvoering en hun ervaringen met het uitvoeren van de financiële administratie. Ook hebben we tien kinderopvangorganisaties nader onderzocht in een casestudy. Verder hebben we in kaart gebracht welke softwarepakketten er zoal in de markt beschikbaar zijn, waarbij we onderscheid hebben gemaakt tussen softwarepakketten die specifiek zijn ontwikkeld voor de kinderopvang en algemeen boekhoudkundige softwarepakketten.”

“Ook hebben we gekeken naar Initiatieven binnen en buiten de kinderopvangsector waar kinderopvangorganisaties gebruik van kunnen maken ter ondersteuning van de financiële administratie. Ten slotte hebben we een zogenoemde inzichtensessie georganiseerd met verschillende partijen in de sector. Wat betekenen de gevonden resultaten? En: wat zouden goede verbeterinitiatieven zijn?”

Goed op orde

Een belangrijke conclusie van het onderzoek is dat de meeste kinderopvangorganisaties hun financiële administratie vrij goed op orde hebben, schetst Rosanne. “Bij de meeste organisaties loopt het eigenlijk gewoon goed. Zeker naarmate organisaties wat groter zijn, hebben ze vaker softwarepakketten aangeschaft die hen helpen bij het bijhouden van de administratie. De meer gespecialiseerde softwarepakketten bevatten bovendien vaak een automatische koppeling met de systemen van de Belastingdienst, wat de kans op fouten vermindert. Ook hebben grotere organisaties vaker één of meerdere financieel medewerkers in dienst.”

Grotere kans op fouten

Kleinere organisaties doen hun administratie dan weer vaker handmatig in een tool als Excel, vervolgt Rosanne. “Dat vergroot de kans op fouten. Bovendien hebben kleinere organisaties vaak geen financieel medewerker in dienst. Dan doet bijvoorbeeld de directeur of een leidinggevende de administratie zelf, terwijl ze zich ook bezighouden met de zorg en opvang van kinderen. Ook dat zorgt voor een grotere kans op fouten.”

De kinderopvangorganisaties die naar eigen zeggen moeite hebben met de maandelijkse aanlevering, geven een gebrek aan tijd als belangrijke reden hiervoor, vervolgt Rosanne. “Soms ontbreken de gegevens van de ouders. En sommige kinderopvangorganisaties geven aan dat de uitvoering van de financiële administratie simpelweg geen prioriteit heeft.”

Centraal informatiepunt

Het brengt de onderzoekers tot een aantal aanbevelingen om de maandelijkse gegevenslevering verder te verbeteren. Eén aanbeveling is om alle actuele informatie rond verplichte administraties op één centrale plek beschikbaar te stellen, vertelt Rosanne. “Er is al veel informatie beschikbaar voor kinderopvangorganisaties, alleen is die nu nog vaak versnipperd. Een centraal informatiepunt zou wat dat betreft een uitkomst zijn.”

“In het verlengde daarvan raden we het ministerie aan om te investeren in een e-learningmodule over de uitvoering van de regelgeving rond de financiële administratie. In algemene zin raden we aan om de beschikbare hulpmiddelen en informatie zo eenvoudig mogelijk te houden.”

Softwaregebruik stimuleren

Het gebruik van software helpt verder – zo blijkt uit het onderzoek – enorm om de maandelijkse gegevensaanlevering te stroomlijnen, vertelt Rosanne. “De overheid zou er daarom bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om het gebruik van software te stimuleren. Nader onderzoek is nodig om te bepalen wat de beste optie is.”

Meer weten?

Lees dan het eindrapport en bekijk de infographic. Of neem contact op met Rosanne.

Meer mogelijkheden voor jongeren met bijbaantje of vakantiewerk

Bied jongeren met een bijbaantje of vakantiewerk de mogelijkheid om ook op zondagen te werken. En verbied flitsbezorging voor kinderen jonger dan 16 jaar. Dit zijn twee belangrijke aanbevelingen uit ons onderzoek naar modernisering van de wetgeving rondom kinderarbeid. Minister Van Gennip (SZW) heeft inmiddels laten weten deze (en andere) aanbevelingen over te nemen, zo blijkt uit haar onlangs gepubliceerde beleidsreactie.

Veel Nederlandse kinderen hebben een bijbaantje of doen vakantiewerk; bijvoorbeeld als vakkenvuller in de supermarkt, als bezorger van reclamefolders of – als ze wat ouder zijn – in de horeca. Van de 13- en 14-jarigen heeft ongeveer 30 procent een bijbaantje of vakantiewerk; onder 15- en 16-jarigen is dat ongeveer 60 procent.

