Verspreidings- en Implementatie-impuls (VIMP) geleerde lessen over arbeidstoeleiding van statushouders

Sinds de grote instroom van asielzoekers in 2015 zijn door gemeenten en maatschappelijke organisaties aanpakken ontwikkeld om statushouders sneller en duurzamer te begeleiden richting de arbeidsmarkt. Acht van deze initiatieven zijn met subsidie vanuit het ZonMw-programma ‘Vakkundig aan het Werk’ door verschillende onderzoeksinstellingen onderzocht. Regioplan en het Verwey-Jonker Instituut bundelden deze kennis en destilleerden de belangrijkste inzichten over werkzame aanpakken.

De kennissynthese van werkzame elementen beoogt bij te dragen aan meer evidence based werken door gemeenten en andere organisaties die betrokken zijn bij de arbeidstoeleiding van statushouders. Naast de bundeling van de kennis uit de acht onderzoeken in een kennissynthese, ontwikkelden wij ook een handreiking voor de praktijk voor uitvoerend professionals en beleidsmakers om met elkaar het gesprek aan te gaan met behulp van gesprekskaarten over de inzichten uit de studies en de implicaties daarvan voor de inrichting van de begeleiding van statushouders in de praktijk.

Uit de studies zijn lessen te trekken over de algemene inrichting van de begeleiding zoals het belang van een integrale aanpak, waarbij aandacht is voor de verschillende kansen en belemmeringen die de statushouders op andere leefdomeinen ervaren; het benaderen van gezondheidsvraagstukken vanuit de invalshoek van positieve gezondheid; de rol en begeleidingsstijlen van de professional; en randvoorwaarden voor de inrichting van een effectieve begeleiding.

Naast algemene lessen over de begeleiding van statushouders naar werk zijn ook per fase in het toeleidingsproces – vanaf de intake tot nazorg na plaatsing bij een werkgever – de belangrijkste aandachtpunten en werkzame elementen gebundeld. In onderstaand figuur staan de belangrijkste inzichten waarover in de  kennissynthese meer te lezen is, weergegeven.

Procesevaluatie Stichting Nieuw Thuis Rotterdam

Het SNTR-programma

Stichting Nieuw Thuis Rotterdam (SNTR) is in 2016 opgericht door Stichting de Verre Bergen om tweehonderd Syrische vluchtelingengezinnen te helpen om snel te integreren in de Rotterdamse samenleving. Daartoe biedt SNTR de deelnemende gezinnen een huurwoning en een intensief integratieprogramma, bestaande uit maatschappelijke begeleiding, taallessen en loopbaanbegeleiding. Het SNTR-programma is daarmee uniek in zijn soort. Deelnemers krijgen bijvoorbeeld vier dagdelen per week taalles en worden regelmatig thuis bezocht voor hulp met praktische zaken en het vergroten van de zelfredzaamheid. De ambitie is dat de gezinnen zo beter de Nederlandse taal leren, zelfredzamer worden en zich thuis gaan voelen in Rotterdam.

Onderzoek: het BRIDGE-project

De Erasmus Universiteit voert in opdracht van Stichting De Verre Bergen een meerjarig onderzoek uit naar de werking en effectiviteit van het SNTR-programma. Dit zogenoemde BRIDGE-project omvat meerdere onderzoeken, te weten een procesevaluatie, een monitor van de uitkomsten, een effectevaluatie en een onderzoek naar de kinderen en jongeren van het SNTR-programma. De procesevaluatie wordt in samenwerking uitgevoerd door Regioplan en de EUR.

De procesevaluatie

Het doel van de procesevaluatie is te laten zien in hoeverre de SNTR-aanpak in de praktijk zo wordt uitgevoerd als beoogd en op welke wijze dit volgens de betrokkenen bijdraagt aan de beoogde doelen. Hiertoe zijn in 2019 onder meer interviews gevoerd met uitvoerders en deelnemers en zijn huisbezoeken en coachingsgesprekken geobserveerd. De resultaten zijn beschreven in een rapport genaamd ‘Alles onder één dak: De uitvoering van het SNTR-programma voor Rotterdamse statushouders in beeld’.

