Werkveld: Jeugd
Evaluatie programma Jong Leren Eten
Het programma Jong Leren Eten heeft als doel jeugdigen tot 18 jaar voedselvaardiger te maken door zowel landelijk als regionaal netwerken te versterken en activiteiten gericht op duurzaamheid en op gezond eten aan elkaar te verbinden. Regioplan voert de tussen- en eindevaluatie uit van de twee programmaperiodes (2021-2024).
Veel jeugdigen weten niet waar voedsel vandaan komt en eten ook onvoldoende groente en fruit. Het aanbod van activiteiten die jeugdigen voedselvaardiger kunnen maken, is versnipperd. Het doel van Jong Leren Eten is gericht op samenwerking tussen partners die actief zijn op thema’s duurzaamheid en gezondheid, zodat netwerken rondom voedseleducatie versterkt worden. Jong Leren Eten richt zich op de setting van kinderopvang en onderwijs (po, vo en mbo).
Tussen- en eindevaluatie
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) – de uitvoerder van Jong Leren Eten – heeft Regioplan gevraagd om een tussen- en eindevaluatie uit te voeren van de programmaperiode 2021-2024. De tussenevaluatie wordt begin 2023 uitgevoerd; de eindevaluatie midden 2024.
Regioplan heeft ook de vorige evaluatie van Jong Leren Eten uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de samenwerking rondom voedseleducatie is toegenomen en activiteiten gericht op duurzaamheid en gezondheid meer verknoopt zijn geraakt. De netwerkaanpak bleek echter niet volledig geborgd. Voor de tweede (huidige) programmaperiode wordt daarom de focus gelegd op borging van de netwerksamenwerking zodat er verankering is van voedseleducatie gerich op gezonde en duurzame voeding.
Regioplan onderzoekt tijdens de tussenevaluatie in hoeverre Jong Leren Eten op koers ligt om de doelen van de tweede programmaperiode te bereiken. Dit doen we door in gesprek te gaan met onder andere netwerkpartners.
Werken houdt criminaliteit op afstand
Jongeren en jongvolwassenen zonder baan lopen een hoger risico om betrokken te raken bij (ondermijnende) criminaliteit. Inzetten op betaald werk is daarom van groot belang bij de aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit.
Eerder onderzoek wijst op werk als beschermende factor tegen ondermijnende criminaliteit; inkomsten uit werk verkleinen de kans op financiële problemen, en verminderen daardoor de kwetsbaarheid voor rekrutering van ondermijnende criminaliteit.
Ondermijning: centraal thema
Ondermijning door georganiseerde criminaliteit is de afgelopen jaren een centraal thema in het veiligheidsbeleid van politie, justitie en bestuurlijke partners geworden. Zo zette het kabinet-Rutte III een zogenoemd Breed Offensief tegen Georganiseerde Criminaliteit (BOTOC) op. Binnen BOTOC werken acht gemeenten aan een geïntegreerde, preventieve aanpak van georganiseerde criminaliteit. Dit wordt uitgebreid naar nieuwe of aanvullende aanpakken in zestien gemeenten.
Daarnaast biedt het ministerie van SZW met het Impulsprogramma Voorkomen van Georganiseerde Ondermijnende Criminaliteit SZW ondersteuning aan initiatieven door de integrale aanpak te versterken met werkgerichte invalshoeken.
Preventieve aanpak
In het verlengde hiervan onderzochten wij – in opdracht van het ministerie van SZW – hoe gemeenten de samenwerking tussen de domeinen Veiligheid en Werk & Inkomen (W&I) kunnen vormgeven, zodat werk een essentieel en substantieel onderdeel wordt van de preventieve aanpak van ondermijning.
Daarvoor brachten we zowel belemmerende als stimulerende factoren in kaart, aan de hand van literatuuronderzoek en verdiepende interviews met vertegenwoordigers van gemeenten en andere betrokken partijen.
Weinig samenwerking
Ons onderzoek maakt onder meer duidelijk dat de afdelingen Veiligheid en W&I bij de meeste gemeenten met een preventieve aanpak van ondermijning, niet of nauwelijks samenwerken bij de vormgeving van hun aanpakken. Betrokkenen zeggen elkaars afdelingen niet goed te kennen, waardoor de toegevoegde waarde van W&I in veel gevallen niet genoeg bekend is bij de afdeling Veiligheid.
