Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie

Bestaand onderzoek laat zien dat discriminatie van moslims niet alleen veel voorkomt, maar ook dat het een hardnekkig probleem is dat over de jaren nauwelijks is verminderd. Tegelijkertijd biedt bestaand onderzoek naar (moslim)discriminatie nog weinig zicht op de specifieke context waarin discriminatie plaatsvindt. In opdracht van het ministerie van SZW gaan wij daarom komend jaar – samen met European Research Centre on Migration and Ethnic Relations (ERCOMER, Universiteit Utrecht) – onderzoeken in welke contexten en situaties moslims discriminatie ervaren, om te kunnen bepalen of er aanvullende (beleids)interventies nodig zijn (en welke) om deze vorm van discriminatie tegen te gaan.

Verschillende domeinen en vormen

Het in kaart brengen van moslimdiscriminatie is complex. Discriminatie vindt vaak plaats in meerdere domeinen, zoals in het onderwijs, huisvesting, werkgelegenheid en gezondheidszorg. De toegang tot kansen in het ene domein (bijvoorbeeld huisvesting) is daarbij vaak afhankelijk van middelen in een ander domein (bijvoorbeeld werkgelegenheid). Vaak is hierbij sprake van een optelsom die zich in de loop van de tijd verder ontwikkelt.

Verder kan er sprake zijn van opzettelijke, openlijke vormen van discriminatie, maar ook van subtielere, minder zichtbare vormen. Deze subtiele vormen blijven nog vaak onderbelicht in bestaand onderzoek. Moslims zijn bovendien vaak kwetsbaar voor andere vormen van achterstelling, zoals gender-gerelateerde vormen van discriminatie. Zo kunnen moslimvrouwen te maken hebben met het vooroordeel dat zij onderdrukt zouden worden. Ook kunnen zij vanwege het dragen van een hoofddoek worden afgewezen voor sommige soorten werk. Een intersectionele blik op ervaringen van moslimdiscriminatie is daarom nodig. Verder ervaren moslims discriminatie niet alleen direct, op basis van persoonlijke ervaringen, maar ook indirect doordat ze zien dat mensen in hun sociale netwerk worden gediscrimineerd.

Door discriminatie te zien als een cumulatief proces (als een optelsom) dat zich in de loop van de tijd ontvouwt, dat plaatsvindt in verschillende domeinen en verschillende vormen kan aannemen, en dat bovendien vanuit verschillende perspectieven (direct/indirect) kan worden ervaren, kunnen wij met dit onderzoek een beter beeld krijgen van de reikwijdte en oorzaken van moslimdiscriminatie. Daarmee ontstaat ook meer zicht op de mogelijke handelingsperspectieven om discriminatie tegen te gaan.

Interventies ontwikkelen met (ervarings)deskundigen

Om met dit onderzoek tot effectieve (aanvullende) interventies te komen, is het belangrijk dat de interventies die we ontwikkelen gebaseerd zijn op diepgaande inzichten in ervaringen, gronden en contexten van moslimdiscriminatie. Bovendien is het van belang dat er voldoende draagvlak is voor de interventies onder de personen en organisaties die met de inzichten aan de slag moeten gaan. Ten slotte is het belangrijk dat de interventies een stevige wetenschappelijke onderbouwing hebben en dat ze aansluiten bij bestaand beleid.

Design thinking

Om dit te kunnen doen, gaan we in het onderzoek aan de slag volgens de design thinking-methode. In deze methode staat steeds het perspectief centraal van moslims die discriminatie ervaren. Deze methode begint met het verkrijgen van een diep inzicht in het vraagstuk vanuit de ervaringen van moslims die te maken hebben (gehad) met discriminatie. Vervolgens creëren we interventies, samen met verschillende betrokkenen, maatschappelijke organisaties en experts. Ten slotte werken we deze interventies verder uit met de organisaties en personen die aan de slag moeten gaan met het tegengaan van moslimdiscriminatie.

Onderzoek kenniseconomie: waarom vestigen kennismigranten zich in Nederland?

(English below)

Welke afwegingen maken kennismigranten en uit het buitenland afkomstige ‘zoekjaarders’, zelfstandigen en startup-ondernemers bij hun keuze om zich wel of niet in Nederland te vestigen? In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) doen we onderzoek naar die vraag.