In 2020 is er een vervolg op de procesevaluatie uitgevoerd, waarin een nieuwe ronde interviews is gedaan langs de betrokken uitvoerders en samenwerkingspartners. Het voornaamste doel hiervan was om recente ontwikkelingen in het SNTR-programma sinds 2019 in kaart te brengen. Daarnaast is naar enkele thema’s verdiepend onderzoek gedaan, en is extra aandacht besteed aan de rol van de context op de uitvoering en ervaren bijdrage van het SNTR-programma. De bevindingen hiervan zijn samen met die uit de andere deelonderzoeken uit het BRIDGE-project verwerkt in de overkoepelende eindrapportage, genaamd ‘Met alles opnieuw starten‘.

Bevindingen procesevaluatie

Kijkend naar de verschillende onderdelen van het SNTR-programma, zien we dat de maatschappelijke begeleiding statushouders intensief ondersteunt bij het nemen van allerlei bureaucratische hobbels en bijdraagt aan het oplossen van veel praktische problemen (‘brandjes blussen’). Tegelijkertijd constateren we dat het mede hierdoor niet altijd lukt om systematisch te werken aan de zelfredzaamheid van de deelnemers. Verder zien we dat deelnemers gemotiveerd en begeleid worden om zich te oriënteren op (een vorm van) werk, en worden ondersteund bij het ontwikkelen van hun vaardigheden en zelfvertrouwen. Dit onderdeel van het programma kan nog beter worden uitgewerkt, onder andere door de samenwerking met de gemeente Rotterdam te versterken. De SNTR-aanpak kenmerkt zich tevens door een intensief taalprogramma. Voor sommige deelnemers draagt dit duidelijk bij aan een snellere taalverwerving, maar er zijn ook deelnemers voor wie het intensieve programma te snel gaat. Ook blijkt het taalprogramma moeilijk te combineren met (een vorm van) werk.

Overkoepelende bevindingen EUR Bridge project

De overkoepelende eindrapportage ‘Met alles opnieuw starten’ trekt op basis van de verschillende deelonderzoeken van het EUR Bridge project een algehele conclusie over de werking en de effectiviteit van het SNTR-programma. Centraal hierbij staat een effectmeting die is uitgevoerd op basis van een longitudinale panelsurvey, waarbij SNTR-deelnemers zijn vergeleken met een controlegroep van statushouders die door de gemeente zijn begeleid. De resultaten laten zien dat de SNTR-deelnemers op zowel taalverwerving, zelfredzaamheid als participatie niet significant beter scoren dan de vergelijkingsgroep. Hiervoor zijn meerdere potentiële verklaringen te geven. Zo kan de invloed van beleid beperkt zijn in verhouding tot andere factoren, en hebben weerbarstigheden in de uitvoering van het programma wellicht betere resultaten in de weg gestaan. Ook kan het zijn dat de effecten van het SNTR-programma pas op een later moment zichtbaar zullen worden. Daarom is een derde veldwerkronde van de survey afgenomen, waarover later gepubliceerd zal worden.

Meer informatie

Neem contact op met Yannick.

Evaluatie Tussenvoorziening: kleinschalige opvang gericht op snelle integratie

Op 1 juli 2018 is in Tynaarlo een pilot gestart met kleinschalige opvang van statushouders en kansrijke asielzoekers in (de buurt van) de gemeenten die hen gaan huisvesten. Met deze pilot wordt beoogd om participatie en integratie van statushouders te bevorderen.

Kleinschalige tussenvoorziening

In het kader van het flexibiliseren van de asielketen streeft het kabinet naar kleinschalige opvang voor kansrijke asielzoekers en statushouders gericht op vroegtijdige integratie. De kleinschalige TussenVoorziening (TuVo 2.0) onder leiding van Stichting INLIA is een voorbeeld van zo’n opvangvoorziening. In deze opvang in Tynaarlo leren statushouders basale kennis over de taal en cultuur en komen in contact met de lokale bevolking. De TuVo 2.0 is bedoeld om kansrijke asielzoekers en statushouders te huisvesten, die in een van de omliggende gemeentes gaan wonen. Door alvast contact te leggen met de lokale bevolking en instanties kunnen de nieuwkomers al tijdens de opvang integreren en participeren in de lokale samenleving. Ook zet de TuVo 2.0 in op een warme overdracht naar de uitplaatsingsgemeente, zodat de begeleiding vanuit de opvang naar de gemeente een doorlopende lijn vormen. Wij voerden voor het WODC een plan- en procesevaluatie van de opvangvoorziening in Tynaarlo.