Ook sluit het reguliere aanbod van arbeidstoeleiding binnen de gemeentelijke initiatieven – bijvoorbeeld via re-integratiebedrijven of sociale werkplaatsen – niet altijd even goed aan bij de jeugdige (criminele) doelgroep.
Coaches en ondernemers
Liever werken gemeenten daarom buiten het reguliere systeem om, bijvoorbeeld via ‘outreachend’ werkende coaches of lokale ondernemers die de doelgroep actief benaderen en hulp aanbieden. Ook worden ervaringsdeskundigen ingezet die jongeren die dreigen af te glijden, indringend confronteren met de negatieve kanten van hun keuzes. Zo hopen de gemeenten dat een baan alsnog aantrekkelijker wordt dan geld verdienen met criminaliteit.
Tegelijkertijd is motiveren en begeleiding van de doelgroep lastig: veel criminele jongeren en jongvolwassen zijn gewend geraakt aan het verdienen van veel en relatief gemakkelijk crimineel geld en de bijbehorende status. Een deel van de legale werksectoren waarin zij kunnen werken, hebben bij hen bovendien een negatief imago. Ook de gemeenten hebben geen goed imago bij deze doelgroep.
Conclusies
Gemeenten die hebben geïnvesteerd in de samenwerking tussen de afdelingen Veiligheid en W&I (en andere partijen), blijken daarvan in de preventieve aanpak van ondermijning de vruchten te plukken. Daarbij geldt dat voldoende (bestuurlijk) draagvlak binnen de organisatie de uitvoering van de aanpak bevordert.
Verder blijkt een outreachende aanpak essentieel om deze doelgroep naar werk te begeleiden, in de vorm van coaches of jongerenwerkers die ‘de jongere oppakken en niet meer loslaten’ totdat hij of zij weer op het juiste pad is beland. Het opbouwen van een vertrouwensband, met begeleiding die aansluit bij het levensritme en de belevingswereld van de doelgroep, is daarbij cruciaal.
Aanbevelingen
Voor een succesvolle, preventieve aanpak van ondermijnende criminaliteit, is het belangrijk dat gemeenten investeren in de interne, domeinoverstijgende samenwerking tussen de afdelingen Veiligheid en W&I. Het is raadzaam om bij de verschillende afdelingen te investeren in kennis en bewustwording van verantwoordelijkheden in de preventieve aanpak van ondermijning. Daarvoor zijn tools beschikbaar bij onder andere de VNG, het CCV en Divosa.
Ook is het belangrijk dat gemeenten verkennen of samenwerking met externe partijen (zoals coaches en jongerenwerkers) nodig is om de doelgroep naar arbeid toe te leiden. Een persoonsgerichte en integrale aanpak is daarbij essentieel; door de jongeren integraal te ondersteunen, kan toekomstperspectief worden geboden.
Tot slot kunnen gemeenten (nog) meer inzetten op de samenwerking met geschikte, lokale werkgevers en onderwijsinstellingen voor jongeren die nog leerplichtig zijn.
Meer weten?
Ons eindrapport bevat nog veel meer achtergronden, conclusies en aanbevelingen.
“Enorm leuk om samen te bouwen aan een nieuwe organisatie”
Zorg & Veiligheid: het is een werkveld waarin Katrien de Vaan zich al jaren als een vis in het water voelt. Inmiddels heeft ze ook haar eerste jaar als directielid erop zitten. “Ik haal nog altijd veel energie uit het zelf uitvoeren van projecten.”
Zorg & Veiligheid was niet de richting waarin Katriens loopbaan zich in eerste instantie ontwikkelde. Na haar studie Geschiedenis wilde ze graag de onderzoekswereld in, maar promotieplekken waren op dat moment schaars, blikt ze terug. “Zo kwam ik terecht bij de gemeente Haarlemmermeer, op de raadsgriffie. Daar raakte ik gefascineerd door het politiek-bestuurlijke krachtenveld binnen een gemeente. Maar: het onderzoek bleef trekken. Uiteindelijk kwam ik terecht bij een onderzoeksbureau dat mensen zocht speciaal voor rekenkameronderzoek: iets waar mijn ervaring op de griffie mij inmiddels de perfecte basis voor had gegeven.”
