App 8TING onderzocht op implementatie en effectiviteit in de schuldhulpverlening

8TING is een applicatie die met persoonlijke aandacht mensen in beweging krijgt. Mensen met schulden krijgen gerichte informatie over hun traject, coaching en begeleiding op maat en worden op een laagdrempelige manier herinnerd aan afspraken. Binnen de schuldhulpverlening blijkt 8ting echter niet effectief. Om effect te hebben moet er teruggegaan worden naar de tekentafel en dient er meer aandacht te zijn voor het implementatieproces. Stadsring51 gaat hiermee aan de slag. Het onderzoek vond plaats in gemeenten Amersfoort en Leusden waar Stadsring51 schuldhulpverlening biedt. In deze gemeenten is de app als pilot door Stadsring51 ingevoerd.

Positieve communicatie

Een van de belangrijkste elementen van de app is het inzetten op meer (positieve) communicatie met de klant. Deze extra aandacht zou moeten leiden tot meer begrip van de klant, meer eigenaarschap en uiteindelijke een grotere motivatie en betrokkenheid. Uit het effectiviteitsonderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Klanten konden zelf ook een oordeel geven over de verschillende onderdelen van de app. Hieruit blijkt dat de onderdelen waarin afspraken gepland worden en het onderdeel waarin tips gedeeld worden met klanten positief beoordeeld te worden.

Gebruik bleef achter

De wijze van implementeren bleek een belangrijke invloed te hebben op het effect van de app. Er is echter reden om aan te nemen dat een aangepaste 8TING bij specifieke doelgroepen of onderdelen van de app wel meer effect zou kunnen sorteren. Het gebruik van de app bleef ook achter bij de verwachtingen. Het belangrijkste struikelblok bleek beperkte aansluiting op de huidige werkwijze van de professionals. Zo was er bijvoorbeeld maar een beperkte koppeling mogelijk tussen 8TING en andere bedrijfsapplicaties, wat door diverse betrokkenen als belemmerend voor het gebruik is ervaren. Ook is er, achteraf gezien, te weinig tijd geweest om de app in de beginfase te testen en de input van gebruikers te verwerken. Er is (te) snel gestart met het effectonderzoek.
Handvatten voor de toekomst

Aanbevelingen: betrek doelgroep en test!

De uitkomsten van dit onderzoek bieden input voor gemeenten en schuldhulpverleningsorganisaties die aan de slag willen met persoonlijke digitale dienstverlening. Een belangrijke aanbeveling daarbij is om voor een succesvolle ontwikkeling en implementatie nauw op te trekken met de (potentiele) gebruikers van de app en met hen dieper in te gaan op bijvoorbeeld verwachtingen ten aanzien van bruikbaarheid, gebruikersvriendelijkheid, toegankelijkheid en toepasbaarheid. Een belangrijke aanbeveling voor gemeenten is om voldoende testtijd in te bouwen voor de app en ruim tijd te besteden aan hoe de app geïntegreerd kan worden in het werkproces: bijvoorbeeld het maken van afspraken over wanneer de app geïntroduceerd wordt bij de klant en het inruimen van voldoende tijd voor de app tijdens de intake.

Voor meer informatie, lees ons rapport, bekijk de factsheet of neem contact op met Miranda.

We voerden dit onderzoek uit samen met de Hogeschool van Amsterdam in opdracht van Schouders Eronder uitvoerden.

Dit artikel verscheen eerder op Schouders Eronder.

Evaluatie STiP regeling gemeente Den Haag

De gemeente Den Haag biedt inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt de kans om aan de slag te gaan in een gesubsidieerde STiP-baan (Sociaal Traject in Perspectief). Wij onderzochten in hoeverre de STiP-regeling eraan bijdraagt dat deelnemers zich kunnen ontwikkelen en op termijn duurzaam kunnen uitstromen naar regulier werk.