Onderzoeksresultaten

Uit ons onderzoek blijkt dat met name het voorbereiden van de statushouders op en het kennismaken met de uitplaatsingsgemeente nog onvoldoende van de grond omdat veel van de statushouders uiteindelijk niet in de regio zijn uitgeplaatst. Hierdoor is het kennis maken met de gemeente moeilijk te organiseren. Hoewel de uitvoering van de pilot niet op alle onderdelen zo is uitgevoerd als verwacht en er zeker verbetermogelijkheden zijn, laten de ervaringen van de TuVo ook zien dat het mogelijk is om als ngo een kleinschalige opvang te organiseren waar bewoners in een sociaal veilige omgeving een eerste start kunnen maken met integratie. De statushouders zijn erg positief over de persoonlijke benadering door medewerkers en vrijwilligers op de TuVo 2.0. Dit heeft INLIA kunnen organiseren binnen een bestaand opvangsysteem waarin de omstandigheden voor de uitvoering van de pilot niet altijd gunstig waren. INLIA heeft bijvoorbeeld geen toegang tot de informatiesystemen van het COA en kreeg bewoners toegewezen die gekoppeld zijn aan een gemeente (ver) buiten de regio.

Meer informatie?

Lees ons onderzoeksrapport of neem contact op met Jeanine.

De Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen in de praktijk

Sinds 2019 werken vijf gemeenten, Rijkspartijen en ngo’s in de pilot LVV samen om duurzame oplossingen te vinden voor vreemdelingen zonder recht op verblijf en opvang. Deze samenwerking krijgt in steeds meer gemeenten vorm, maar het bereiken van duurzame oplossingen voor deze vreemdelingen blijft complex en een zaak van lange adem.

De pilot LVV

Om een duurzame oplossing te vinden voor vreemdelingen zonder recht op verblijf en opvang sloten het Rijk en de VNG eind 2018 een samenwerkingsovereenkomst om te komen tot een landelijk dekkend netwerk van opvangvoorzieningen voor deze groep (Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen). In vijf pilotgemeenten werken gemeenten, de IND, DT&V, AVIM en ngo’s daarom samen om een oplossing te vinden voor deze vreemdelingen, in de vorm van zelfstandige terugkeer, doormigratie of legalisering van verblijf. De LVV biedt de vreemdelingen opvang en begeleiding richting een duurzaam toekomstperspectief. In opdracht van het WODC brachten wij in kaart hoe de LVV in de pilotgemeenten is ingericht en wat de eerste ervaringen zijn met de uitvoering en resultaten.

Een stap voorwaarts in de samenwerking

De samenwerking tussen de betrokken partijen was in het verleden niet altijd vanzelfsprekend als gevolg van onderling wantrouwen en verschillen van inzicht in realistische oplossingen voor de vreemdelingen. Circa een jaar na de feitelijke start van pilot LVV zien we dat partijen elkaar beter weten te vinden in de meeste pilotgemeenten en dat meer begrip is gekomen voor elkaars werkwijze en standpunten. Dit is een duidelijke stap voorwaarts in de samenwerking, maar van een gedeelde visie op het probleem en de oplossing voor een vreemdeling is nog geen sprake.

Vertrouwen kost tijd

Onderling vertrouwen is een sleutelelement in de samenwerking binnen de LVV, zowel tussen uitvoerende partijen onderling als tussen de vreemdeling en de begeleidende instantie. Zonder vertrouwen is het moeilijk om resultaat te boeken en het opbouwen van een vertrouwensrelatie kost tijd. Het aantal duurzame oplossingen voor vreemdelingen is tot nu toe zeer beperkt. Een aantal betrokken partijen is daar niet tevreden over, zeker gezien de tijd en energie die zij in de LVV steken. Toch is het van belang te realiseren dat het opzetten van deze samenwerkingsstructuur en de complexiteit van de casussen ervoor zorgen dat snelle resultaten niet te verwachten zijn. Tegelijkertijd is de druk op de LVV vanuit de politiek en de media groot. Op dit moment is het echter nog te vroeg om conclusies te verbinden aan het beperkte aantal vreemdelingen waarvoor een duurzame oplossing is gevonden. De LVV heeft meer tijd nodig om zich te kunnen bewijzen.