In 2009 maakte Katrien de overstap naar Regioplan, als onderzoeker binnen het toenmalige cluster Criminaliteit & Veiligheid. In de loop der jaren bouwde ze via tientallen projecten vervolgens gestaag aan haar profiel als projectleider en adviseur op het gebied van zorg en veiligheid. “Veiligheid binnen gezinnen, jeugdbescherming, maar ook de inrichting van het sociaal domein: ik vond en vind het enorm interessante thema’s om me in te verdiepen. Niet alleen omdat het inhoudelijk interessante thema’s zijn, maar ook omdat juist deze onderwerpen op bestuurlijk niveau voortdurend in beweging zijn.”
Decentralisatie van de jeugdzorg
Als voorbeeld noemt Katrien de decentralisatie van de jeugdzorg, in 2015. “Die decentralisatie – waarbij de gemeenten verantwoordelijk werden gemaakt voor de jeugdzorg – heeft allerlei nieuwe uitdagingen opgeleverd. Opeens werd er heel erg gestuurd op beheersbaarheid, maar daardoor verdwenen het beoogde langetermijneffect en de effectiviteit van het beleid uit beeld. Dat levert een hele ingewikkelde en interessante spanning op. De meeste gemeenten zijn intrinsiek namelijk best gemotiveerd om te doen wat er nodig is, maar om écht effectief te zijn zullen ze moeten investeren. Ze moeten dieper in de materie duiken, meer tijd aan een casus besteden, beter proberen te begrijpen wat er precies aan de hand is.”
“Maar het probleem is dat zo’n investering niet meteen rendeert; daar gaan vaak jaren overheen. Daar komt bij dat, als de gemeenten het goed doen, er uiteindelijk minder specialistische zorg nodig is – maar die ligt dan weer niet bij gemeenten zélf. Uiteindelijk plukken de gemeenten zelf dus niet de financiële vruchten van hun eigen beleid. Het beheersmatigheidsdenken op de korte termijn belemmert kortom dat je dát gaat doen wat op de lange termijn werkt en ook goedkoper is.”
Complexe casuïstiek
Katrien ziet gemeenten vooral worstelen met complexe casuïstiek. “De eerste jaren was het zoeken naar een nieuwe balans. Wie is nu precies waarvoor verantwoordelijk? Complexe casussen waarin huiselijk geweld een rol speelt, zijn bovendien vaak ook complexe jeugdhulpcasussen – en dan spelen vaak óók GGZ-problematiek bij volwassenen en financiële problemen nog een rol. Binnen het werkveld zijn we nog altijd met elkaar aan het leren hoe dit allemaal het beste werkt.”
Ondermijnende criminaliteit
Een ander interessant thema binnen het brede werkveld Zorg & Veiligheid is ondermijning, schetst Katrien. “Ook op dat vlak gebeurt er nu landelijk en lokaal natuurlijk ontzettend veel. Zó veel, dat de wet- en regelgeving om georganiseerde ondermijnende criminaliteit aan te pakken vaak al na een paar jaar niet meer goed aansluit op wat er in de praktijk nodig is. Bovendien is het op sommige terreinen echt nog uitproberen wat nou wel en niet werkt, en hoe je daar dan een aanpak op inricht. Het is enorm interessant om met beleidsonderzoek bij te dragen aan die zoektocht.”
Maatschappelijke problemen
Voor Katrien markeerde 2022 een belangrijke mijlpaal in haar loopbaan bij Regioplan. In januari nam ze, samen met Jos Lubberman, Miranda Witvliet en Yannick Bleeker, namelijk het stokje over van de toenmalige directie. “Maatschappelijke problemen worden steeds ingewikkelder, met veel verschillende spelers, met verschillende en vaak ook tegengestelde belangen. Tegelijkertijd werkt de overheid steeds meer kennisgestuurd en evidence based.”
“Wij denken dat we, vanuit onze onderzoeksmethodieken en de brede kennis die we als bureau hebben opgebouwd, heel erg goed bij kunnen dragen aan netwerken die met elkaar oplossingen voor maatschappelijke problemen willen ontwikkelen en implementeren. Wij zagen met ons vieren duidelijk voor ons hoe we die nieuwe rol als Regioplan zouden kunnen inkleden, en de toenmalige directie heeft ons vervolgens de ruimte geboden om die ideeën in de praktijk te brengen.”