De overheid wil de Nederlandse kenniseconomie verder versterken. Daarvoor is het belangrijk dat Nederland zo aantrekkelijk mogelijk is als vestigingsland voor kennismigranten, voor zogenoemde zoekjaarders (pas-afgestudeerden die een jaar in Nederland mogen verblijven om als kenniswerker werk te vinden), zelfstandigen en startup-ondernemers.

Bepalende factoren

Om goed onderbouwde keuzes te kunnen maken over de inrichting van de kenniseconomie, is inzicht nodig in welke factoren de vestigingskeuze van de genoemde groepen bepalen. Ook is het belangrijk om te weten welke factoren uiteindelijk doorslaggevend zijn.

Uit eerder onderzoek is al een breed scala aan professionele, sociale en cultureel-maatschappelijke factoren naar voren gekomen. Maar: doorgaans worden deze factoren afzonderlijk onderzocht, waardoor een geïntegreerde benadering ontbreekt.

Integrale blik

Met ons onderzoek willen we wél komen tot die integrale blik. Hoe hangen de verschillende factoren samen? Dat doen we onder meer door interviews te houden met mensen uit de doelgroepen en met andere stakeholders. Daarnaast maken ook een literatuurstudie en gesprekken met (inter)nationale experts deel uit van onze onderzoeksopzet. Het onderzoek moet op die manier inzicht geven in de verschillende factoren en hun weging in de uiteindelijke keuze. Het uiteindelijke doel: komen tot opties voor verbeteringen om Nederland aantrekkelijker te maken als vestigingsland.

Meer weten?

Neem dan contact op met onderzoeker/projectleider Coco Bastiaansen. Het eindrapport wordt in 2024 verwacht.

(English)

Study into the knowledge economy: why do knowledge migrants settle in the Netherlands?

What considerations do knowledge migrants and foreign-born ‘searchers’, self-employed professionals and startup entrepreneurs make when deciding whether or not to settle in the Netherlands? In a study commissioned by the Scientific Research and Data Centre (WODC), we are researching that question.

The government wants to further strengthen the Dutch knowledge economy. To this end, it is important that the Netherlands is as attractive as possible as a country of settlement for knowledge migrants, for recent graduates from outside the EU who use the ‘search year’ residence permit, for fself-employed knowledge workers andor startup entrepreneurs.

Determining factors

In order to make well-founded choices about the design of the knowledge economy, insight is needed into which factors determine the choice of location of the aforementioned groups and are decisive in this. Previous research has already revealed a wide range of professional, social and cultural-societal factors. But: usually these factors are examined separately, thus lacking an integrated approach.

Integral view

With our research, we aim to take an integrated view. How are the different factors connected? We do this by, among other things, conducting interviews with people from the target groups and with other stakeholders. A literature study and discussions with (inter)national experts are also part of our research design. The research should thus provide insight into the various factors and their weighting in the final choice. The ultimate goal: to come up with options for policy improvements.

Would you like to know more?

Then please contact researcher/project leader Coco Bastiaansen. The final report is expected in 2024.

Evaluatiekader en nulmeting Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta)

Om misstanden en malafide praktijken in de uitleensector tegen te gaan, zoals onderbetaling van arbeidskrachten en een slechte kwaliteit van huisvesting, wordt per 1 januari 2027 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten ingevoerd. Regioplan ontwikkelde een evaluatiekader voor deze wet en voerde een nulmeting uit.

In 2020 presenteerde het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (de Commissie Roemer) het rapport ‘Geen tweederangsburgers’. Het rapport bevat een groot aantal voorstellen om de positie van arbeidsmigranten in Nederland te verbeteren. De verplichte certificering van uitzendbureaus en een boete voor degenen die met niet-gecertificeerde uitzendbureaus werken vormen de kern van de aanbevelingen. Na advies van de Raad van State heeft de regering de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten geïntroduceerd (Wtta). Deze wet heeft tot doel de positie van terbeschikkinggestelde arbeidskrachten – en in het bijzonder die van arbeidsmigranten – te verbeteren, en een gelijk speelveld voor alle uit- en inleners te waarborgen.

Op verzoek van het ministerie van SZW heeft Regioplan een evaluatiekader opgesteld waarmee de effectiviteit van de Wtta gemeten kan worden. Ook heeft Regioplan een nulmeting uitgevoerd om de stand van zaken vóór de inwerkingtreding van de Wtta in kaart te brengen.

