Werkveld: Migratie, integratie en diversiteit
Evaluatie van de pilot multidisciplinaire advisering slachtofferschap mensenhandel
Om de erkenning van slachtofferschap van mensenhandel meer los te koppelen van het strafproces is gedurende 2018 en 2019 een pilot uitgevoerd. Hierbij brengt een onafhankelijke commissie een deskundigenbericht uit over de aannemelijkheid van slachtofferschap van mensenhandel.
Mensenrechten van slachtoffers van mensenhandel centraal
In Nederland is de erkenning van slachtofferschap in sterke mate verbonden met het strafproces; als geen sprake is van vervolging (en veroordeling) van de dader worden mogelijke slachtoffers niet erkend als slachtoffers. Dit kan er toe leiden dat slachtoffers geen toegang krijgen tot gespecialiseerde ondersteuning en voorzieningen. Om de bescherming van slachtoffers meer centraal te stellen is in januari 2018 een pilot gestart waarbij een onafhankelijke multidisciplinaire commissie een deskundigenbericht uitbrengt over de aannemelijkheid van slachtofferschap. Gedurende de periode januari 2018 en april 2019 hebben we de pilot gevolgd en de ervaringen en opbrengsten in kaart gebracht. Dit deden we onder andere door documentstudies, dossieronderzoek en interviews met de commissieleden en medewerkers van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, advocaten, hulpverleningsorganisaties en de IND.
Aannemelijk maken van slachtofferschap?
De meeste aanvragen die de commissie heeft behandeld zijn afkomstig van buitenlandse slachtoffers van mensenhandel. Bij circa driekwart van de uitgebrachte adviezen kon de Commissie slachtofferschap aannemelijk maken. Door vanuit verschillende expertises naar de aanvragen te kijken en gebruik te maken van verschillende informatiebronnen heeft de commissie voldoende aanknopingspunten gevonden om slachtofferschap aannemelijk te maken. In de Commissie is veel kennis bijeengebracht over het duiden van signalen van mensenhandel bij niet-evidente casussen.
Meerwaarde van de uitgebrachte adviezen
Positieve deskundigenberichten zijn met name ingezet in het kader van verblijfsrechtelijke procedures voor buitenlandse slachtoffers van mensenhandel. Naast het inzetten van het deskundigenbericht in verblijfsrechtelijke procedures, is ook sprake van meerwaarde op immaterieel vlak, in de vorm van erkenning van hun slachtofferschap. Dit kan bijdragen aan het verwerkingsproces.
Nederlandse slachtoffers hebben nauwelijks gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen. Voor hen is de meerwaarde van een positief deskundigenbericht minder evident omdat rechtmatig verblijf niet in het geding is. De pilot heeft hierdoor een nauwere focus gekregen dan aanvankelijk bedoeld.
We hebben de procesevaluatie uitgevoerd in opdracht van het WODC en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Lees meer over de aanpak en resultaten in het onderzoeksrapport. Meer informatie? Neem contact op met Jeanine.
Procesevaluatie pilot kleinschalige opvang statushouders in Tynaarlo
Op 1 juli 2018 is in Tynaarlo een pilot gestart met kleinschalige opvang van statushouders en kansrijke asielzoekers in (de buurt van) de gemeenten die hen gaan huisvesten. Met deze pilot wordt beoogd om participatie en integratie van statushouders te bevorderen.
Het idee van deze pilot is om statushouders en kansrijke asielzoekers zo snel mogelijk actief te laten deelnemen aan de lokale samenleving waar zij de komende jaren deel van zullen gaan uitmaken. Dit gebeurt door middel van een voorinburgeringsprogramma, waarin zij kennis en ervaringen opdoen die een snelle integratie bevordert. Zo worden bijvoorbeeld kennismakingsactiviteiten georganiseerd met lokale voorzieningen en organisaties (bv. huisarts, sport- en muziekverenigingen, vrijwilligersorganisaties). Ook wordt er geoefend met bepaalde praktische vaardigheden, zoals fietsen. Tevens is er de mogelijkheid om stage te lopen bij lokale bedrijven.
