Met alles opnieuw starten: procesevaluatie van het programma Stichting Nieuw Thuis Rotterdam

Het SNTR-programma

Stichting Nieuw Thuis Rotterdam (SNTR) is in 2016 opgericht door Stichting de Verre Bergen om tweehonderd Syrische vluchtelingengezinnen te helpen om snel te integreren in de Rotterdamse samenleving. Daartoe biedt SNTR de deelnemende gezinnen een huurwoning en een intensief integratieprogramma, bestaande uit maatschappelijke begeleiding, taallessen en loopbaanbegeleiding. Het SNTR-programma is daarmee uniek in zijn soort. Deelnemers krijgen bijvoorbeeld vier dagdelen per week taalles en worden regelmatig thuis bezocht voor hulp met praktische zaken en het vergroten van de zelfredzaamheid. De ambitie is dat de gezinnen zo beter de Nederlandse taal leren, zelfredzamer worden en zich thuis gaan voelen in Rotterdam.

Onderzoek: het BRIDGE-project

De Erasmus Universiteit voerde in opdracht van Stichting De Verre Bergen een meerjarig onderzoek uit naar de werking en effectiviteit van het SNTR-programma. Dit zogenoemde BRIDGE-project omvat meerdere onderzoeken, te weten een procesevaluatie, een monitor van de uitkomsten, een effectevaluatie en een onderzoek naar de kinderen en jongeren van het SNTR-programma. De procesevaluatie is in samenwerking uitgevoerd door Regioplan en de EUR.

De procesevaluatie

Het doel van de procesevaluatie is te laten zien in hoeverre de SNTR-aanpak in de praktijk zo wordt uitgevoerd als beoogd en op welke wijze dit volgens de betrokkenen bijdraagt aan de beoogde doelen. Hiertoe zijn in 2019 onder meer interviews gevoerd met uitvoerders en deelnemers en zijn huisbezoeken en coachingsgesprekken geobserveerd. De resultaten zijn beschreven in een rapport genaamd ‘Alles onder één dak: De uitvoering van het SNTR-programma voor Rotterdamse statushouders in beeld’.

In 2020 is er een vervolg op de procesevaluatie uitgevoerd, waarin een nieuwe ronde interviews is gedaan langs de betrokken uitvoerders en samenwerkingspartners. Het voornaamste doel hiervan was om recente ontwikkelingen in het SNTR-programma sinds 2019 in kaart te brengen. Daarnaast is naar enkele thema’s verdiepend onderzoek gedaan, en is extra aandacht besteed aan de rol van de context op de uitvoering en ervaren bijdrage van het SNTR-programma. De bevindingen hiervan zijn samen met die uit de andere deelonderzoeken uit het BRIDGE-project verwerkt in de overkoepelende eindrapportage, genaamd ‘Met alles opnieuw starten‘.

Bevindingen procesevaluatie

Kijkend naar de verschillende onderdelen van het SNTR-programma, zien we dat de maatschappelijke begeleiding statushouders intensief ondersteunt bij het nemen van allerlei bureaucratische hobbels en bijdraagt aan het oplossen van veel praktische problemen (‘brandjes blussen’). Tegelijkertijd constateren we dat het mede hierdoor niet altijd lukt om systematisch te werken aan de zelfredzaamheid van de deelnemers. Verder zien we dat deelnemers gemotiveerd en begeleid worden om zich te oriënteren op (een vorm van) werk, en worden ondersteund bij het ontwikkelen van hun vaardigheden en zelfvertrouwen. Dit onderdeel van het programma kan nog beter worden uitgewerkt, onder andere door de samenwerking met de gemeente Rotterdam te versterken. De SNTR-aanpak kenmerkt zich tevens door een intensief taalprogramma. Voor sommige deelnemers draagt dit duidelijk bij aan een snellere taalverwerving, maar er zijn ook deelnemers voor wie het intensieve programma te snel gaat. Ook blijkt het taalprogramma moeilijk te combineren met (een vorm van) werk.