Samen bouwen
Inmiddels is de nieuwe directie een klein jaar op weg. Het eerste jaar is goed bevallen, vertelt Katrien. “Het is gewoon enorm leuk om, samen met alle medewerkers, te bouwen aan een nieuwe organisatie. Tegelijkertijd ziet een gemiddelde werkdag er voor mij nu natuurlijk wel – op zijn zachtst gezegd – wat anders uit dan voorheen. Opeens ben je niet alleen projectleider of adviseur, maar ook directielid en manager – en dat zijn taken die niet altijd even makkelijk te plannen zijn.”
“Sowieso heb ik van meet af aan gezegd dat ik óók in de uitvoering actief wil blijven. Daar haal ik namelijk nog altijd heel veel energie uit. Bovendien wil ik mezelf inhoudelijk blijven ontwikkelen en feeling blijven houden met de praktijk. Veiligheid in gezinnen, jeugdbescherming, het sociaal domein, ondermijning: het is allemaal nog altijd veel te interessant om dat te laten liggen.”
Wat werkt bij de domeinoverstijgende aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling?
Investeer in het persoonlijk (leren) kennen van het netwerk. Voer structureel bestuurlijk overleg over richting, inrichting en proces. En informeer actief en regelmatig naar de toereikendheid van middelen. Het zijn slechts enkele voorbeelden van belangrijke do’s binnen de domeinoverstijgende aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM). De belangrijkste aanbevelingen hebben we nu samengevat in een handige oplegger.
Wat werkt bij de domeinoverstijgende aanpak van Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (HGKM)? Samen met Hiemstra & De Vries, het Athena Instituut en een ervaringsdeskundige onderzochten we de belangrijkste barrières en werkzame elementen rondom domeinoverstijgende samenwerking, afstemming en regie in de aanpak van huiselijk geweld in het lokaal veld.
Alle aanbevelingen op een rij
In de oplegger gaan we dieper in op netwerkelementen, prioriteiten per niveau en actor en succesfactoren. De oplegger is bedoeld voor regio’s die voor de opgave van domeinoverstijgende samenwerking staan. Door na te gaan welke werkzame elementen al wel en nog niet aanwezig zijn, worden onderlinge afhankelijkheden en belangrijke randvoorwaarden inzichtelijk.
Dit draagt bij aan het versterken van de samenwerking, afstemming en regie, en daarmee aan de effectieve aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.
Meer weten?
Neem dan contact op met Katrien. Of lees ons eindrapport.
Impactmonitor Huiselijk Geweld en Kindermishandeling: naar een effectievere aanpak
Hoe kan kennis uit de Impactmonitor Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ingezet worden voor een effectievere aanpak van deze problematiek? Regioplan ontwikkelde een aantal instrumenten die gemeenten, regio’s en hun ketenpartners daarbij helpen. In onze recent gepubliceerde eindrapportage bundelen we bovendien alle inzichten voor verbetering van het gebruik van de Impactmonitor.
Huiselijk geweld en kindermishandeling zijn veelvoorkomende vormen van geweld, met ernstige en langdurige gevolgen voor alle betrokkenen.
De Impactmonitor Huiselijk Geweld en Kindermishandeling van het CBS laat op structurele basis zien hoe het er in Nederland voor staat met de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, en wat de impact is van deze aanpak op de levens van de betreffende mensen. Doel van de monitoring is om bij te dragen aan verbetering van de effectiviteit van die aanpak.
Gerichte ondersteuning
Regioplan voert regelmatig projecten uit die betrekking hebben op de problematiek en aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, vertelt onderzoeker Frank Kriek. “Zo ondersteunden we in het najaar van 2021 en het voorjaar van 2022 regio’s bij het werken met de Impactmonitor. Daarbij keken we onder meer naar het beleid en de uitvoeringspraktijk van gemeenten, regio’s en hun ketenpartners. Onze ondersteuning was gericht op zowel het breder bekend maken van het bestaan en de inhoud van de Impactmonitor als op het praktische gebruik ervan; hoe vind ik welke cijfers?”
“Daarnaast boden we ondersteuning bij de inzet van de cijfers voor ontwikkeling en evaluatie van beleid en voor het sturen op de uitvoering van de aanpak. Daarbij werd ook informatie opgehaald om de monitor verder te ontwikkelen.”