Meer informatie?

Wilt u meer weten over dit project of wat wij voor u kunnen betekenen? Lees dan ons onderzoeksrapport of neem contact op met Jeanine.

Dag van de Vluchteling

Morgen is het de dag van de vluchteling. We staan deze dag niet alleen stil bij alle ontheemde mensen die momenteel vluchten, maar ook bij vluchtelingen die in Nederland wonen en een verblijfsvergunning hebben (statushouders). Want alhoewel zij niet meer op de vlucht zijn, moeten zij te midden van een internationale pandemie met alle economische gevolgen van dien een nieuw bestaan op zien te bouwen. Dat is niet gemakkelijk.

Daarom is het goed om morgen nog een keer stil te staan bij elementen die succesvol zijn gebleken bij arbeidstoeleiding en duurzame participatie van statushouders. Dit doen we voor drie partijen, namelijk voor gemeenten, maatschappelijke organisaties en werkgevers. Aan het einde benadrukken we waarom het – juist nu – zo belangrijk is om de aandacht niet te doen verslappen.

Elementen die succesvol zijn gebleken bij arbeidstoeleiding en werkbehoud van vluchtelingen

Voor gemeenten: snelle start met integrale trajecten en aandacht voor gezondheid
Een snelle start met integrale trajecten, waarin gelijktijdig wordt gewerkt aan de ontwikkeling van Nederlandse taal, werknemersvaardigheden en vakvaardigheden (ook duale trajecten genoemd), is een belangrijk element gebleken bij een succesvolle aanpak van gemeenten om de participatie van statushouders te bevorderen. Daarbij moet de statushouder intensief worden begeleid door een team van gespecialiseerde professionals (vaak ‘klantmanagers’ genoemd) met een lage caseload.

Ook is het belangrijk dat klantmanagers rekening houden met eventuele gezondheidsproblematiek. Immers, participatie en gezondheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: gezondheid is nodig om te participeren, maar andersom kan inactiviteit ook negatieve gevolgen voor de gezondheid hebben. In 2019 heeft Regioplan een onderzoek gepubliceerd naar elementen die belangrijk zijn bij de begeleiding van statushouders met gezondheidsklachten richting participatie. Dit zijn onder meer: handelingsvrijheid van professionals, deskundigheidsbevordering en intervisie voor het signaleren van gezondheidsproblematiek en het kennen van de sociale kaart. Daarbij is het enorm belangrijk dat professionals een vertrouwensband opbouwen zodat statushouders hierover durven te praten.

Voor maatschappelijke organisaties: de kracht van nieuwkomers staat centraal in een integrale aanpak
Werkzame elementen in de arbeidstoeleiding van statushouders zijn onder andere integrale trajecten, intensieve begeleiding, een focus op individuele competenties en maatwerk. Deze elementen komen terug in vijfendertig trajecten die met subsidie van Instituut GAK worden uitgevoerd door maatschappelijke organisaties in Nederland. De projecten richten zich onder meer op culturele werknemersvaardigheden en sollicitatievaardigheden, een sociaal en professioneel netwerk en het taalniveau. Ook wordt aandacht besteedt aan competenties, talenten en doelstellingen van statushouders, zodat gezocht kan worden naar een duurzame ‘droombaan’ in plaats van een kortstondige ‘broodbaan’. Wij evalueren deze projecten.

Voor werkgevers: verankeren diversiteitsbeleid
Arbeidstoeleiding vanuit gemeenten en maatschappelijke organisaties is noodzakelijk, maar niet voldoende om statushouders aan een (duurzame) baan te helpen. Bedrijven moeten hun deuren openzetten voor deze groep én hun beleid zo inrichten dat statushouders zich welkom en betrokken voelen bij het bedrijf. Met andere woorden: werkgevers moeten diversiteit en inclusie nastreven en verankeren in hun beleid. Maar hoe veranker je dat?