Kinderarbeid: strikte regels

Alweer even geleden onderzocht Regioplan – in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – welke mogelijkheden er zijn om de bestaande wet- en regelgeving rondom kinderarbeid te moderniseren, vertelt onderzoeker Jacob van der Wel. “De regels rondom kinderarbeid zijn strikt. Zo mogen 13- tot 15-jarigen in totaal maximaal twaalf uur per week werken, maar alleen tot 19.00 uur en niet op zondag. Ook mogen kinderen van deze leeftijd niet werken in een horecagelegenheid.”

Ruimere mogelijkheden

Om deze bestaande regels beter te laten aansluiten op de maatschappelijke ontwikkelingen – zoals het feit dat winkels op steeds meer plekken op zondag open zijn – heeft Regioplan de aanbeveling gedaan om werken voor kinderen ook op zondag mogelijk maken. Ook zouden 13- tot 15-jarigen op niet-schooldagen tot 20.00 uur moeten mogen werken; een uur langer dus dan voorheen.

Deze aanbevelingen zijn door de minister overgenomen, vertelt Jacob. “De totale toegestane werktijd per week verandert niet; die blijft twaalf uur. Maar kinderen hebben nu wel de mogelijkheid om bijvoorbeeld ook op zondag vakken te vullen. Andere aanbevelingen – bijvoorbeeld om de leeftijd om achter de kassa te mogen werken te verlagen van 16 naar 15 jaar – nam de minister niet over.”

Uitgebreide reactie

Wat dit onderzoek volgens Jacob bijzonder maakt, is de uitgebreide beleidsreactie die minister Karien van Gennip gaf op het onderzoek van Regioplan. “Het komt niet zo vaak voor dat een minister per aanbeveling haar afwegingen openbaar maakt en uitgebreid beargumenteert waarom ze bepaalde zaken wel, en andere níet overneemt. Voor ons als beleidsonderzoekers is dat natuurlijk enorm interessant en leuk om te zien.”

Flitsbezorgers en influencers

Een aanbeveling die de minister wel overnam, is een expliciet verbod op flitsbezorging van boodschappen voor kinderen tot 16 jaar; het rijden op een elektrische fiets in druk verkeer is te gevaarlijk, en de druk om de boodschappen snel af te leveren is voor veel 16-minners te groot. In de media werd vooral dit verbod eruit gelicht, merkte Jacob. “Terwijl er in de praktijk al heel weinig kinderen van onder de 16 zijn die voor een flitsbezorger werken.”

Verder was er in de media veel aandacht voor de status van jonge influencers: kinderen die geld verdienen met vloggen. Jacob: “Onze aanbeveling – die de minister nu gaat onderzoeken – is om deze jonge influencers te laten vallen onder dezelfde regels als jonge artiesten, die maar een beperkt aantal dagen in het jaar mogen werken. Maar ook hierbij is het goed om te beseffen dat het in de praktijk gaat om een zeer beperkte groep.”

Beter passend

De belangrijkste door de minister overgenomen aanbeveling is toch vooral de versoepeling van de toegestane werktijden, benadrukt Jacob. “Kinderen met een bijbaantje of vakantie geven aan dat ze het werk doorgaans leuk vinden en dat het een mooie gelegenheid biedt om wat bij te verdienen. Met de nieuwe regels biedt de minister deze kinderen nét wat meer ruimte, beter passend bij de huidige maatschappij.”

Meer weten?

Lees dan ons eindrapport. Of neem contact op met Jacob.

Hospiteren in Utrecht

Hospiteren in Utrecht: wat zijn de ervaringen en belevingen van studenten met een fysieke beperking en studenten met een biculturele achtergrond? Regioplan deed onderzoek naar deze ervaringen en mogelijke (zelf)uitsluiting van en kansenongelijkheid voor deze twee groepen in het hospiteerproces.

Stichting Student Housing (SSH) is één van de studentenhuisvesters in Utrecht. De SSH heeft uit eerder onderzoek signalen gekregen dat twee groepen, studenten met een fysieke beperking en studenten met een biculturele achtergrond, mogelijk uitsluiting ervaren bij het hospiteren naar een kamer.