De eerste stap was het opstellen van een beleidstheorie, waarin de veronderstelde werking van de wet is uitgewerkt. De Wtta beoogt de doelen van de wet te bereiken door malafide uitleners te weren van de markt. De belangrijkste instrumenten daarvoor zijn de toelatingsplicht en het inleenverbod; een verplichte toelating voor uitleners die arbeidskrachten ter beschikking stellen en het verbod op het gebruiken van niet-toegelaten uitleners.

De beleidstheorie vormde een kapstok voor het opstellen van meetbare indicatoren die inzicht geven in de mate waarin de doelen van de wet gerealiseerd worden. Daarna is in kaart gebracht welke beschikbare data gebruikt kunnen worden om deze indicatoren te meten. Vervolgens heeft Regioplan een nulmeting uitgevoerd, gericht op drie hoofdonderwerpen:

  1. De huidige markt voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, wat inzicht geeft in het aantal terbeschikkinggestelde arbeidskrachten en het aantal uitleners in de markt;
  2. De huidige positie van arbeidskrachten, waarbij we een beeld schetsen van onder meer de naleving van arbeidsvoorwaarden en de kwaliteit van huisvesting;
  3. Het gelijke speelveld, waarbij we een overzicht schetsen van onder andere het aantal oprichtingen en opheffingen van uitzendorganisaties.

Wil je meer weten over het evaluatiekader of de nulmeting? Lees hier dan het rapport of neem contact op met Rosanne.

Het perspectief van inburgeraars op de Wet inburgering: respondenten gezocht

Het perspectief van inburgeraars op de werking van inburgering is nog nooit op een grootschalige en systematische wijze onderzocht en in beeld gebracht. Om die reden heeft het ministerie van SZW ons gevraagd om in kaart te brengen in hoeverre de Wet inburgering ook ‘werkt’ voor de inburgeraars zélf. Voor dit onderzoek werken we samen met Open Embassy en BMC.

Voor dit onderzoek wordt onder meer een grootschalig vragenlijstonderzoek uitgezet onder inburgeraars. Het gaat hierbij zowel om inburgeraars die vallen onder de Wet inburgering 2021 als om de inburgeraars onder de Wet inburgering 2013 die nog niet zijn ingeburgerd.

De vragen gaan erover of mensen goed geholpen zijn bij:
1. het leren van Nederlands;
2. het leren over de Nederlandse cultuur;
3. het op eigen tempo leren/inburgeren;
4. het vinden van een baan.

Steun ons onderzoek!

Het is van groot belang dat er zoveel mogelijk inburgeraars meedoen met het vragenlijstonderzoek, om zo een goed beeld te krijgen van hoe mensen die inburgeren het best ondersteund kunnen worden. Daarom zijn we op zoek naar inburgeraars die de vragenlijst willen invullen.

We roepen daarom op om de vragenlijst onder zoveel mogelijk inburgeraars onder de aandacht te brengen. Elders op onze website staat meer informatie over het vragenlijstonderzoek. Hier kunnen mensen ook direct de vragenlijst invullen.

– De vragenlijst kan tot en met 31 december 2023 ingevuld worden.
– Deelname aan de vragenlijst is anoniem.
– De vragenlijst is beschikbaar in het Nederlands, Engels, Turks, Arabisch en Tigrinya.
– Het invullen duurt ongeveer 20 minuten.

Meer weten?

Voor meer informatie over het onderzoek kun je contact opnemen met de onderzoekers via onderzoekinburgeren@regioplan.nl.

Op het kruispunt van knelpunten: ervaringen van mensen met een beperking die mede vanwege hun huidskleur, etnische kenmerken, religie, culturele achtergrond en/of migratie (van hen of hun ouders) achterstelling en uitsluiting kunnen ervaren

Wij hebben een onderzoek uitgevoerd naar de positie van mensen met een beperking die ook vanwege hun huidskleur, etnische kenmerken, religie, culturele achtergrond en/of migratie (van hen of hun ouders) belemmeringen problematiek ervaren bij hun maatschappelijke participatie.

In opdracht van het College voor de Rechten van de Mens heeft Regioplan een onderzoek uitgevoerd naar de positie van mensen met een beperking die mede vanwege hun huidskleur, etnische kenmerken, religie, culturele achtergrond en/of migratie (van hen of hun ouders) belemmeringen ervaren bij hun maatschappelijke participatie. Het doel was om te verkennen op welke gebieden er meer aandacht nodig is voor hun specifieke problematiek, zodat hun rechten gewaarborgd kunnen worden. Om inzichten te verzamelen hebben wij zowel met de doelgroep van het onderzoek gesproken, als met (belangen)organisaties die zich inzetten voor de groep.