Uit ons onderzoek onder bedrijven die het Charter Diversiteit ondertekend hebben, blijkt dat bedrijven allereerst een gerichte visie, doelstellingen en een businesscase moeten formuleren over diversiteit en inclusie. Daarnaast moet er binnen het bedrijf iemand zijn die formeel ‘probleemeigenaar’ of verantwoordelijk is voor dit onderwerp – iemand die voldoende middelen en tijd tot zijn beschikking heeft om het onderwerp constant te agenderen. Verder moeten de top en leidinggevenden zich betrokken voelen. Voor statushouders is het bovendien belangrijk om een mentor of buddy binnen het bedrijf te hebben (anders dan een leidinggevende): iemand die ze wegwijs kan maken in de Nederlandse arbeidscultuur en die ze kan helpen met het verder ontwikkelen van culturele werknemersvaardigheden.

Juist nu: hou de aandacht vast

De afgelopen jaren is er door gemeenten, maatschappelijke partijen en een aantal bedrijven veel geïnvesteerd in arbeidstoeleiding en werkbehoud van statushouders. De initiatieven begonnen hun vruchten af te werpen, zij het overwegend in de vorm van kleine en tijdelijke banen. We moeten voorkomen dat deze successen door de coronacrisis en de aankomende economische recessie, die statushouders naar verwachting onevenredig hard zal raken, verloren gaan. Het is daarom van groot belang dat dat gemeenten, maatschappelijke organisaties en werkgevers bovengenoemde werkzame elementen – juist nu – vasthouden.

Gelukkig zien we dat partijen nu al bezig zijn om een nieuwe weg te vinden in de veranderende maatschappij, bijvoorbeeld in hun wijze van ondersteuning (meer digitaal) en in de keuze voor perspectiefrijke sectoren. Wij juichen deze initiatieven toe en denken graag met partijen mee over mogelijkheden en een verdere invulling hiervan. Het is namelijk enorm zonde als we deze groep als gevolg van de coronacrisis ‘kwijtraken’, omdat zij onze samenleving veel te bieden in termen van menselijk kapitaal, inzet en talenten.

Meer informatie?

Neem contact op met onze collega Jeanine.

Arbeidsparticipatie van hoogopgeleide statushouders in Nederland en verschillende andere West-Europese landen

In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoeken we wat helpt om de arbeidsparticipatie van hoogopgeleide statushouders te verbeteren en wat we in Nederland in dit opzicht kunnen leren van andere landen.

Arbeidsparticipatie statushouders

Wanneer vluchtelingen zich in kunnen zetten op de arbeidsmarkt heeft dit positieve effecten, zowel voor henzelf als voor de ontvangende samenleving. In de praktijk blijft echter teveel potentieel onbenut: de arbeidsmarktparticipatie blijft onder statushouders ver achter bij die van Nederlanders zonder migratieachtergrond. Ook werken veel statushouders in Nederland onder hun niveau. Wat helpt om de arbeidsparticipatie van hoogopgeleide statushouders te verbeteren, en wat kunnen we in Nederland in dit opzicht leren van andere landen?

West-Europese vergelijking en good practices

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft ons gevraagd onderzoek te doen naar de arbeidsparticipatie van hoogopgeleide statushouders in een aantal West-Europese landen. Hierbij gaan we op zoek naar verklaringen voor verschillen tussen de landen. Ook brengen we good practices in kaart: voorbeelden van projecten en aanpakken elders, die ervoor zorgen dat hoogopgeleide statushouders sneller werk vinden dat past bij hun kennis en vaardigheden. Door middel van statistische analyse, documentenstudie en interviews met betrokkenen in verschillende West-Europese landen brengen we in beeld wat de arbeidsparticipatie is van hoogopgeleide statushouders in Nederland en elders, inclusief de succesfactoren die hierin een rol spelen.

Meer weten?

Houd de projectpagina in de gaten of neem contact op met Arend of Miranda.

Snelle participatie van inburgeraars via duale trajecten

Onderdeel van de nieuwe inburgeringswet is dat inburgeraars zo snel mogelijk participeren, naast hun taalles. Een groep van negen gemeenten doet hier nu al ervaring mee op en onlangs publiceerden wij de eerste lessen die zij geleerd hebben.