STiP staat voor ‘Sociaal Traject in Perspectief’, en geeft deelnemers de kans om aan de slag te gaan in een gesubsidieerde, additionele baan bij een reguliere werkgever. STiP-deelnemers hebben een arbeidsovereenkomst en ontvangen een salaris. Tijdens de STiP-baan kunnen de deelnemers zich verder ontwikkelen en later mogelijk uitstromen naar een reguliere baan, zo is de gedachte. Deelnemers worden tijdens het traject begeleid en geschoold door medewerkers van het Werkgeversservicepunt, zodat ze hun arbeidsmarktkansen kunnen verbeteren.

Inmiddels wordt de STiP-regeling ruim drie jaar uitgevoerd, en heeft de gemeente Den Haag ons gevraagd om deze te evalueren. Hiervoor spreken we met zowel deelnemers, werkgevers als met uitvoerders. Wie zijn er met de regeling bereikt, en wat heeft hun STiP-baan voor hen betekend? Hoe verloopt het uitvoeringsproces en wat kan hierin mogelijk verbeterd worden? Daarnaast hebben we op basis van CBS-data de uitkomsten van de STiP-trajecten in kaart gebracht: in hoeverre stromen deelnemers na deelname aan hun STiP-baan door naar regulier werk?

De resultaten laten zien dat ruim de helft (55%) van de deelnemers van wie de STiP-baan is beëindigd, er slaagt om binnen zes maanden een reguliere baan te vinden. Van degenen die hierin slagen, is 30 procent regulier in dienst genomen door dezelfde werkgever. STiP leidt voor veel deelnemers niet alleen tot een reguliere baan, maar draagt ook positief bij aan het zelfvertrouwen en de maatschappelijke participatie van de kandidaat. Ook werkgevers geven aan dat de subsidiëring essentieel is om deze doelgroep in dienst te nemen.

Ons rapport bevat ook een aantal adviezen voor de gemeente Den Haag, zoals: verminder kwaliteitsverschillen door in te zetten op professionalisering en vakmanschap, wees realistisch over het scholingsaanbod en heb eerder en structureler aandacht voor doorbemiddeling naar regulier werk. De komende periode zal de gemeente deze adviezen implementeren in de regeling en de dienstverlening.

Verspreidings- en Implementatie-impuls (VIMP) geleerde lessen over arbeidstoeleiding van statushouders

Sinds de grote instroom van asielzoekers in 2015 zijn door gemeenten en maatschappelijke organisaties aanpakken ontwikkeld om statushouders sneller en duurzamer te begeleiden richting de arbeidsmarkt. Acht van deze initiatieven zijn met subsidie vanuit het ZonMw-programma ‘Vakkundig aan het Werk’ door verschillende onderzoeksinstellingen onderzocht. Regioplan en het Verwey-Jonker Instituut bundelden deze kennis en destilleerden de belangrijkste inzichten over werkzame aanpakken.

De kennissynthese van werkzame elementen beoogt bij te dragen aan meer evidence based werken door gemeenten en andere organisaties die betrokken zijn bij de arbeidstoeleiding van statushouders. Naast de bundeling van de kennis uit de acht onderzoeken in een kennissynthese, ontwikkelden wij ook een handreiking voor de praktijk voor uitvoerend professionals en beleidsmakers om met elkaar het gesprek aan te gaan met behulp van gesprekskaarten over de inzichten uit de studies en de implicaties daarvan voor de inrichting van de begeleiding van statushouders in de praktijk.

Uit de studies zijn lessen te trekken over de algemene inrichting van de begeleiding zoals het belang van een integrale aanpak, waarbij aandacht is voor de verschillende kansen en belemmeringen die de statushouders op andere leefdomeinen ervaren; het benaderen van gezondheidsvraagstukken vanuit de invalshoek van positieve gezondheid; de rol en begeleidingsstijlen van de professional; en randvoorwaarden voor de inrichting van een effectieve begeleiding.

Naast algemene lessen over de begeleiding van statushouders naar werk zijn ook per fase in het toeleidingsproces – vanaf de intake tot nazorg na plaatsing bij een werkgever – de belangrijkste aandachtpunten en werkzame elementen gebundeld. In onderstaand figuur staan de belangrijkste inzichten waarover in de  kennissynthese meer te lezen is, weergegeven.