Opbrengsten interviews

In de interviews stond centraal welke knelpunten deze groep mensen met een beperking ondervinden. Hierbij lag de focus op de domeinen participatie, zorg (en wonen), onderwijs, en arbeid en bestaansminimum. Ook de mate van vertegenwoordiging door organisaties en in wet- en regelgeving is belicht. We hebben de respondenten ook gevraagd naar oplossingsrichtingen.

Uit de interviews zijn er een aantal belangrijke aandachtspunten naar voren gekomen:

• Aannames en vooroordelen over mensen met een beperking én over mensen met andere kenmerken waardoor zij tot een minderheidsgroep behoren, liggen ten grondslag aan veel van de ervaren knelpunten van de groep. De combinatie van deze vooroordelen – ‘dubbele aannames’ – zorgen voor uitdagingen in het alledaagse sociale contact, maar ook bij de duurzame toetreding tot de arbeidsmarkt, het onderwijs en de zorg. Een onderdeel hiervan is de taboesfeer die in sommige culturele minderheidsgemeenschappen hangt rond (psychische) beperkingen en hulpverlening. Deze taboes zijn veelal een gevolg van vooroordelen over het hebben van een beperking. Discriminatie en het gevoel er niet bij te horen en minder te kunnen dan iemand zonder beperking kunnen hierdoor geïnternaliseerd worden, met beperkte maatschappelijke participatie tot gevolg.

• Het gebrek aan kennis bij organisaties over de mensen over wie het onderzoek gaat en het hierbij aansluitende tekort aan gepaste ondersteuning van de groep, is een knelpunt dat in alle domeinen een rol speelt. Dit komt onder andere tot uiting in het gebrek aan kennis over culturele diversiteit in de zorg, het tekort aan taalscholen die ervaring hebben met lesgeven aan blinde mensen, de ontoegankelijkheid van instellingen zoals ziekenhuizen en scholen, en de beperkte mogelijkheden om met een beperking en onvoldoende Nederlandse taalbeheersing aan het werk te gaan.

• De fysieke ontoegankelijkheid van de openbare ruimte is ten slotte een veelgenoemd thema dat maatschappelijke participatie van de groep belemmert. Op het eerste gezicht lijkt dit niet specifiek voor de doelgroep van het onderzoek, maar is het een relevante uitdaging voor iedereen met een beperking. De gesprekken maken echter duidelijk dat het hebben van intersectionele kenmerken deze knelpunten versterkt en extra drempels bij maatschappelijke participatie opwerpt. Ook het niet voldoende spreken van de taal versterkt de fysieke ontoegankelijkheid van de openbare leefomgeving. Wanneer oplossingen voor fysieke ontoegankelijkheid moeilijk gevonden kunnen worden, door bijvoorbeeld taalverschillen of aannames van anderen, kan dit isolatie en terugtrekking uit de samenleving tot gevolg hebben.

In het licht van het naleven van het VN-verdrag handicap ligt er een belangrijke rol voor belangenorganisaties om zicht te hebben op de ervaringen van de doelgroep van het onderzoek. De gesprekken met organisaties maken duidelijk dat, hoewel zij veel van dezelfde signalen zien van de knelpunten van de groep, de vertegenwoordiging van de groep door organisaties vaak een uitdaging is. Organisaties hebben vaak geen specifieke aandacht voor de doelgroep, maar zien hen als deel van hun bredere achterban. Hierdoor, maar ook vanwege het door de doelgroep ervaren gebrek aan representatie en diversiteit binnen organisaties, worden organisaties moeilijk gevonden door de doelgroep en is de doelgroep ook moeilijk bereikbaar voor deze organisaties. Ook wat betreft wetgeving en beleid stellen de respondenten dat hun participatie beperkt is. Er wordt niet of nauwelijks naar de groep geluisterd en de representatie van de groep in de politiek is beperkt.

Aanbevelingen

Op basis van de genoemde intersectionele knelpunten van de groep en de aangedragen oplossingen door de respondenten, hebben we aanbevelingen geformuleerd. Deze aanbevelingen kunnen gebruikt worden door het College om de overheid aan te sporen om de rechten van de doelgroep zoals neergelegd in het VN-verdrag handicap beter te borgen. De aanbevelingen worden in het onderzoeksrapport uitgewerkt. Zie ook de aanbevelingen die het College doet op basis van ons onderzoek.