Wij gaan deze nieuwe aanpak evalueren aan de hand van een Theory of Change-benadering, waarna we kunnen concluderen óf en waarom deze aanpak vruchten afwerpt.
Plan en procesevaluatie pilot kleinschalige opvang statushouders in Tynaarlo
Op 1 juli 2018 is in Tynaarlo een pilot gestart met kleinschalige opvang van statushouders en kansrijke asielzoekers in (de buurt van) de gemeenten die hen gaan huisvesten. Met deze pilot wordt beoogd om participatie en integratie van statushouders te bevorderen.
In het kader van het flexibiliseren van de asielketen streeft het kabinet naar kleinschalige opvang voor kansrijke asielzoekers en statushouders gericht op vroegtijdige integratie. De kleinschalige TussenVoorziening (TuVo 2.0) onder leiding van Stichting INLIA is een voorbeeld van zo’n opvangvoorziening. In deze opvang in Tynaarlo leren statushouders basale kennis over de taal en cultuur en komen in contact met de lokale bevolking. De TuVo 2.0 is bedoeld om kansrijke asielzoekers en statushouders te huisvesten, die in een van de omliggende gemeentes gaan wonen. Door alvast contact te leggen met de lokale bevolking en instanties kunnen de nieuwkomers al tijdens de opvang integreren en participeren in de lokale samenleving. Ook zet de TuVo 2.0 in op een warme overdracht naar de uitplaatsingsgemeente, zodat de begeleiding vanuit de opvang naar de gemeente een doorlopende lijn vormen. Wij voerden voor het WODC een plan- en procesevaluatie van de opvangvoorziening in Tynaarlo.
Uit ons onderzoek blijkt dat met name het voorbereiden van de statushouders op en het kennismaken met de uitplaatsingsgemeente nog onvoldoende van de grond omdat veel van de statushouders uiteindelijk niet in de regio zijn uitgeplaatst. Hierdoor is het kennis maken met de gemeente moeilijk te organiseren. Hoewel de uitvoering van de pilot niet op alle onderdelen zo is uitgevoerd als verwacht en er zeker verbetermogelijkheden zijn, laten de ervaringen van de TuVo ook zien dat het mogelijk is om als ngo een kleinschalige opvang te organiseren waar bewoners in een sociaal veilige omgeving een eerste start kunnen maken met integratie. De statushouders zijn erg positief over de persoonlijke benadering door medewerkers en vrijwilligers op de TuVo 2.0. Dit heeft INLIA kunnen organiseren binnen een bestaand opvangsysteem waarin de omstandigheden voor de uitvoering van de pilot niet altijd gunstig waren. INLIA heeft bijvoorbeeld geen toegang tot de informatiesystemen van het COA en kreeg bewoners toegewezen die gekoppeld zijn aan een gemeente (ver) buiten de regio.
Meer informatie?
Lees ons rapport of neem contact op met Jeanine.
VIA-pilot Spoor
In een van de VIA-pilots is geëxperimenteerd met het werken in co-creatie . De pilot richt zich op de re-integratie van statushouders in de spoorsector en op het leren werken in co-creatie. De evaluatie leert dat het werken in co-creatie ontegenzeggelijk sterke punten kent – denk aan draagvlak en netwerkvorming – maar ook grote afbreukrisico’s kent. De belangrijkste lessen: onderschat niet de moeilijkheidsgraad van deze werkvorm, manage de verwachtingen van de deelnemers en misschien wel vooral: regel vooraf de regie en beleg die bij een individuele (en sterke) partij en niet bij een collectief van partijen.
Vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is in 2018 het programma ‘Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt’ (VIA) gestart. Het VIA-programma is gericht op het versterken van de arbeidsmarktpositie van niet-westerse migranten, waaronder statushouders, en Nederlanders met een migratieachtergrond door het achterhalen van werkzame elementen in de arbeidsre-integratie van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond.