Procesevaluatie Stichting Nieuw Thuis Rotterdam

Het SNTR-programma

Stichting Nieuw Thuis Rotterdam (SNTR) is in 2016 opgericht door Stichting de Verre Bergen om tweehonderd Syrische vluchtelingengezinnen te helpen om snel te integreren in de Rotterdamse samenleving. Daartoe biedt SNTR de deelnemende gezinnen een huurwoning en een intensief integratieprogramma, bestaande uit maatschappelijke begeleiding, taallessen en loopbaanbegeleiding. Het SNTR-programma is daarmee uniek in zijn soort. Deelnemers krijgen bijvoorbeeld vier dagdelen per week taalles en worden regelmatig thuis bezocht voor hulp met praktische zaken en het vergroten van de zelfredzaamheid. De ambitie is dat de gezinnen zo beter de Nederlandse taal leren, zelfredzamer worden en zich thuis gaan voelen in Rotterdam.

Onderzoek: het BRIDGE-project

De Erasmus Universiteit voert in opdracht van Stichting De Verre Bergen een meerjarig onderzoek uit naar de werking en effectiviteit van het SNTR-programma. Dit zogenoemde BRIDGE-project omvat meerdere onderzoeken, te weten een procesevaluatie, een monitor van de uitkomsten, een effectevaluatie en een onderzoek naar de kinderen en jongeren van het SNTR-programma. De procesevaluatie wordt in samenwerking uitgevoerd door Regioplan en de EUR.

De procesevaluatie

Het doel van de procesevaluatie is te laten zien in hoeverre de SNTR-aanpak in de praktijk zo wordt uitgevoerd als beoogd en op welke wijze dit volgens de betrokkenen bijdraagt aan de beoogde doelen. Hiertoe zijn in 2019 onder meer interviews gevoerd met uitvoerders en deelnemers en zijn huisbezoeken en coachingsgesprekken geobserveerd. De resultaten zijn beschreven in een rapport genaamd ‘Alles onder één dak: De uitvoering van het SNTR-programma voor Rotterdamse statushouders in beeld’.

In 2020 is er een vervolg op de procesevaluatie uitgevoerd, waarin een nieuwe ronde interviews is gedaan langs de betrokken uitvoerders en samenwerkingspartners. Het voornaamste doel hiervan was om recente ontwikkelingen in het SNTR-programma sinds 2019 in kaart te brengen. Daarnaast is naar enkele thema’s verdiepend onderzoek gedaan, en is extra aandacht besteed aan de rol van de context op de uitvoering en ervaren bijdrage van het SNTR-programma. De bevindingen hiervan zijn samen met die uit de andere deelonderzoeken uit het BRIDGE-project verwerkt in de overkoepelende eindrapportage, genaamd ‘Met alles opnieuw starten‘.

Bevindingen procesevaluatie

Kijkend naar de verschillende onderdelen van het SNTR-programma, zien we dat de maatschappelijke begeleiding statushouders intensief ondersteunt bij het nemen van allerlei bureaucratische hobbels en bijdraagt aan het oplossen van veel praktische problemen (‘brandjes blussen’). Tegelijkertijd constateren we dat het mede hierdoor niet altijd lukt om systematisch te werken aan de zelfredzaamheid van de deelnemers. Verder zien we dat deelnemers gemotiveerd en begeleid worden om zich te oriënteren op (een vorm van) werk, en worden ondersteund bij het ontwikkelen van hun vaardigheden en zelfvertrouwen. Dit onderdeel van het programma kan nog beter worden uitgewerkt, onder andere door de samenwerking met de gemeente Rotterdam te versterken. De SNTR-aanpak kenmerkt zich tevens door een intensief taalprogramma. Voor sommige deelnemers draagt dit duidelijk bij aan een snellere taalverwerving, maar er zijn ook deelnemers voor wie het intensieve programma te snel gaat. Ook blijkt het taalprogramma moeilijk te combineren met (een vorm van) werk.