Meer weten?

Neem dan contact op met Miranda of Job.

Monitor Charter Diversiteit: toenemende aandacht voor diversiteit en inclusie op de werkvloer

Hoe staat het met de vorderingen rondom diversiteit en inclusie bij de ondertekenaars van het Charter Diversiteit? In opdracht van de SER brengen we dit jaarlijks in beeld. Onlangs verscheen ons monitoringsrapport over 2022, waarin we de vorderingen op het gebied van diversiteit en inclusief nader onder de loep nemen.

SER Diversiteit in Bedrijf ondersteunt organisaties bij het bevorderen van een gemêleerd personeelsbestand en een inclusief bedrijfsklimaat. Door het Charter Diversiteit te ondertekenen kunnen bedrijven en organisaties laten zien dat ze zich inzetten voor meer diversiteit en inclusie op de werkvloer. Vijf dimensies staan daarbij centraal: arbeidsvermogen, culturele diversiteit, sekse, leeftijd en LHBTI+.

Nadruk op instroom

Op 31 december 2022 telde het Charter Diversiteit 416 ondertekenaars: zowel private en als (semi)publieke organisaties, groot en mkb, en uit verschillende sectoren. Op het gebied van diversiteit richtten de meeste ondertekenaars zich in 2022 met name op de instroom van diversiteitsgroepen, vertelt onderzoeker Noor Galesloot. “De meeste aandacht ging uit naar het aantrekken van medewerkers met een niet-westerse migratieachtergrond, medewerkers met een beperkt arbeidsvermogen en vrouwen. Ook focusten ondertekenaars zich op de doorstroom van vrouwen naar hogere posities.”

In algemene zin kregen behoud en doorstroom van medewerkers dan weer minder aandacht, vervolgt Noor. ”Om daadwerkelijk meer diversiteit in het personeelsbestand te realiseren, is het belangrijk dat Charterondertekenaars hun D&I-beleid richten op de héle ‘employee journey’.

LHBTI+

Verder is er – ondanks de toegenomen aandacht voor de dimensie LHBTI+/seksuele oriëntatie – nog steeds weinig zicht op de in-, door- en uitstroom van LHBTI+-medewerkers, vervolgt Noor. “Charterondertekenaars vinden het weliswaar belangrijk om zich in te zetten voor deze groep, maar door de sensitiviteit rondom deze gegevens – het is lastig om (aanstaande) medewerkers te vragen naar hun seksuele oriëntatie – houden ze de daadwerkelijke aantallen weinig bij.”

Organisatiecultuur

De doelstellingen op het gebied van inclusie waren in 2022 vooral gericht op het verbeteren van de organisatiecultuur, vervolgt Noor. “Daarbij ging het bijvoorbeeld om het aanbieden van specifieke voorzieningen voor medewerkers en scholing over inclusief leiderschap. Ook ging het onder meer over het bevorderen van de participatie van diversiteitsgroepen binnen de organisatie, bijvoorbeeld door programma’s voor ontwikkeling van divers talent en door toegankelijke maatregelen en procedures.”

Bewustwording en draagvlak

Verder zetten Charterondertekenaars veel activiteiten in ter bevordering van bewustwording en draagvlak op het gebied van diversiteit en inclusie, concluderen de onderzoekers. “Dit vertaalt zich ook in positieve resultaten: de meesten vinden dat de bewustwording en het draagvlak onder medewerkers zijn toegenomen ten opzichte van vorig jaar. Dit is in lijn met bevindingen uit eerdere monitors; we zien dus een positieve trend op dit vlak. Ook medewerkers lijken meer tevreden: een groot deel van de Chartondertekenaars geeft aan dat ze hogere scores hebben behaald bij medewerkertevredenheidsonderzoeken.”

Meer weten?

Lees dan onze factsheet of download het volledige eindrapport.

Nieuw project: Evaluatiekader Wet vaststellingsprocedure staatloosheid

Hoe evalueer je de nieuwe wet die vaststelling van staatloosheid mogelijk maakt? In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) gaan wij, in samenwerking met Caia Vlieks (Universiteit Utrecht), een evaluatiekader opstellen van de Wet vaststelling staatloosheid die per 1 oktober van kracht werd. Met als uiteindelijk doel: inzicht bieden in de wijze waarop de wet kan worden geëvalueerd en welke data daarvoor nodig zijn.