Overkoepelende bevindingen EUR Bridge project

De overkoepelende eindrapportage ‘Met alles opnieuw starten’ trekt op basis van de verschillende deelonderzoeken van het EUR Bridge project een algehele conclusie over de werking en de effectiviteit van het SNTR-programma. Centraal hierbij staat een effectmeting die is uitgevoerd op basis van een longitudinale panelsurvey, waarbij SNTR-deelnemers zijn vergeleken met een controlegroep van statushouders die door de gemeente zijn begeleid. De resultaten laten zien dat de SNTR-deelnemers op zowel taalverwerving, zelfredzaamheid als participatie niet significant beter scoren dan de vergelijkingsgroep. Hiervoor zijn meerdere potentiële verklaringen te geven. Zo kan de invloed van beleid beperkt zijn in verhouding tot andere factoren, en hebben weerbarstigheden in de uitvoering van het programma wellicht betere resultaten in de weg gestaan. Ook kan het zijn dat de effecten van het SNTR-programma pas op een later moment zichtbaar zullen worden. Daarom is een derde veldwerkronde van de survey afgenomen, waarover later gepubliceerd zal worden.

Meer informatie

Voor meer informatie over de procesevaluatie, neem contact op met Adriaan of Jeanine.

Voor meer informatie over het EUR Bridge project en het overkoepelende eindrapport ‘Met alles opnieuw starten’, neem contact op met Meta van der Linden of Jaco Dagevos.

Verschillende opties voor een zomerprogramma voor asielkinderen

In de zomer hebben asielkinderen op basisscholen net als alle andere kinderen in Nederland zes weken vakantie. Wij hebben onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor het opzetten van een zomerprogramma voor azc-kinderen, met het oog op taalbehoud, structuur en vermaak.

Onderzoek naar mogelijkheden zomerprogramma’s azc-kinderen
De asielperiode is voor jonge kinderen een aangrijpende periode die veel indruk maakt. De basisschool biedt hen een warme, positieve omgeving die in de zomer tijdelijk niet beschikbaar is. Bovendien is de kans op verlies van taalkennis in de zomer bij asielkinderen groot omdat hun ouders vaak geen Nederlands spreken. In 2019 heeft de Tweede Kamer de regering daarom gevraagd te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om een vast zomerprogramma aan te bieden aan kinderen op asielzoekerscentra (azc’s). Wij hebben in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat onderzoek uitgevoerd.

Deskresearch zomerprogramma’s
Het kwalitatieve onderzoek bestond uit een deskresearch/literatuurstudie en interviews met stakeholders voor het perspectief op de specifieke behoefte aan zomerprogramma’s voor asielkinderen, de invulling ervan en de mogelijkheden voor de organisatie. Daarnaast is via interviews met azc-scholen en andere relevante betrokkenen in het veld in een caseaanpak gekeken naar een aantal specifieke lokale situaties, behoefte aan en ervaringen met zomerprogramma’s, en de mogelijkheden en knelpunten voor de organisatie.

Plezierige taalverwerving en onderwijs in de zomer: twee opties
Er kunnen verschillende opties voor een zomerprogramma onderscheiden worden die verschillen in de mate van aandacht voor ontspanningsactiviteiten, taalverwerving, bestrijding van onderwijsachterstanden en participatie en integratie. Alles afgewogen wordt in ons onderzoek aan twee opties de voorkeur gegeven. Bij de ene optie ligt de focus op een combinatie van opvang- en ontspanningsactiviteiten en (speelse) taalverwerving. De andere optie combineert onderwijs met ontspanningsactiviteiten. Deze twee opties zouden het best aansluiten bij de behoefte aan een programma dat gericht is op taalverwerving of onderwijs in de zomervakantie dat ook plezierig moet zijn. Beide opties dragen bij aan het sociaal-emotioneel welbevinden van de kinderen, verdrijven verveling en bieden structuur in de zomervakantie.

Elke optie vraagt om goede, tijdige opzet, organisatie en voorbereiding. De optie die zich richt op tijdbesteding en speelse taalverwerving is echter relatief eenvoudiger te organiseren met een beperkter aantal partijen en activiteitenaanbieders en met minder hoge eisen aan het personeel. Bij optie die zich richt op onderwijs en tijdsbesteding gaat het om een complexere organisatie door de combinatie van onderwijs- en andere activiteiten en de inzet van bevoegde leerkrachten.

De invulling van de opties is afhankelijk van landelijke en (vervolgens) lokale keuzes en mogelijkheden. Daarbij geldt dat er meer wordt gevraagd van de organisatie naarmate er meer activiteiten worden gecombineerd en er meer partijen bij het programma (moeten) worden betrokken. Bovendien vraagt een vast programma voor alle azc-kinderen om duurzaam beleid en een structurele financiering en organisatie.