Overkoepelende bevindingen EUR Bridge project

De overkoepelende eindrapportage ‘Met alles opnieuw starten’ trekt op basis van de verschillende deelonderzoeken van het EUR Bridge project een algehele conclusie over de werking en de effectiviteit van het SNTR-programma. Centraal hierbij staat een effectmeting die is uitgevoerd op basis van een longitudinale panelsurvey, waarbij SNTR-deelnemers zijn vergeleken met een controlegroep van statushouders die door de gemeente zijn begeleid. De resultaten laten zien dat de SNTR-deelnemers op zowel taalverwerving, zelfredzaamheid als participatie niet significant beter scoren dan de vergelijkingsgroep. Hiervoor zijn meerdere potentiële verklaringen te geven. Zo kan de invloed van beleid beperkt zijn in verhouding tot andere factoren, en hebben weerbarstigheden in de uitvoering van het programma wellicht betere resultaten in de weg gestaan. Ook kan het zijn dat de effecten van het SNTR-programma pas op een later moment zichtbaar zullen worden. Daarom is een derde veldwerkronde van de survey afgenomen, waarover later gepubliceerd zal worden.

Meer informatie

Neem contact op met Yannick.

Evaluatie Wet Pensioencommunicatie

Om burgers beter in staat stellen om hun oude dag financieel te plannen is in 2015 een nieuwe set van informatieverplichtingen voor de pensioenuitvoerders vastgelegd in de Wet Pensioencommunicatie. Wij evalueerden de werking en resultaten van deze wet en concludeerde dat er verbetering is bereikt, maar dat er ook nog veel te verbeteren valt. Over dit onderzoek verscheen in juli 2020 een artikel in het Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken.

Wet Pensioencommunicatie

De Wet pensioencommunicatie is in 2015 gefaseerd in werking getreden en heeft de informatieverplichtingen voor pensioenuitvoerders vernieuwd. De instrumenten in de wet moeten burgers 1. inzicht geven in de hoogte van de (verwachte) pensioenopbouw, 2. inzicht geven in of dat voldoende is, 3. bewust maken van de risico’s en 4. keuzemogelijkheden tonen. Tezamen moet dit burgers beter in staat stellen om te sturen op de opbouw van pensioen. Wij onderzochten of deze wetsdoelen zijn bereikt als gevolg van de inzet van nieuwe instrumenten.

Wisselend bereik van de informatiedoelstellingen

De vier doelstellingen zijn in beperkte en wisselende mate bereikt. Het inzicht geven in de verwachte pensioenopbouw blijkt beter gerealiseerd dan de andere doelen. De bijdrage aan het doelbereik door de wettelijke instrumenten is eveneens wisselend en beperkt: mijnpensioenoverzicht.nl (MPO) scoort relatief goed, gevolgd door het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) maar het Pensioen 1-2-3 (P123) speelt geen betekenisvolle rol. Ook bovenwettelijke instrumenten leveren een bijdrage aan het doelbereik. De beperkte kennis van deelnemers over het eigen pensioen is niet bepaald door de kwaliteit van de informatiebronnen. Het komt ook doordat het verwerven van kennis vooral een leeftijds- en levensfasegebonden zaak is.

Van informatieoverdracht naar gedragsverandering

De informatiedoelstellingen worden breed gedragen door pensioenuitvoerders als ambities voor communicatie met en informatieverstrekking aan deelnemers. Gezien de beperkte bijdrage van de wettelijke instrumenten aan de wetsdoelen geven pensioenuitvoerders er de voorkeur aan de informatieverstrekking meer vormvrij te maken. De informatieverstrekking zou bovendien minder gericht moeten zijn op informatieoverdracht en meer op gedragsverandering. Deelnemers, pensioenuitvoerders en andere stakeholders hebben hier aanbevelingen voor gedaan.

Disbalans in uitvoeringskosten en doelbereik

Een meerderheid van de pensioenuitvoerders ervaart dat de uitvoeringskosten zijn toegenomen sinds de inwerkingtreding van de Wet Pensioencommunicatie. Zij menen dat de stijging van de uitvoeringskosten niet in balans is met de mate waarin het wettelijk instrumentarium bijdraagt aan het bereik van de wetsdoelen. Pensioenuitvoerders wijzen daarbij op het belang van persoonsgericht informeren om te sturen op gedrag. Dit is ook de reden dat zij veel investeren in andere, volgens hen belangrijker bovenwettelijke informatieverstrekking.