Wanneer iemand geen (effectieve) nationaliteit heeft, bijvoorbeeld omdat geen enkele staat hem of haar als burger erkent, is er sprake van staatloosheid. Het is echter niet eenvoudig om staatloosheid vast te stellen en voorheen ontbrak in Nederland hiervoor een goede procedure. De Wet vaststelling staatloosheid, die per 1 oktober 2023 in werking is getreden, beoogt hier een oplossing voor te bieden.

Meer toegang tot rechten

Door de Wet vaststelling staatloosheid kunnen staatlozen die niet beschikken over de juiste documenten hun staatloosheid laten vaststellen via een verzoekschriftprocedure bij de civiele rechter. Dit zorgt ervoor dat mensen die staatloos zijn, ook deze status toegekend krijgen. Ook mensen die geregistreerd staan als ‘nationaliteit onbekend’, maar in werkelijkheid staatloos zijn, kunnen via deze procedure de juiste status krijgen. Wanneer iemand als staatloos wordt erkend kan deze persoon gebruikmaken van een beperkt aantal rechten in Nederland, zoals (onder voorwaarden) versnelde verkrijging van de Nederlandse nationaliteit.

Ontwikkelen van evaluatiekader

Aan de hand van een deskstudie en interviews met ketenpartners werken wij een evaluatiekader uit. Dit evaluatiekader omvat concrete indicatoren die gerelateerd zijn aan de doelstellingen van de wet. Hierdoor kunnen het doelbereik, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de wet in kaart worden gebracht.

Meer weten?

Neem voor meer informatie over het lopende onderzoek contact op met Miranda Witvliet. Het eindrapport wordt eind 2023 verwacht.

Nieuw project: Evaluatiekader Wet vaststellingsprocedure staatloosheid

Hoe evalueer je de nieuwe wet die vaststelling van staatloosheid mogelijk maakt? In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) gaan wij, in samenwerking met Caia Vlieks (Universiteit Utrecht), een evaluatiekader van de Wet vaststelling staatloosheid opstellen. Met als uiteindelijke doel om inzicht te bieden in de wijze waarop de wet kan worden geëvalueerd en welke data daarvoor nodig zijn.

Wanneer iemand geen (effectieve) nationaliteit heeft, bijvoorbeeld omdat geen enkele staat hem of haar als burger erkent, is er sprake van staatloosheid. Het is echter niet eenvoudig om staatloosheid vast te stellen en voorheen ontbrak in Nederland hiervoor een goede procedure. De Wet vaststelling staatloosheid, die per 1 oktober 2023 in werking is getreden, beoogt hier een oplossing voor te bieden.

Na erkenning staatloosheid meer toegang tot rechten

Door de Wet vaststelling staatloosheid kunnen staatlozen die niet beschikken over de juiste documenten hun staatloosheid laten vaststellen via een verzoekschriftprocedure bij de civiele rechter. Dit zorgt ervoor dat mensen die staatloos zijn, ook deze status toegekend krijgen. Ook mensen die geregistreerd staan als ‘nationaliteit onbekend’, maar in werkelijkheid staatloos zijn, kunnen via deze procedure de juiste status krijgen. Wanneer iemand als staatloos wordt erkend kan deze persoon gebruikmaken van een beperkt aantal rechten in Nederland, zoals (onder voorwaarden) versnelde verkrijging van de Nederlandse nationaliteit.

Ontwikkelen van evaluatiekader

Aan de hand van een deskstudie en interviews met ketenpartners werken wij een evaluatiekader uit. Dit evaluatiekader omvat concrete indicatoren die gerelateerd zijn aan de doelstellingen van de wet. Hierdoor kunnen het doelbereik, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de wet in kaart worden gebracht.

Meer weten?

Neem voor meer informatie over het lopende onderzoek contact op met Miranda Witvliet. Het eindrapport wordt eind 2023 verwacht.

“Waarom doen mensen wat ze doen?”

Als beleidsonderzoeker bij Regioplan geniet Titus Scholten (die eerder dit jaar begon in ons team Mens & Samenleving) enorm van de vele gesprekken die hij in het kader van onze onderzoeken voert. “Juist doordat je met mensen in gesprek gaat, kun je als onderzoeker mooie concrete aanbevelingen doen waar mensen écht wat aan hebben.”