Ons onderzoek

Wij hebben voor de SSH onderzocht wat de ervaringen en belevingen van deze studenten zijn, en in hoeverre deze studenten mogelijke (zelf) uitsluiting en kansenongelijkheid ervaren. Aan de hand van een enquête en focusgroepen met deze studenten zijn hun ervaringen in kaart gebracht. De bevindingen daaruit zijn opgenomen in een beknopte rapportage waarin voor iedere fase van het hospiteerproces wordt beschreven welke ervaringen en (uitsluitings)mechanismen bestaan. Over de bevindingen en aanbevelingen hebben vervolgens studenten in een klankbordgroep meegedacht.

In het onderzoek hebben we het volledige hospiteerproces onder de loep genomen, van de informatievoorziening over op kamers gaan, tot de hospiteeravond zelf.

Conclusies

Het overkoepelende beeld van de conclusies uit het onderzoek was het volgende:

• De meerderheid van de studenten vindt informatie over op kamers gaan duidelijk. Informatie over de toegankelijkheid van kamers en het toewijzingssysteem dat de SSH hanteert mag duidelijker.

• Informatie over inschrijven bij de SSH is over het algemeen duidelijk. Veel (toekomstige) studenten zijn echter niet bekend met de regels rondom het kunnen inschrijven vanaf 16 jaar.

• Advertenties worden soms als uitsluitend ervaren doordat huisgenoten (niet)wenselijke kenmerken van de toekomstige huisgenoot benoemen.

• Hospiteren draagt bij aan een goed beeld van de toekomstige huisgenoten en het huis/de kamer. Studenten zien de meerwaarde. Maar, studenten voelen zich ongemakkelijk en hebben het gevoel dat hun persoonskenmerken, zoals de fysieke beperking, achtergrond of religie, hun kansen beïnvloeden.

• De communicatie (in advertenties) en houding van huisgenoten kunnen leiden tot (zelf)uitsluiting.

Aanbevelingen

Op basis van dit beeld gaven we de SSH enkele aanbevelingen:

• Verbeter de (toegankelijkheid en inclusiviteit) van de informatievoorziening.

• Verken de mogelijkheden om (stappen in) het hospiteerproces aan te passen of te werken met verschillende toewijzingsmogelijkheden.

• Stel duidelijke normen en vergroot de bewustwording over discriminatie en uitsluiting bij studenten die hospiteeravonden organiseren.

Meer weten over dit onderzoek?

Bekijk hier dan het eindrapport.

Nieuw onderzoek: evaluatie Jong Leren Eten

Jeugdigen tot 18 jaar ‘voedselvaardiger’ maken: dat is in een notendop het doel van het programma Jong Leren Eten. Binnen het programma gebeurt dit door zowel landelijk als regionaal netwerken te versterken en activiteiten gericht op duurzaamheid en op gezond eten aan elkaar te verbinden. Aan Regioplan is nu gevraagd om de tweede programmaperiode (2021-2024) te evalueren.

Veel jeugdigen weten niet waar voedsel vandaan komt en eten ook onvoldoende groente en fruit. Het aanbod van activiteiten die jeugdigen voedselvaardiger kunnen maken is versnipperd. Het doel van Jong Leren Eten is gericht op samenwerking tussen partners die actief zijn op thema’s duurzaamheid en gezondheid zodat netwerken rondom voedseleducatie verterkt worden. Jong Leren Eten richt zich daarbij op de setting van kinderopvang en onderwijs (po, vo en mbo).

Tussen- en eindevaluatie

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) – de uitvoerder van Jong Leren Eten – heeft Regioplan gevraagd om een tussen- en eindevaluatie uit te voeren van de programmaperiode 2021-2024. De tussenevaluatie wordt begin 2023 uitgevoerd; de eindevaluatie midden 2024.

Regioplan heeft ook de vorige evaluatie van Jong Leren Eten uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de samenwerking rondom voedseleducatie is toegenomen en dat activiteiten gericht op duurzaamheid en gezondheid meer verknoopt zijn geraakt. De netwerkaanpak bleek echter niet volledig geborgd. Voor de tweede (huidige) programmaperiode wordt daarom de focus gelegd op borging van de netwerksamenwerking, zodat er verankering is van voedseleducatie gericht op gezonde en duurzame voeding.

Regioplan onderzoekt tijdens de tussenevaluatie in hoeverre Jong Leren Eten op koers ligt om de doelen van de tweede programmaperiode te bereiken. Dit doen we door in gesprek te gaan met onder andere netwerkpartners.

Meer weten?

Neem dan contact op met Miranda.