We hebben het onderzoek uitgevoerd in samenwerking met Swalef Pensioenjuristen Academie en met marktonderzoeksbureau DirectResearch, in opdracht van het ministerie van SZW. Lees meer over de resultaten in het onderzoeksrapport en/of lees de beleidsreactie van de minister.

Een leven lang kansen?! Wel als het aan ons ligt

Het tweejaarlijke congres van het Kennisplatform Werk en Inkomen (KWI) zou in het teken staan van ‘Een leven lang kansen!?’ Helaas kon het congres door de Coronamaatregelen niet doorgaan. Wel heeft het KWI een aantal bijdragen aan het congres gebundeld in het KWI Magazine. Ook een aantal van onze projecten wordt in het magazine uitgelicht. Daar zijn we blij mee, want we dragen met onze projecten heel graag bij aan het bieden van kansen aan mensen om een mooie toekomst op te bouwen.

Het magazine bevat onder andere een interview van Regioplanonderzoekers Marjolein Bouterse en Hetty Visee met klantmanagers over intensief klantmanagement voor oudere bijstandsgerechtigden. In het interview beschrijven klantmanagers van de gemeente Almere wat intensief klantmanagement in de praktijk betekent voor klantmanagers en voor klanten. Het interview sluit aan bij het project Effectiviteit Aanpak 45+ van de gemeente Almere, dat wij hebben uitgevoerd in het kader van het ZonMw programma Vakkundig aan het Werk.

Ook beschrijft Paul de Beer in het magazine de uitkomsten van het project BRIDGE in Rotterdam Zuid, waarin het verbeteren van de overgang van school naar werk centraal staat. Met BRIDGE probeert het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (NPRZ) een brug te slaan tussen school en werk door middel van Loopbaanontwikkeling- en begeleiding (LOB). Wij hebben, samen met prof. dr. Marinka Kuijpers, een evaluatie uitgevoerd van de uitvoering van het BRIDGE-project op scholen. Uit het onderzoek komt naar voren dat de dialoog tussen scholen en beleidsmakers (NPRZ) van belang is over de richting (uitgangspunten en doelen) en de ruimte (facilitering en ondersteuning) die nodig is om LOB in de praktijk te realiseren.

We hopen voor het volgende KWI congres weer een ‘live’ bijdrage te kunnen leveren vanuit onze projecten op het terrein van werk en inkomen!

Vijf weken aanvullend geboorteverlof voor partners per 1 juli

Vanaf 1 juli 2020 is het zover: partners hebben vanaf dan recht op vijf weken aanvullend geboorteverlof bij de geboorte van hun kind. Dit is geregeld in de Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG). Goed nieuws voor aanstaande ouders, maar in hoeverre gaan zij gebruik maken van deze mogelijkheid? En wat zijn vervolgens de effecten, bijvoorbeeld op de verdeling van arbeid en zorgtaken tussen ouders? Om hier achter te komen evalueren wij deze wet. We onderzoeken hierbij effecten van de WIEG op partners, biologische moeders, kinderen en werkgevers.

Aanvullend geboorteverlof voor partners
De WIEG (Wet Invoering Extra Geboorteverlof) regelt dat partners na de geboorte van hun kind recht hebben op 1 week doorbetaald geboorteverlof (per 1 januari 2019). Per 1 juli 2020 komt daar aanvullend geboorteverlof van vijf weken bij. Tijdens dit aanvullende verlof verstrekt UWV een uitkering van 70 procent van het dagloon. Het doel van de wet is het creëren van een meer evenwichtige balans in de verdeling van arbeid en zorgtaken tussen partners in het huishouden.