Waarom doen mensen wat ze doen? Wat zijn hun beweegredenen? Het zijn vragen die Titus altijd al bezighielden en die hem ertoe brachten om na de middelbare school Toegepaste Psychologie te gaan studeren. “Ik wist nog niet precies wat ik wilde gaan doen. Wél wist ik dat ik uiteindelijk naar de universiteit wilde, en die fascinatie voor menselijke gedrag was er dus al wel. Toegepaste Psychologie lag dus voor de hand.”

Na het behalen van zijn hbo-propedeuse stroomde Titus vervolgens in op de UvA bij Antropologie, vertelt hij. “Op de website stond dat ene zinnetje dat me al vaker had getriggerd, namelijk: ‘Waarom doen mensen wat ze doen?’. Toen wist ik: dit is een studie die waarschijnlijk goed bij me past.”

Jehova’s getuigen

Tijdens zijn studie richtte Titus zich met name op twee onderwerpen: de westerse wereld en religie. In zijn eindonderzoek kwamen die twee onderwerpen mooi samen, vertelt hij. “Voor dit onderzoek ben ik in de wereld van de Jehova’s getuigen gedoken, en dan met name in het verbod op het vieren van je verjaardag. Binnen het christendom vormen Jehova’s getuigen de enige denominatie die zo’n verbod kent, en dat gegeven fascineerde me meteen.”

“Ik kwam er al snel achter dat het verbod helemaal zo oud niet is – het stamt uit de jaren zestig van de vorige eeuw – en dat het vooral als doel heeft om de gemeenschap zo gesloten mogelijk te houden en te voorkomen dat gelovigen van het ‘ware pad’ afdwalen. Enorm interessant om daar dieper in te duiken.”

Taaislijmziekte

Titus lijdt aan taaislijmziekte. Die chronische aandoening heeft hem tijdens zijn periode als scholier en student regelmatig gehinderd in zijn doen en laten, maar dankzij nieuwe medicatie kan hij de laatste jaren steeds meer een ‘normaal’ leven leiden, vertelt hij. “Via Emma at Work – een organisatie die jongeren met een lichamelijke handicap of chronische ziekte ondersteunt in hun zoektocht naar werk – kwam ik in contact met Regioplan. Het klikte meteen goed, en dit voorjaar ben ik begonnen als beleidsonderzoeker binnen het team Mens & Samenleving.”

Jeugdzorg

In dit eerste halfjaar heeft Titus zich met name beziggehouden met twee onderzoeken naar nieuwe wet- en regelgeving in de jeugdzorg, vertelt hij. “Vanuit mijn eigen achtergrond weet ik hoe belangrijk het is dat kinderen veilig en onbezorgd kunnen opgroeien. In die zin is het sowieso een onderwerp dat me na aan het hart ligt.”

“Wat me is opgevallen is hoeveel verschillende partijen er wel niet betrokken zijn bij de jeugdzorg. Het is een enorm complex systeem, en die bureaucratie zorgt er soms voor dat het lang kan duren voordat de juiste hulp op gang komt; bijvoorbeeld in het geval van huiselijk geweld en kindermishandeling. Dat leidt soms tot schrijnende situaties. Gelukkig zijn er met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming nu goede ideeën om dat op te lossen.”

Gesprekken voeren

Het meest geniet Titus van het voeren van gesprekken met mensen. “Beleidsonderzoek kent een grote kwantitatieve component – het is ook gewoon enorm interessant om in de harde data en cijfers te duiken –, maar uiteindelijk haal ik de meeste voldoening uit de interviews die ik houd met mensen over hun ervaringen.”

“Dat geldt ook voor een ander onderzoek dat we eerder dit jaar uitvoerden in opdracht van het College voor de Rechten van de Mens. Dat onderzoek richtte zich op mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking die ook op andere vlakken op achterstand staan, bijvoorbeeld omdat ze een migratieachtergrond hebben. Hoe ziet de leefwereld van deze mensen eruit? En: wat kan daarin verbeterd worden? Ook voor dit onderzoek heb ik veel interessante interviews afgenomen. Juist doordat je echt met mensen praat, kun je als onderzoeker – op basis van wat je allemaal hoort – mooie concrete aanbevelingen doen waar mensen écht wat aan kunnen hebben.”