Duale trajecten

Op 1 juli 2021 zal de nieuwe inburgeringswet van kracht gaan. Eén van de elementen uit de wet is dat gemeenten hun inburgeraars zo snel mogelijk laten participeren naast hun taalles, bijvoorbeeld in vrijwilligerswerk of een werkervaringsplek. De achterliggende gedachte is dat inburgeraars beter maatschappelijk kunnen participeren als zij zo vroeg mogelijk worden geactiveerd om de taal te leren en daarnaast toe te passen in de praktijk. Binnen een pilotprogramma, opgezet door het Ministerie van SZW, doen negen gemeenten momenteel ervaring op met het organiseren van deze duale trajecten. Wij monitoren de pilots en publiceerden op 16 april 2020 de tussentijdse uitkomsten.

Tussentijdse resultaten

De pilotgemeenten geven de trajecten op verschillende manieren vorm. Sommigen werken bijvoorbeeld samen met taalaanbieders om taalles te geven op de werkvloer. Anderen leiden de inburgeraars met korte cursussen op om aan het werk te gaan in een bepaalde sector, zoals de horeca of de techniek. Wat overal opvalt is dat het combineren van de verschillende activiteiten (taalles, werk, cursussen) in het weekschema van de inburgeraars veel coördinatie vergt. Ook zijn er niet altijd voldoende inburgeraars om klassen te kunnen vullen.

En nu verder

De pilotgemeenten en hun inburgeraars gaan de komende maanden verder, en wij blijven betrokken om hun ervaringen in kaart te brengen. In ons eindrapport maken we de balans op, onder meer met een inkijk in de resultaten die door de inburgeraars behaald zijn.

Meer weten?

Lees verder over de geleerde lessen in ons tussenrapport.
Kijk voor meer informatie over dit project op de projectsite of neem contact op met Jeanine.

Het Charter Diversiteit: Monitor 2018

Sinds ons vorige onderzoek voor Diversiteit in Bedrijf is het aantal ondertekenaars van het Charter Diversiteit gegroeid naar 205 eind 2019. Ondertekenaars dienen een plan van aanpak in waarin zij beschrijven hoe zij diversiteit en inclusie in hun organisatie gaan verbeteren. Sommige bedrijven kiezen voor beleid gericht op inclusie in het algemeen. Andere bedrijven formuleren maatregelen gericht op een specifieke dimensie, zoals arbeidsbeperking of chronische ziekte, gender of etnische/culturele achtergrond.

Veelheid aan activiteiten, sommigen meer succesvol dan anderen

De meeste voorkomende doelstellingen voor 2018 zijn gericht op instroom en doorstroom van doelgroepen en het creëren van bewustwording en draagvlak onder het personeel. Bedrijven combineren vaak verschillende strategieën om deze doelen te bereiken en zetten een breed scala aan activiteiten in. Onder bedrijven die het creëren van bewustwording en draagvlak als strategie inzetten waren vooral trainingen (bv. een training over unconscious bias of female leadership) en evenementen (bv. een Diversity Award uitreiking) succesvol. Bedrijven die zich richten op het aanpassen van het personeelsbeleid hebben vooral succes met het wijzigen van de werving- en selectiestrategie (bv. meet-and-greet met vluchtelingtalenten). Als communicatie als strategie wordt ingezet is het oprichten van samenwerkingsverbanden (bv. een werkgroep met managers) veelal een succes.

Belangrijke aspecten voor de uitvoering van diversiteitbeleid zijn:

  • Draagvlak onder het personeel en urgentie onder het management;
  • Duidelijke belegging van verantwoordelijkheden rondom de uitvoering van het diversiteitsbeleid;
  • Voldoende budget en personele capaciteit om het diversiteitsbeleid uit te voeren.

Meer informatie?
Neem contact op met Jeanine.