Evaluatie van de WIEG
Om te kijken in hoeverre het doel van de wet bereikt wordt, heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ons gevraagd om de evaluatie van de WIEG uit te voeren. We onderzoeken het gebruik van het aanvullend geboorteverlof. Hierbij kijken we wat de kenmerken zijn van ouders die wel en ouders die geen gebruik maken van het geboorteverlof. Wat zijn hun beweegredenen? En op welke wijze maken ze gebruik van het geboorteverlof? Daarnaast onderzoeken we de effecten van de wet. Het gaat hierbij om onder andere de effecten van de wet op de band tussen de partner en het kind, de verdeling van zorgtaken, de arbeidsduur van de moeder en het welzijn van beide ouders. De werkgever van de partner speelt ook een rol: welke invloed heeft de houding van de werkgever op het gebruik van het geboorteverlof? En welke gevolgen heeft het geboorteverlof voor de werkgever? Ook deze vragen onderzoeken we tijdens de evaluatie.

In april 2021 verschijnt een tussenrapportage met de eerste resultaten. Eind 2021 volgt de eindrapportage van de evaluatie.

Meer weten?
Lees over de onderzoeksmethodiek op de projectpagina of neem contact op met Hetty.

Evaluatie Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG)

De Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG) regelt dat partners na de geboorte van hun kind recht hebben op één week doorbetaald geboorteverlof (per 1 januari 2019). Per 1 juli 2020 komt daar vijf weken aanvullend geboorteverlof met een uitkering verstrekt door het UWV van 70 procent van het dagloon bij. Het doel van de wet is het creëren van een meer evenwichtige balans in de verdeling van arbeid en zorgtaken tussen partners in het huishouden.

De evaluatie
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft ons gevraagd om de evaluatie van de WIEG uit te voeren. Het gebruik en de effecten van de WIEG op de verdeling van arbeid en zorgtaken brengen we in kaart door twee groepen ouders door de tijd heen te volgen. Het betreft een groep: ouders die vlak voor de invoering van het aanvullende geboorteverlof een kind hebben gekregen en een groep ouders die in de eerste maanden na 1 juli 2020 een kind hebben gekregen. Zij vullen drie keer een enquête in, namelijk vlak voor de geboorte, drie tot zes maanden na de geboorte en ongeveer een jaar na de geboorte. Daarnaast bevragen we werkgevers over hun ervaringen met het gebruik van de WIEG.

In april 2021 verschijnt een tussenrapportage met de eerste resultaten. Eind 2021 volgt de eindrapportage van de evaluatie.

Dag van de Vluchteling

Morgen is het de dag van de vluchteling. We staan deze dag niet alleen stil bij alle ontheemde mensen die momenteel vluchten, maar ook bij vluchtelingen die in Nederland wonen en een verblijfsvergunning hebben (statushouders). Want alhoewel zij niet meer op de vlucht zijn, moeten zij te midden van een internationale pandemie met alle economische gevolgen van dien een nieuw bestaan op zien te bouwen. Dat is niet gemakkelijk.

Daarom is het goed om morgen nog een keer stil te staan bij elementen die succesvol zijn gebleken bij arbeidstoeleiding en duurzame participatie van statushouders. Dit doen we voor drie partijen, namelijk voor gemeenten, maatschappelijke organisaties en werkgevers. Aan het einde benadrukken we waarom het – juist nu – zo belangrijk is om de aandacht niet te doen verslappen.

Elementen die succesvol zijn gebleken bij arbeidstoeleiding en werkbehoud van vluchtelingen

Voor gemeenten: snelle start met integrale trajecten en aandacht voor gezondheid
Een snelle start met integrale trajecten, waarin gelijktijdig wordt gewerkt aan de ontwikkeling van Nederlandse taal, werknemersvaardigheden en vakvaardigheden (ook duale trajecten genoemd), is een belangrijk element gebleken bij een succesvolle aanpak van gemeenten om de participatie van statushouders te bevorderen. Daarbij moet de statushouder intensief worden begeleid door een team van gespecialiseerde professionals (vaak ‘klantmanagers’ genoemd) met een lage caseload.