Meer informatie? Lees het onderzoeksrapport of neem contact op met Sabrina Dinmohamed.

Zomerprogramma’s voor azc-kinderen

In de zomer hebben asielkinderen op basisscholen net als alle andere kinderen in Nederland zes weken vakantie. Wij hebben onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor het opzetten van een zomerprogramma voor azc-kinderen, dat gericht is op taalverwerving of onderwijs en dat ook plezierig moet zijn.

In november 2019 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin de regering wordt gevraagd te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om een vast zomerprogramma aan te bieden aan kinderen op asielzoekerscentra (azc’s). Wij hebben in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de mogelijkheden voor het opzetten van een zomerprogramma voor azc-kinderen onderzocht

Door middel van deskresearch en interviews met landelijke en lokale stakeholders is een overzicht verkregen van de verschillende opties voor de wijze waarop zomerprogramma’s voor deze asielkinderen kunnen worden vormgegeven. Bovendien zijn de mogelijkheden in beeld gebracht voor de organisatie en uitvoering door scholen en gemeenten en de inbreng die andere betrokken organisaties daarbij kunnen hebben.

Op basis van het onderzoek kunnen er een aantal opties voor zomerprogramma’s onderscheiden worden die verschillen in de mate van aandacht voor ontspanningsactiviteiten, taalverwerving, onderwijs, en participatie en integratie. Aan twee opties wordt in dit onderzoek de voorkeur gegeven: een combinatie van tijdbesteding (door opvang- en ontspanningsactiviteiten) en speelse taalverwerving en een combinatie van onderwijs en tijdsbesteding.

Governance Meerjaren Productie Prognose migratieketen

Wij onderzochten de voor- en nadelen van uitvoering van de Meerjaren Productie Prognose door de partijen in de migratieketen (de huidige situatie) tegenover externe uitvoering door een onafhankelijk kennisinstituut. Externe uitvoering is minder gevoelig voor een schijn van oneigenlijke beïnvloeding, maar dit kan ook door andere maatregelen worden bereikt.

De Meerjaren Productie Prognose (MPP) is een periodiek overzicht van ambtelijke prognoses voor de uitvoeringsdiensten in de migratieketen, waaronder de IND, het COA, de DT&V, de KMar en andere ketenpartners. De prognose wordt opgesteld door een werkgroep van ketenpartners. De MPP beweegt zich op een politiek gevoelig beleidsterrein. Migratiebewegingen kunnen in korte tijd heftig veranderen, met consequenties voor de capaciteit van uitvoeringsorganisaties die regelmatig onder het vergrootglas van politiek en media worden gelegd. Hierdoor kunnen vragen rijzen over de onafhankelijkheid en de mogelijkheid van oneigenlijke beïnvloeding. Om discussie hierover voor te zijn, hebben wij in opdracht van het WODC een onderzoek uitgevoerd naar de voor- en nadelen van de uitvoering van de MPP door een onderzoeksinstelling buiten de migratieketen.

Kernbevindingen
Voor de dimensies kwaliteit, draagvlak en efficiëntie wijzen de opvattingen en de verwachtingen van de respondenten niet duidelijk op een voor- of nadeel van uitvoering binnen de keten of door een onafhankelijke kennisinstelling. Wel achten ze uitvoering van de MPP door een onafhankelijke kennisinstelling minder kwetsbaar voor een schijn van oneigenlijke beïnvloeding. In het onderzoek komen ook mogelijkheden naar voren om een schijn van oneigenlijke beïnvloeding zoveel mogelijk te vermijden door maatregelen, die los staan van de wijze waarop de uitvoering is belegd, binnen of buiten de keten. De kern is vergroting van de transparantie en betrokkenheid van deskundige en onafhankelijke buitenstaanders.

Stappen op weg naar werk: lessen voor de arbeidstoeleiding van statushouders gebundeld

Sinds de grote instroom van asielzoekers in 2015 zijn door gemeenten en maatschappelijke organisaties aanpakken ontwikkeld om statushouders sneller en duurzamer te begeleiden richting de arbeidsmarkt. Acht van deze initiatieven zijn met subsidie vanuit het ZonMw-programma ‘Vakkundig aan het Werk’ door verschillende onderzoeksinstellingen onderzocht. Regioplan en het Verwey-Jonker Instituut bundelden deze kennis en destilleerden de belangrijkste inzichten over werkzame aanpakken.