VIA bestaat uit acht thema’s, waarvan ‘Leren en Werken’ er één is. Hierbinnen valt ook de pilot ‘Duurzame arbeidsmarkt op de rails’ van een aantal werkgevers in de sector Spoor. Het doel van deze pilot is om leer-werkplekken (verder: werkplekken) te bieden aan dertig statushouders, om hen duurzaam te laten uitstromen in de spoorsector. Wat bijzonder is aan deze pilot dat is dat de werkplekken moeten ontstaan door een samenwerking in co-creatie tussen bedrijven in de spoorsector en gemeenten. Het proces van co-creatie wordt ondersteund door een bureau voor procesbegeleiding, dat onder meer verkennende gesprekken voert, een projectplan opstelt, kennisdeling stimuleert, bijeenkomsten organiseert en faciliteert en het proces monitort. Centraal in het projectplan staat dat de gemeenten en werkgevers het proces zo veel mogelijk samen vormgeven en uit de opgedane ervaringen lessen trekken, die in de toekomst door andere partijen gebruikt kunnen worden.
Het onderzoek is gebaseerd op een literatuurstudie over co-creatie, observaties van pilotbijeenkomsten, interviews met pilotdeelnemers (gemeenten, werkgevers en overige betrokken partijen), interviews met klantmanagers van gemeenten en met statushouders. Het onderzoek richt zich vooral op het optekenen van ervaringen met het werken in co-creatie en de lessen die daaruit te trekken zijn.
Meer informatie? Over het onderzoek is een artikel verschenen in Sociaal Bestek. Neem voor meer informatie over het onderzoek contact op met Bob.
Dragen duale trajecten bij aan effectieve inburgering van statushouders?
Vooruitlopend op de nieuwe inburgeringswet ontwikkelen gemeenten binnen pilots duale trajecten voor statushouders waarin zij parallel de taal leren en aan het werk gaan. Wij zullen deze pilot evalueren in opdracht van het ministerie van SZW.
Nieuwe inburgeringswet
Momenteel bereidt het Ministerie van SZW een wetsvoorstel voor waarin een nieuw inburgeringsstelsel wordt vormgegeven. De nieuwe wet zal op 1 januari 2021 ingaan. Vooruitlopend hierop wordt met een aantal onderdelen uit de wet alvast praktijkervaring opgedaan aan de hand van pilots. Zo wordt waardevolle informatie verkregen en ervaring opgedaan ten behoeve van de voorbereidingen op de inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringsstelsel.
Pilot duale trajecten
Op zes thema’s worden pilots ontwikkeld. Een van de zes pilotthema’s is het thema duale trajecten, waarbinnen taalverwerving wordt gecombineerd met toeleiding naar participatie. Bekend is namelijk dat inburgeraars het snelst volwaardig meedoen in de Nederlandse maatschappij als zij zo vroeg mogelijk worden geactiveerd en de taal leren op een zo hoog mogelijk niveau. Inburgeraars die de Nederlandse taal in een maatschappelijke context toepassen, zullen deze taal sneller leren. En doordat deze inburgeraars al vanaf het begin maatschappelijk actief zijn, hebben ze een grotere kans om een betaalde baan te verwerven. Voor de inrichting van een inburgeringstraject betekent dit dat werken en leren in combinatie moet worden aangeboden, dat een dergelijk traject snel moet beginnen en dat daarbij sprake moet zijn van maatwerk.
Procesevaluatie
De pilots Duale trajecten worden door ons onderzocht middels een procesevaluatie. Hierin beschrijven we de inrichting en werkwijze van de pilots en brengen we de werkzame elementen en knelpunten in kaart. Ook monitoren we de kwantitatieve uitkomsten. Een tussenrapportage is voorzien voor februari 2020 en de eindrapportage volgt in september 2020. Daarnaast ontwikkelen we een handreiking voor gemeenten met daarin concrete lessen voor gemeenten om duale trajecten in te bedden in hun beleid. Dit onderzoek voeren we uit in opdracht van het Ministerie van SZW.