Ook is het belangrijk dat klantmanagers rekening houden met eventuele gezondheidsproblematiek. Immers, participatie en gezondheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: gezondheid is nodig om te participeren, maar andersom kan inactiviteit ook negatieve gevolgen voor de gezondheid hebben. In 2019 heeft Regioplan een onderzoek gepubliceerd naar elementen die belangrijk zijn bij de begeleiding van statushouders met gezondheidsklachten richting participatie. Dit zijn onder meer: handelingsvrijheid van professionals, deskundigheidsbevordering en intervisie voor het signaleren van gezondheidsproblematiek en het kennen van de sociale kaart. Daarbij is het enorm belangrijk dat professionals een vertrouwensband opbouwen zodat statushouders hierover durven te praten.

Voor maatschappelijke organisaties: de kracht van nieuwkomers staat centraal in een integrale aanpak
Werkzame elementen in de arbeidstoeleiding van statushouders zijn onder andere integrale trajecten, intensieve begeleiding, een focus op individuele competenties en maatwerk. Deze elementen komen terug in vijfendertig trajecten die met subsidie van Instituut GAK worden uitgevoerd door maatschappelijke organisaties in Nederland. De projecten richten zich onder meer op culturele werknemersvaardigheden en sollicitatievaardigheden, een sociaal en professioneel netwerk en het taalniveau. Ook wordt aandacht besteedt aan competenties, talenten en doelstellingen van statushouders, zodat gezocht kan worden naar een duurzame ‘droombaan’ in plaats van een kortstondige ‘broodbaan’. Wij evalueren deze projecten.

Voor werkgevers: verankeren diversiteitsbeleid
Arbeidstoeleiding vanuit gemeenten en maatschappelijke organisaties is noodzakelijk, maar niet voldoende om statushouders aan een (duurzame) baan te helpen. Bedrijven moeten hun deuren openzetten voor deze groep én hun beleid zo inrichten dat statushouders zich welkom en betrokken voelen bij het bedrijf. Met andere woorden: werkgevers moeten diversiteit en inclusie nastreven en verankeren in hun beleid. Maar hoe veranker je dat?

Uit ons onderzoek onder bedrijven die het Charter Diversiteit ondertekend hebben, blijkt dat bedrijven allereerst een gerichte visie, doelstellingen en een businesscase moeten formuleren over diversiteit en inclusie. Daarnaast moet er binnen het bedrijf iemand zijn die formeel ‘probleemeigenaar’ of verantwoordelijk is voor dit onderwerp – iemand die voldoende middelen en tijd tot zijn beschikking heeft om het onderwerp constant te agenderen. Verder moeten de top en leidinggevenden zich betrokken voelen. Voor statushouders is het bovendien belangrijk om een mentor of buddy binnen het bedrijf te hebben (anders dan een leidinggevende): iemand die ze wegwijs kan maken in de Nederlandse arbeidscultuur en die ze kan helpen met het verder ontwikkelen van culturele werknemersvaardigheden.

Juist nu: hou de aandacht vast

De afgelopen jaren is er door gemeenten, maatschappelijke partijen en een aantal bedrijven veel geïnvesteerd in arbeidstoeleiding en werkbehoud van statushouders. De initiatieven begonnen hun vruchten af te werpen, zij het overwegend in de vorm van kleine en tijdelijke banen. We moeten voorkomen dat deze successen door de coronacrisis en de aankomende economische recessie, die statushouders naar verwachting onevenredig hard zal raken, verloren gaan. Het is daarom van groot belang dat dat gemeenten, maatschappelijke organisaties en werkgevers bovengenoemde werkzame elementen – juist nu – vasthouden.

Gelukkig zien we dat partijen nu al bezig zijn om een nieuwe weg te vinden in de veranderende maatschappij, bijvoorbeeld in hun wijze van ondersteuning (meer digitaal) en in de keuze voor perspectiefrijke sectoren. Wij juichen deze initiatieven toe en denken graag met partijen mee over mogelijkheden en een verdere invulling hiervan. Het is namelijk enorm zonde als we deze groep als gevolg van de coronacrisis ‘kwijtraken’, omdat zij onze samenleving veel te bieden in termen van menselijk kapitaal, inzet en talenten.

Meer informatie?

Neem contact op met onze collega Jeanine.