Inzichten gebundeld
Onlangs publiceerde Regioplan een rapportage waarin alle inzichten voor verbetering van het gebruik van de Impactmonitor zijn gebundeld, vertelt Frank. “Het rapport bevat nuttige adviezen voor de verdere ontwikkeling van de Impactmonitor. Ook hebben we verschillende instrumenten ontwikkeld om gemeenten en regio’s bij het gebruik van de Impactmonitor te ondersteunen en daarmee het kennisgestuurd werken te versterken.”
Meer weten?
Op de website van VNG kun je het eindrapport en alle afzonderlijke instrumenten downloaden.
De rol van werk in de lokale, preventieve aanpak van ondermijning
Ondermijning door georganiseerde criminaliteit is de afgelopen jaren een centraal thema in het veiligheidsbeleid van politie, justitie en bestuurlijke partners geworden. Door het kabinet-Rutte III is bijvoorbeeld een Breed Offensief tegen Georganiseerde Criminaliteit (BOTOC) opgezet. Daarnaast biedt het ministerie van SZW met het Impulsprogramma Voorkomen van Georganiseerde Ondermijnende Criminaliteit SZW ondersteuning aan initiatieven door de integrale aanpak te versterken met werkgerichte invalshoeken.
In het verlengde hiervan onderzochten wij hoe gemeenten de samenwerking tussen de domeinen Veiligheid en Werk & Inkomen kunnen vormgeven, zodat werk een essentieel en substantieel onderdeel wordt van de preventieve aanpak van ondermijning. Daarvoor brachten we zowel belemmerende als stimulerende factoren in kaart. Dit resulteerde in concrete aanbevelingen voor de ministeries van SZW, JenV en voor gemeenten.
Nieuwsgierig geworden naar de bevindingen?
Download hier dan het onderzoeksrapport.
We voerden dit onderzoek uit in opdracht van het ministerie van SZW, in samenwerking met Jan Dirk de Jong.
Aanpak Verzuim 18+ en monitoring JKIP
Hoe pakken de RMC-regio’s het verzuim 18+ en de monitoring van Jongeren in Kwetsbare Positie (JIKP) aan? En hoe kunnen deze RMC-taken verder worden verbeterd? In opdracht van Ingrado deden we onderzoek naar die vraag en formuleerden we aanbevelingen voor verbetering van de verzuimaanpak en monitoring.
Voor jongeren tot 18 jaar is er wettelijk veel geregeld als het aankomt op de aanpak van verzuim; de Leerplichtwet kent strakke en duidelijke regels rondom ongeoorloofd verzuim. Maar voor jongeren van 18 jaar en ouder vervalt de leerplicht, schetst Regioplan-onderzoeker Suna Duysak. “Vanaf dat moment krijgen jongeren die nog geen startkwalificatie hebben gehaald hulp van de zogenoemde Regionale Meld- en Coördinatiepunten om tóch een startkwalificatie te halen. Met zo’n startkwalificatie – oftewel minimaal een diploma op mbo2-niveau – kunnen ze vervolgens de arbeidsmarkt op.”
Eigen invulling
Maar waar de Leerplichtwet heel strak voorschrijft wat verzuim is en aan welke regels jongeren moeten voldoen, is het werk van de RMC-regio’s minder strak afgebakend. Suna: “In de praktijk zie je dat elke regio daardoor zijn eigen invulling geeft aan de aanpak van het verzuim 18+.”
“Verder zijn de RMC-regio’s sinds 2019 verantwoordelijk voor de monitoring van jongeren in een kwetsbare positie, de zogenoemde JIKP-doelgroep. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om minder zelfredzame jongeren in het speciaal voortgezet onderwijs en het praktijkonderwijs die doorstromen naar het mbo, en die daar relatief vaak uitvallen. Ook hier loopt de aanpak per regio behoorlijk uiteen.”
Uitgebreid onderzoek
Ingrado (de landelijke brancheorganisatie voor leerplicht en RMC) vroeg Regioplan om in kaart te brengen hoe de RMC-regio’s invulling geven aan de aanpak rondom verzuim 18+ en aan het monitoren van jongeren in een kwetsbare positie. Suna: “Om hier beter zicht op te krijgen, hebben we de RMC-regio’s bevraagd via een online enquête – waaraan 52 van de 60 regio’s gehoor hebben gegeven – en hebben we vervolgens bij vijftien RMC-regio’s een verdiepende case study uitgevoerd. Ten slotte hebben we de belangrijkste bevindingen die hieruit naar voren kwamen verder aangescherpt in een werksessie met zes regio’s en met Ingrado zelf.”