Meer weten over onze evaluatie van de Pilot Duale Trajecten voor Statushouders? Neem contact op met Jeanine Klaver.
Evaluatie Pilot duale trajecten voor statushouders
Op 1 januari 2022 wordt de Nieuwe Wet inburgering ingevoerd. In de aanloop hiernaar doen gemeenten alvast ervaring op met elementen uit de nieuwe inburgeringswet, door middel van pilots rondom zes thema’s. Een van de pilotthema’s is duale trajecten, waarbinnen taalverwerving wordt gecombineerd met toeleiding naar participatie. Wij voeren in opdracht van het Ministerie van SZW voor deze pilot een procesevaluatie uit.
Ervaringen van betrokkenen
Pilotgemeenten, inburgeraars en werkgevers zijn over het algemeen positief over de duale trajecten. Inburgeraars vinden het prettig om praktijkgericht taalonderwijs te krijgen, zeker wanneer zij analfabeet of moeilijk leerbaar zijn. Ook geven zij aan veel over de Nederlandse werkcultuur te leren. Werkgevers zijn vaak ook positief over inburgeraars, met name over hun motivatie. Wel merken zij dat zij veel moeten investeren om de statushouder goed te laten landen. Taalniveau blijft een uitdaging en wanneer dit niet voldoende ontwikkelt kan het een reden zijn om een statushouder geen contract aan te bieden.
Inrichting van de duale trajecten
In de negen pilots wordt op verschillende manieren vormgegeven aan de duale trajecten. Wat het beste werkt, hangt af van de context. De belangrijkste keuzes die gemeenten hierin maken zijn:
- Leg je de regie bij de gemeente of een externe partij gelegd?
- Kies je voor een groepsgewijze of individuele aanpak?
- In hoeverre integreer je taalonderwijs en participatie?
- Hoe stimuleer je praktische taalvaardigheid?
- Op welke vormen van participatie zet je in en wanneer?
- Steek je de matching met een participatieplaats aanbod- of vraaggericht in?
In ons rapport is te lezen hoe de negen pilotgemeenten deze punten hebben aangepakt en welke lessen daaruit te trekken zijn voor andere gemeenten. De handreiking biedt een beknopt overzicht van de belangrijkste geleerde lessen.
Meer informatie?
Neem contact op met Yannick.
Lessen over het slavernijverleden in het Amsterdamse onderwijs
Met de beleidslijn Gedeelde Geschiedenis wil de gemeente Amsterdam historische gevoeligheden bespreekbaar maken. Onderdeel daarvan is het slavernijverleden. Wij onderzochten wat scholen momenteel al met het onderwerp doen en wat zij daar eventueel nog bij nodig hebben.
Het slavernijverleden in de lesmethoden
Er zijn grote verschillen in de mate waarin en de manier waarop het slavernijverleden in de lesboeken behandeld wordt. Kritiek van experts, lerarenopleiders en leraren op de lesmethoden is dat de aandacht die het slavernijverleden krijgt summier is, versnipperd en te eenzijdig. De methoden zouden de geschiedenis te veel vanuit een Europees perspectief behandelen, en de kant van tot slaaf gemaakten zou te weinig aan bod komen.
Ervaringen in de praktijk
De meeste Amsterdamse basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs in het onderzoek besteden aandacht aan het slavernijverleden. In het basisonderwijs is dat vooral in de bovenbouw. In het voortgezet onderwijs is dat met name tijdens de geschiedenisles. De aandacht gaat hierbij voornamelijk uit naar slavernij in de West (Suriname, Antillen), het slavernijverleden in de Oost (voormalig Nederlands Indië) blijft doorgaans onbesproken. De meerderheid van de leraren die er aandacht aan besteden meent dat het slavernijverleden bespreekbaar is in de klas. Een relatief groot deel van de leraren vindt echter ook dat de aandacht op hun school voor het slavernijverleden onvoldoende is.