De kennissynthese van werkzame elementen beoogt bij te dragen aan meer evidence based werken door gemeenten en andere organisaties die betrokken zijn bij de arbeidstoeleiding van statushouders. Naast de bundeling van de kennis uit de acht onderzoeken in een kennissynthese, ontwikkelden wij ook een handreiking voor de praktijk voor uitvoerend professionals en beleidsmakers om met elkaar het gesprek aan te gaan met behulp van gesprekskaarten over de inzichten uit de studies en de implicaties daarvan voor de inrichting van de begeleiding van statushouders in de praktijk.

Uit de studies zijn lessen te trekken over de algemene inrichting van de begeleiding zoals het belang van een integrale aanpak, waarbij aandacht is voor de verschillende kansen en belemmeringen die de statushouders op andere leefdomeinen ervaren; het benaderen van gezondheidsvraagstukken vanuit de invalshoek van positieve gezondheid; de rol en begeleidingsstijlen van de professional; en randvoorwaarden voor de inrichting van een effectieve begeleiding.

Naast algemene lessen over de begeleiding van statushouders naar werk zijn ook per fase in het toeleidingsproces – vanaf de intake tot nazorg na plaatsing bij een werkgever – de belangrijkste aandachtpunten en werkzame elementen gebundeld. In onderstaand figuur staan de belangrijkste inzichten waarover in de  kennissynthese meer te lezen is, weergegeven.

Meer informatie?
Lees de kennissynthese en de handreiking of neem contact op met Jeanine.

LHBTI’s, bekeerlingen en religieverlaters in de asielopvang

Het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) is verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van asielzoekers en zet zich in om een veilige omgeving te bieden voor alle asielzoekers op de opvanglocaties. Desondanks komen er met enige regelmaat signalen van intimidatie en geweld tegen LHBTI-asielzoekers, bekeerlingen en religieverlaters in de asielopvang. Regioplan en de Vrije Universiteit deden in opdracht van het WODC onderzoek naar de opvang en begeleiding van deze groepen en hoe deze verbeterd kan worden.

Veilige Steden: nieuw ondersteuningsprogramma voor gemeenten van start

Meisjes en vrouwen krijgen disproportioneel vaak te maken met onveiligheid in de openbare ruimte en bij het uitgaan. Door het hele land zijn er gemeenten die zich daarom via het programma Veilige Steden extra inzetten voor veiligheid van vrouwen en meisjes.

In opdracht van het ministerie van OCW bieden wij deze gemeenten tot en met 2022 ondersteuning met kennis, advies en het faciliteren van uitwisseling.

We bieden een doorlopend ondersteuningsprogramma met onder andere meerdere uitwisselingsbijeenkomsten per jaar, kennisproducten zoals factsheets en handreikingen, een informatieve website en individuele adviesgesprekken per gemeente. Belangrijke thema’s in het ondersteuningsprogramma zijn gendersensivititeit, facetbeleid, lokale samenwerking en sturen op resultaat. Op 22 september vindt een landelijke startconferentie plaats als aftrap van het ondersteuningsprogramma.

Meer informatie?

Bekijk de website die we voor dit programma hebben opgezet of de projectpagina of neem contact op via VeiligeSteden@Regioplan.nl.

 

Advisering en begeleiding Veilige Steden

Naroepen, achtervolgen, betasten – meisjes en vrouwen krijgen disproportioneel vaak te maken met onveiligheid in de openbare ruimte en bij het uitgaan. Door het hele land zijn er daarom gemeenten die zich binnen het programma Veilige Steden extra inzetten voor de veiligheid van vrouwen en meisjes. De nadruk ligt daarbij op veiligheid in de openbare ruimte en met het uitgaan.

Als organisator van het programma Veilige Steden heeft het ministerie van OCW aan ons gevraagd om de deelnemende gemeenten tot en met 2022 te ondersteunen met kennis, advies en het faciliteren van uitwisseling. We bieden een doorlopend ondersteuningsprogramma met onder andere meerdere uitwisselingsbijeenkomsten per jaar, kennisproducten, zoals factsheets en handreikingen, een informatieve website, start- en slotconferenties en individuele adviesgesprekken per gemeente. Belangrijke thema’s in het ondersteuningsprogramma zijn gendersensivititeit, facetbeleid, lokale samenwerking en sturen op resultaat.