Duidelijk visie rondom verzuim 18+
In algemene zin concludeert het onderzoeksteam dat de invulling van de verzuimaanpak 18+ een stuk eenduidiger wordt ingevuld dan de monitoringstaak voor JIKP, vertelt Suna. “Uit de gesprekken blijkt dat de RMC-coördinatoren een duidelijke visie hebben over hoe en door wie het verzuim 18+ aangepakt moet worden. Het is de regio’s duidelijk wat hun taken en verantwoordelijkheden zijn bij het voorkomen en verminderen van dit type verzuim. Ook zijn ze beter bekend en meer ingebed in het verzuimnetwerk rondom leerplicht en onderwijs, en weten ze welke lijnen en middelen ze kunnen inzetten om kwesties rondom verzuim op te lossen.”
Hoewel de regio’s de aanpak divers invullen, valt er volgens Suna wel een gemeenschappelijke lijn te ontdekken. “Alle regio’s werken vanuit een preventief kader aan verzuim 18+ en proberen waar mogelijk aan te sluiten op de verzuimaanpak van jongeren tot 18 jaar die onder de leerplicht vallen.”
Monitoring JIKP: minder eenduidig
Anders ligt dat bij de monitoringstaak voor JIKP. Hier zijn de verschillen tussen de regio’s een stuk groter, vertelt Suna. “Sommige regio’s focussen zich puur op de cijfers en hebben een bescheiden rol in de uitvoering van de vervolgacties. Andere regio’s zoeken dan weer actief de samenwerking op binnen het jeugdveld en met het onderwijs om deze jongeren meer hands-on te begeleiden.”
De RMC-medewerkers moeten voor de aanpak voor JIKP bovendien navigeren door een netwerk waarin ze relatief minder bekend zijn, vertelt Suna. “De toegevoegde waarde van de RMC in de monitoring van JIKP is voor sommige RMC-coördinatoren en voor de ketenpartners niet altijd even duidelijk.”
“Verder is het bijzonder dat de RMC-(sub)regio’s een beter beeld hebben van hun taken en verantwoordelijkheden als het gaat om het verminderen van verzuim 18+, en juist mínder als gaat om het monitoren van JIKP. En dat terwijl er geen wetgeving is over de invulling van de aanpak van verzuim 18+, maar wél over de monitoringstaak.”
Aanbevelingen
Op basis van deze en andere conclusies is het onderzoeksteam gekomen tot een aantal aanbevelingen, vertelt Suna. “In de eerste plaats adviseren we de RMC-regio’s om, samen met de MBO Raad, te werken aan het versterken en verbeteren van een eenduidig verzuimbeleid op mbo-instellingen, waarbij de verzuimaanpak van 18-plussers zoveel mogelijk gelijk wordt getrokken met die van studenten jonger dan 18.”
“Verder adviseren we Ingrado om onduidelijkheden over de monitoringstaak van JIKP te delen met het ministerie van OCW, zodat het ministerie hierover meer duidelijkheid kan scheppen. En ten slotte doen we de aanbeveling om een handreiking op te stellen over de doelgroep JIKP, zodat er meer duidelijkheid ontstaat over de taken en doelstellingen van de RMC-regio’s en over de definitie van de JIPK-doelgroep. Zo voorkom je spraakverwarring en kun je voorzieningen beter op elkaar afstemmen.”
Vervolg
Het onderzoek is inmiddels gedeeld met het ministerie van OCW. Ingrado voert samen met de MBO Raad momenteel gesprekken met mbo-scholen en RMC-teams om later dit jaar een handreiking verzuim 18+ te publiceren. De resultaten van ons onderzoek worden hierin meegenomen.
Meer weten?
Lees ons eindrapport! Of neem contact op met Suna voor meer informatie.
Ontwikkeling methodiek kinderrechtenmonitor
Het Kinderrechtencollectief wil vanaf 2023 jaarlijks een kinderrechtenmonitor publiceren. Wij helpen het collectief met het ontwikkelen van de monitor.
De Nederlandse staat heeft het VN-Kinderrechtenverdrag geratificeerd en legt daarom iedere vijf jaar verantwoording af aan het VN-Kinderrechtencomité over hoe het gaat met de naleving van kinderrechten.