Knelpunten
Beperkende factoren die zowel leraren als experts noemen om het slavernijverleden voldoende aandacht te geven, zijn tijdgebrek en de kwaliteit van de informatie in de methode. Deze worden ook genoemd als redenen door leraren die in de vragenlijst zeggen dat ze geen aandacht besteden aan het slavernijverleden.
Daarnaast merken leraren op dat veel materiaal nogal talig is. Ze wijzen op het belang van actief en creatief materiaal, bijvoorbeeld muziek en dans, om de informatie goed over te brengen op de leerlingen. Ten slotte wordt benoemd dat als de school en de methode niet structureel aandacht besteden aan het slavernijverleden, de aandacht ervoor vaak afhankelijk is van het belang dat de leraar hecht aan het onderwerp.
De onderzoeksaanpak
Voor het onderzoek hebben wij gebruik gemaakt van een deskresearch, interviews met verschillende stakeholders en een brede survey onder alle Amsterdamse scholen voor primair en voortgezet onderwijs. Ook hebben wij we enkele scholen bezocht die als voorbeelden kunnen dienen voor andere scholen.
Voor meer resultaten, en onze aanbevelingen, kunt u het volledige rapport hier lezen: Rapport Lessen over het slavernijverleden in het Amsterdamse onderwijs
We hebben het onderzoek uitgevoerd in opdracht van de gemeente Amsterdam.
Lessen over het slavernijverleden in het Amsterdamse onderwijs
Met de beleidslijn Gedeelde Geschiedenis wil de gemeente Amsterdam historische gevoeligheden bespreekbaar maken. Onderdeel daarvan is het slavernijverleden. Wij hebben onderzocht wat scholen momenteel al met het onderwerp doen en wat zij daar eventueel nog bij nodig hebben.
Het slavernijverleden in de lesmethoden
Er zijn grote verschillen in de mate waarin en de manier waarop het slavernijverleden in de lesboeken behandeld wordt. Kritiek van experts, lerarenopleiders en leraren op de lesmethoden is dat de aandacht die het slavernijverleden krijgt summier is, versnipperd en te eenzijdig. De methoden zouden de geschiedenis te veel vanuit een Europees perspectief behandelen, en de kant van tot slaaf gemaakten zou te weinig aan bod komen.
Ervaringen in de praktijk
De meeste Amsterdamse basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs in het onderzoek besteden aandacht aan het slavernijverleden. In het basisonderwijs is dat vooral in de bovenbouw. In het voortgezet onderwijs is dat met name tijdens de geschiedenisles. De aandacht gaat hierbij voornamelijk uit naar slavernij in de West (Suriname, Antillen), het slavernijverleden in de Oost (voormalig Nederlands Indië) blijft doorgaans onbesproken. De meerderheid van de leraren die er aandacht aan besteden meent dat het slavernijverleden bespreekbaar is in de klas. Een relatief groot deel van de leraren vindt echter ook dat de aandacht op hun school voor het slavernijverleden onvoldoende is.
Knelpunten
Beperkende factoren die zowel leraren als experts noemen om het slavernijverleden voldoende aandacht te geven, zijn tijdgebrek en de kwaliteit van de informatie in de methode. Deze worden ook genoemd als redenen door leraren die in de vragenlijst zeggen dat ze geen aandacht besteden aan het slavernijverleden.
Daarnaast merken leraren op dat veel materiaal nogal talig is. Ze wijzen op het belang van actief en creatief materiaal, bijvoorbeeld muziek en dans, om de informatie goed over te brengen op de leerlingen. Ten slotte wordt benoemd dat als de school en de methode niet structureel aandacht besteden aan het slavernijverleden, de aandacht ervoor vaak afhankelijk is van het belang dat de leraar hecht aan het onderwerp.