Het effect van intensief klantmanagement voor oudere bijstandsgerechtigden

Met de Aanpak 45+ werden in de gemeente Almere bijstandsgerechtigden van vijfenveertig jaar en ouder intensief begeleid bij het vinden van werk. Ook met begeleiding bleek het lastig voor deze groep om werk te vinden. De afstand naar de arbeidsmarkt is vaak groot, onder andere door fysieke problemen en werkervaring in krimpende sectoren. Klantmanagers zijn desondanks enthousiast, omdat zij merken dat ook klanten die (nog) geen werk vinden, wel actiever worden, bijvoorbeeld als vrijwilliger.

Intensieve begeleiding voor bijstandsgerechtigden in Almere

In de gemeente Almere hebben bijstandsgerechtigden van 45 jaar en ouder die al langere tijd werkloos waren intensieve begeleiding van een klantmanager gekregen. Het doel van de aanpak was om meer klanten uit te laten stromen naar werk en klanten voor wie dat een stap te ver bleek meer te laten participeren in de samenleving. Klantbegeleiders hadden een kleine caseload waardoor ze klanten (twee)wekelijks konden spreken. Daarnaast hadden ze een maatwerkbudget van maximaal 2000 euro per klant tot hun beschikking en konden ze klanten aanmelden voor de training Focus op Werk. In de hele aanpak stond maatwerk centraal: de duur en aard van de begeleiding, de ingezette instrumenten en de intensiteit van het contact werden afgestemd op de situatie van de klant.

Vooral meer kleine banen door intensieve begeleiding

Van september 2017 tot juni 2019 onderzochten we de effectiviteit van de aanpak 45+ van de gemeente Almere. Het onderzoek was ingericht als experiment: een groep geselecteerde bijstandsgerechtigden werd willekeurig ingedeeld in een experimentgroep (die de intensieve begeleiding werd aangeboden) en een controlegroep (die dat niet kreeg). In juni 2019 is gekeken of er verschillen zijn in uitstroom naar werk tussen beide groepen. Klanten uit de experimentgroep hebben iets vaker werk gevonden dan klanten uit de controlegroep: afhankelijk van het meetmoment (6, 12 of 18 maanden na de start van de begeleiding) wat dit verschil 7 tot 9 procentpunten. Dit gaat wel vooral om kleine banen (minimaal 1 uur per week). Als we alleen kijken naar banen van minimaal 48 uur per maand, is er ook wel een licht positief effect, maar dat is niet significant. Dat betekent dat we niet met voldoende zekerheid kunnen zeggen dat het verschil door de aanpak komt en niet op toeval berust.

Voor wie is deze aanpak geschikt?

Deze aanpak blijkt niet de oplossing voor alle oudere bijstandsgerechtigden, maar uit de procesevaluatie blijkt dat het voor veel kanten toch meerwaarde heeft. Ten eerste blijkt dat een kwart van de klanten die intensief begeleid is weliswaar niet naar werk te zijn uitgestroomd, maar wel meer zijn gaan participeren door bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, een opleiding of een werkervaringsplaats te doen. Ten tweede blijkt uit ons procesonderzoek (bestaande uit interviews met klanten en uitvoerders) dat er klanten zijn die blij zijn met de hulp die ze krijgen en positieve effecten ervaren. Intensief klantmanagement lijkt met name geschikt voor klanten die zelf de moed opgegeven hebben (niet meer solliciteren) of een verkeerde zoekstrategie hanteren (bijv. in hun oude sector) in combinatie met enkele andere belemmeringen die redelijk eenvoudig kunnen worden aangepakt wanneer een klantmanager daar de tijd voor kan nemen. Deze klanten werden weer gemotiveerd om aan de slag te gaan, gestimuleerd om aan andere sectoren of functies te denken en kregen de mogelijkheid aan bepaalde belemmeringen te werken (een cursus, EMDR-therapie, enz.).

Meer informatie?
Er zijn vier rapporten uitgekomen over het onderzoek, en over de belangrijkste bevindingen is een artikel uitgekomen op Zorg+Welzijn.

Dit onderzoek vond plaats in het kader van het ZonMw-programma ‘Vakkundig aan het werk’.