Regioplan wint NSV-VBO Prijs voor Beleidsonderzoek 2019

Iedere twee jaar reiken de Vereniging voor Beleidsonderzoek (VBO) en de Nationale Sociologie Vereniging (NSV) de Prijs voor Beleidsonderzoek uit. Deze prijs is bestemd voor het beste beleidsonderzoek waarin de wisselwerking tussen wetenschap en toegepast onderzoek duidelijk naar voren komt. Dit jaar waren er in totaal 13 inzendingen gedaan, die door een vierkoppige jury zorgvuldig zijn beoordeeld. Ons onderzoek naar de Amsterdamse aanpak statushouders was één van de twee genomineerden.

Presentatie en uitreiking

Op 7 november 2019 mochten de beide genomineerden hun onderzoeken presenteren bij de lustrumbijeenkomst van de VBO. Vervolgens is de prijs uitgereikt aan de beide onderzoeken: een gedeelde eerste plaats dus. De jury noemde ons rapport “een lichtend voorbeeld van gedegen evaluatie van gemeentelijk beleid met daaraan gekoppeld concrete handvatten voor verbetering.“ Vooral de geavanceerde inzet van verschillende methoden en gestructureerde analyse gooiden hoge ogen. Naar aanleiding van de prijsuitreiking zal er een artikel verschijnen in Sociale Vraagstukken.

Meer informatie?

Het volledige juryrapport kunt u hier nalezen. Meer informatie over het onderzoek naar de Amsterdamse aanpak vindt u hier.

Evaluatie pilot multidisciplinaire advisering slachtofferschap mensenhandel

Om de erkenning van slachtofferschap van mensenhandel meer los te koppelen van het strafproces is gedurende 2018 en 2019 een pilot uitgevoerd. Hierbij brengt een onafhankelijke commissie een deskundigenbericht uit over de aannemelijkheid van slachtofferschap van mensenhandel.

Mensenrechten van slachtoffers van mensenhandel centraal

In Nederland is de erkenning van slachtofferschap in sterke mate verbonden met het strafproces; als geen sprake is van vervolging (en veroordeling) van de dader worden mogelijke slachtoffers niet erkend als slachtoffers. Dit kan er toe leiden dat slachtoffers geen toegang krijgen tot gespecialiseerde ondersteuning en voorzieningen. Om de bescherming van slachtoffers meer centraal te stellen is in januari 2018 een pilot gestart waarbij een onafhankelijke multidisciplinaire commissie een deskundigenbericht uitbrengt over de aannemelijkheid van slachtofferschap. Gedurende de periode januari 2018 en april 2019 hebben we de pilot gevolgd en de ervaringen en opbrengsten in kaart gebracht. Dit deden we onder andere door documentstudies, dossieronderzoek en interviews met de commissieleden en medewerkers van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, advocaten, hulpverleningsorganisaties en de IND.

Aannemelijk maken van slachtofferschap?

De meeste aanvragen die de commissie heeft behandeld zijn afkomstig van buitenlandse slachtoffers van mensenhandel. Bij circa driekwart van de uitgebrachte adviezen kon de Commissie slachtofferschap aannemelijk maken. Door vanuit verschillende expertises naar de aanvragen te kijken en gebruik te maken van verschillende informatiebronnen heeft de commissie voldoende aanknopingspunten gevonden om slachtofferschap aannemelijk te maken. In de Commissie is veel kennis bijeengebracht over het duiden van signalen van mensenhandel bij niet-evidente casussen.

Meerwaarde van de uitgebrachte adviezen

Positieve deskundigenberichten zijn met name ingezet in het kader van verblijfsrechtelijke procedures voor buitenlandse slachtoffers van mensenhandel. Naast het inzetten van het deskundigenbericht in verblijfsrechtelijke procedures, is ook sprake van meerwaarde op immaterieel vlak, in de vorm van erkenning van hun slachtofferschap. Dit kan bijdragen aan het verwerkingsproces.

Nederlandse slachtoffers hebben nauwelijks gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen. Voor hen is de meerwaarde van een positief deskundigenbericht minder evident omdat rechtmatig verblijf niet in het geding is. De pilot heeft hierdoor een nauwere focus gekregen dan aanvankelijk bedoeld.

We hebben de procesevaluatie uitgevoerd in opdracht van het WODC en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Lees meer over de aanpak en resultaten in het onderzoeksrapport. Meer informatie? Neem contact op met Jeanine.