De onderzoeksaanpak
Voor het onderzoek hebben wij gebruik gemaakt van een deskresearch, interviews met verschillende stakeholders en een brede survey onder alle Amsterdamse scholen voor primair en voortgezet onderwijs. Ook hebben wij we enkele scholen bezocht die als voorbeelden kunnen dienen voor andere scholen.
Voor meer resultaten, en onze aanbevelingen, kunt u het volledige rapport hier lezen.
We hebben het onderzoek uitgevoerd in opdracht van de gemeente Amsterdam.
Project Familiecontact voor familieleden van geradicaliseerde jongeren
Ouders van geradicaliseerde moslim-jongeren zijn vaak dubbel slachtoffer: zij verliezen hun kind en ze worden door de gemeenschap met de nek aangekeken. Wij evalueerde het project Familiecontact van het Landelijk Steunpunt Extremisme dat families ondersteuning aanbiedt bij de rouwverwerking en het weerbaar worden tegen radicalisering en extremisme.
Het Familiecontact heeft tot doel familieleden (vaders, moeders, broers, zussen) te ondersteunen in het leren omgaan met het gegeven dat een familielid is geradicaliseerd. Het project wordt uitgevoerd door het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE). Het Familiecontact is een vorm van lotgenotenondersteuning en bestaat uit een aantal bijeenkomsten die om de paar weken worden georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten worden de deelnemers geïnformeerd over relevante thema’s inzake radicalisering. Daarnaast is er ruimte voor de deelnemers om hun ervaringen met elkaar te delen onder begeleiding van een psycholoog en een groepsbegeleider.
De methodiek van het Familiecontact was gedurende het traject volop in ontwikkeling en heeft zich tijdens de duur van het project moeten uitkristalliseren. Om de methodiek te optimaliseren is er synchroon aan de ontwikkeling van de methodiek een onderzoek uitgevoerd door ons in opdracht van het ministerie van SZW en VWS. Het onderzoek had tot doel aan de hand van de ervaringen van de deelnemers en begeleiders van het Familiecontact, de methodiek te beoordelen op de zogenoemde werkende mechanismen. Tevens had het onderzoek tot doel om (vanuit het oordeel over de effectiviteit) te bekijken op welke manier het Familiecontact in een eventueel vervolg vormgegeven zou kunnen worden.
Uit onze evaluatie is gebleken dat het project Familiecontact er goed in is geslaagd de familieleden te ondersteunen en hen meer weerbaar te maken tegen extremisme en radicalisering. Het project verdient navolging, want er is nog veel behoefte aan een dergelijke vorm van ondersteuning. De beste manier om het project te continueren is een landelijk geverifieerd inhoudelijk aanbod te op een laagdrempelige wijze (boven)lokaal dan wel regionaal aan te bieden.
Benieuwd naar de resultaten van het onderzoek? Dan kunt u het rapport bekijken of contact opnemen met Katrien.
Advisering monitorinstrument Haags Burgerschap
In de gemeente Den Haag wordt gestart met de uitvoering van de nieuwe beleidslijn op Integratie en Inburgering. Hiervoor ontwikkelen zij een nieuw actieprogramma waarin doelen en interventies benoemd worden. De gemeente wil graag meer duidelijkheid over de feitelijke opbrengsten van het te voeren beleid. Daarom hebben zij ons gevraagd mee te denken en advies te geven over de ontwikkeling van een monitorinstrument waarmee de resultaten van de gesubsidieerde projecten en activiteiten binnen deze beleidslijn gemeten kunnen worden.
Wij zijn gekomen tot een advies over het meten van de resultaten van interventies en impact van beleid voor de beleidsdoelstellingen. Ook hebben wij de gemeente geadviseerd over de registratie van de subsidie-uitvragen.
Meer informatie?
Wilt u meer weten over dit project of wat wij voor u kunnen betekenen? Neem dan contact op met Arend.