Meer informatie? Neem contact op met Miranda.

Flexibele asielopvang in de regio

Gemeenten, provincies, het Rijk en COA hebben nieuwe afspraken gemaakt over flexibele asielopvang in de regio. Wij onderzochten recentelijk een pilot voor opvang in de regio in opdracht van het WODC en delen de belangrijkste punten voor deze nieuwe aanpak.

Nieuwe afspraken om een tekort tegen te gaan

Afgelopen week maakte de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bekend dat er nieuwe afspraken zijn tussen gemeenten, provincies, het Rijk en COA voor flexibele asielopvang. Toen in 2015 grote groepen mensen tegelijk asiel aanvroegen, bleken het COA en gemeenten hier niet op voorbereid. Door het hele land moesten noodopvangcentra uit de grond gestampt worden, wat leidde tot ondermaatse opvang en veel maatschappelijke onrust. De nieuwe afspraken moeten dergelijke tekorten in opvangcapaciteit voorkomen door de asielzoekerscentra niet te sluiten bij onderbezetting, maar deze ook op te stellen voor andere doelgroepen. Daarnaast is er aandacht voor snelle integratie. Kansrijke asielzoekers worden volgens de nieuwe afspraken namelijk opgevangen in regionale opvangen, zodat zij al tijdens de opvang kunnen integreren in de regio waar ze gaan wonen als ze een verblijfsstatus krijgen. Onlangs onderzochten wij een pilot voor regionale opvang in opdracht van het WODC. Uit deze plan- en procesevaluatie kwamen punten naar voren kwamen die relevant zijn voor de nieuwe aanpak.

Pilotopvang in Tynaarlo

De pilotopvang Tynaarlo 2.0 is bedoeld om kansrijke asielzoekers en statushouders op te vangen in de regio. Goede samenwerking tussen betrokken partijen blijkt erg belangrijk om de juiste doelgroep in de opvang te plaatsen. Het is dan ook goed dat er afspraken zijn gemaakt tussen verschillende overheidsorganen en het COA om de kansrijke groep te laten doorstromen naar regionale opvang. Ook is het positief dat de regiolocaties meer verspreid worden over het land, zodat de regio van uitplaatsing niet te groot wordt. Uit onze evaluatie van de pilot Tynaarlo blijkt daarnaast dat kleinschalige opvang kan bijdragen aan draagvlak onder de lokale bevolking. Bij deze pilot werden inwoners uit de omgeving van de opvang actief betrokken bij de opvang, waardoor zij bereid waren de bewoners te ondersteunen bij hun integratie. Hoe de nieuwe afspraken er in de praktijk precies uit komen te zien moet nog blijken, de provincies gaan nu aan de slag met de verdere uitwerking van de plannen.

Meer weten?

Benieuwd naar de kleinschalige opvang in Tynaarlo? Lees ons onderzoeksrapport of neem contact op met Jeanine.

Vast zomerprogramma voor azc-kinderen

Naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aangenomen motie laat OCW de mogelijkheden onderzoeken om een vast zomerprogramma aan te bieden aan kinderen op asielzoekerscentra. Dit najaar voeren wij dat onderzoek uit.

In de zomer hebben asielkinderen op basisscholen net als alle andere kinderen in Nederland zes weken vakantie. School speelt een belangrijk rol in het leven van een asielkind. De asielperiode is voor jonge kinderen een aangrijpende periode die veel indruk maakt. De basisschool biedt hen een warme, positieve omgeving die in de zomer tijdelijk niet beschikbaar is. Bovendien is de kans op verlies van taalkennis in de zomer bij asielkinderen groot omdat hun ouders vaak geen Nederlands spreken. Daarom is de vraag opgekomen wat de mogelijkheden zijn om tijdens zomervakanties een vast zomerprogramma aan te bieden aan asielkinderen in de basisschoolleeftijd.

Door middel van desk research en interviews met landelijke en lokale stakeholders wordt een overzicht gemaakt van de verschillende opties voor de wijze waarop zomerprogramma’s voor deze asielkinderen kunnen worden vormgegeven. Bovendien worden de mogelijkheden in beeld gebracht voor de organisatie en uitvoering door scholen en gemeenten en de inbreng die andere betrokken organisaties daarbij kunnen hebben. Het onderzoek voeren wij dit najaar uit. Neem voor meer informatie contact op met Kees.