Het Kinderrechtencollectief, dat bestaat uit verschillende kinderrechtenorganisaties, wil graag een vinger aan de pols houden en de aanbevelingen van het VN-Kinderrechtencomité volgen. Daarom wil het Kinderrechtencollectief een kinderrechtenmonitor ontwikkelen. De monitor moet als input dienen voor de kinderrechtendialogen met ministeries.
Wij helpen het Kinderrechtencollectief met het ontwikkelen van de monitor, zodat de monitor vanaf 2023 jaarlijks kan worden uitgebracht.
Evaluatie Meer Kans op Werk Jongeren
De Amsterdamse aanpak van jeugdwerkloosheid (Meer Kans op Werk Jongeren) beoogt de kansen van jongeren te vergroten op werk en een goede toekomst. Regioplan zal deze aanpak evalueren, zodat de gemeente Amsterdam deze aanpak verder kan doorontwikkelen en een zo goed mogelijke dienstverlening kan blijven bieden.
Door de coronacrisis is de jeugdwerkloosheid sterk gestegen. Om te kunnen voldoen aan de toenemende ondersteuningsbehoefte van een grote en diverse groep jongeren besloot de gemeente Amsterdam de crisisaanpak Meer Kans op Werk Jongeren (MKOWJ) te starten. MKOWJ is een kop op de bestaande aanpak van jeugdwerkloosheid, gericht op het vergroten van de kansen op werk en een goede toekomst van jongeren.
In opdracht van de gemeente Amsterdam zal Regioplan een evaluatie uitvoeren van de MKOWJ-aanpak. Doelstelling is om meer inzicht te verkrijgen in de werkzame elementen van de aanpak en de aanpak op basis van dit inzicht verder door te ontwikkelen.
Geboorteverlof in trek; veel media-aandacht voor evaluatie WIEG
Bijna driekwart van de partners in loondienst neemt na de geboorte van hun kind aanvullend geboorteverlof op van in totaal zes weken. Jonge ouders met een hoog inkomen deden dit wel beduidend vaker dan ouders met een lager inkomen. Dat blijkt uit de door Regioplan uitgevoerde evaluatie van de Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG), die afgelopen week door veel media werd opgepikt.
De regeling voor aanvullend geboorteverlof werd geïntroduceerd in de zomer van 2020. Sindsdien mogen partners in loondienst, na een week betaald geboorteverlof, nog eens vijf weken aanvullend verlof opnemen. Die vijf weken extra verlof worden deels vergoed door het UWV; partners krijgen tot 70 procent van hun salaris doorbetaald.
Veel animo
De regeling is in trek, zo blijkt uit onze evaluatie. 74 procent van de partners die er recht op hebben, nam inderdaad aanvullend verlof op. Het overgrote deel van hen gebruikte de hele periode van vijf weken. 16 procent hield het bij de eerste week regulier geboorteverlof, en 10 procent nam helemaal geen verlof op.
De partners die gebruikmaken van het aanvullend geboorteverlof, doen dat vooral om meer tijd met hun pasgeboren kind door te brengen.
Verschil tussen hoge en lage inkomens
Bij dit alles is er wel een aanzienlijk verschil tussen hoge en lage inkomens. Huishoudens met een laag inkomen (minder dan 4.000 euro netto per maand) maken fors minder gebruik van de regeling dan gezinnen met een hoger inkomen (63 versus 85 procent). Voor partners die geen gebruik maakten van de nieuwe regeling, was financiële onhaalbaarheid een van de belangrijkste redenen.
Projectleider Hetty Visee: “Om de beoogde gelijkere verdeling van arbeid en zorgtaken tussen de ouders te realiseren, is het belangrijk dat financiën geen belemmering vormen voor de opname van het verlof. Mede met het oog op de introductie van het gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof per 2 augustus aanstaande vinden wij het belangrijk om te monitoren in hoeverre de nu gesignaleerde ontwikkelingen in het gebruik zich doorzetten.”
Veel media-aandacht
Onze evaluatie van de WIEG werd de afgelopen week door veel landelijke media opgepikt, onder meer door de NOS, RTL Nieuws, de Volkskrant, NRC en NU.nl.
Meer weten?
Neem dan contact op met Yannick.