Perfecte combinatie

Ten slotte werkte Titus – die in zijn vrije tijd een fanatiek schaker is – mee aan een onderzoek rondom de succesvolle arbeidsparticipatie van Oekraïense vluchtelingen. Welke lessen kunnen we daaruit trekken? Allemaal boeiende onderzoeken, vertelt Titus. “Ik ben erg blij dat ik interessant werk heb gevonden bij mij ‘om de hoek’, in een bedrijf met leuke collega’s. Mijn fascinatie voor menselijk gedrag kan ik hier perfect combineren met het verbeteren van beleid.”

“Onbewust laten we ons de hele dag door beïnvloeden”

Mariska Veenstra (28) is altijd al gefascineerd geweest door menselijk gedrag en door de vraag waarom mensen zich gedragen zoals ze zich gedragen. Die fascinatie kan ze goed kwijt in haar rol als onderzoeker binnen ons team Mens & Samenleving.

Mariska voltooide haar bachelor Sociologie aan de VU in Amsterdam, waarna ze haar studieloopbaan in dezelfde stad vervolgde met een master Sociale Psychologie. “Binnen mijn bachelor volgde ik op een gegeven moment de minor Psychologie en het brein, waarbij je onderzoekt welke triggers van invloed zijn op ons gedrag. Dat vond ik enorm interessant, al werd er voor mijn gevoel nét iets te veel ingezoomd op hoe menselijk gedrag werkt op het niveau van onze breindeeltjes. In de master Sociale Psychologie ging het vervolgens meer over de vraag hoe menselijk gedrag ontstaat en hoe je het kunt beïnvloeden.”

Eigen keuzes?

Daarin kwam voor Mariska alles samen, vertelt ze. “Ik ben altijd al gefascineerd geweest door de vraag waarom mensen zich gedragen zoals ze zich gedragen. We denken toch vaak dat we autonoom zijn en dat we, los van anderen, onze eigen keuzes maken. Maar onbewust laten we ons juist de hele dag door beïnvloeden, zonder dat we het echt door hebben; bijvoorbeeld door culturele normen en onze sociale context, de mensen om ons heen, en tal van andere factoren.”

“Neem de waarschuwingen op pakjes sigaretten. Voor welke doelgroepen werkt dit soort prikkels wel, en voor welke juist niet? En waarom dan precies? Bij Sociale Psychologie leer je om door die bril naar menselijk gedrag te kijken en naar de hele wereld die daarachter schuilgaat.”

Consumentenbeïnvloeding

Tijdens een onderzoekstage kwam Mariska terecht bij een bureau dat met name onderzoek deed naar consumentenbeïnvloeding. “Dan gaat het bijvoorbeeld om de vraag welke drempels mensen ervaren bij het aanschaffen van bepaalde producten; ook interessant, maar ik miste op een gegeven moment toch wel heel erg het maatschappelijk relevante aspect. Na mijn afstuderen heb ik twee jaar gewerkt bij een adviesbureau dat zich met name bezighoudt met duurzame inzetbaarheid. Hier ging ik onder andere aan de slag met de vraag hoe we werknemers en werkgevers kunnen stimuleren om aan de slag te gaan met basisvaardigheden. En nu werk ik dus sinds dit voorjaar bij Regioplan, waar ik me als beleidsonderzoeker binnen het team Mens & Samenleving bezighoud met uiteenlopende onderwerpen.”

Platform Jongeren & Werk

Zo is Mariska als onderzoeker betrokken bij het Platform Jongeren & Werk, een initiatief van de Goldschmeding Foundation. “Dit platform ondersteunt en verbindt verschillende maatschappelijke initiatieven die zich inzetten voor kwetsbare jongeren op de arbeidsmarkt. Zo krijgen deze jongeren de kans hun talenten te ontwikkelen en onderwijs te volgen om aan de slag te kunnen op de arbeidsmarkt. Vanuit Regioplan zijn we als onafhankelijk onderzoekspartner verbonden aan dit platform en onderzoeken we wat de werkzame elementen zijn binnen de verschillende initiatieven. Hoe kun je als platform zoveel mogelijk impact maken?”

Eenzelfde rol bekleedt Regioplan bij het Platform Nieuwkomers & Werk, vertelt Mariska. “We onderzoeken wat wel en niet werkt bij het begeleiden van statushouders naar betaald werk, en vertalen dit naar lessen en handvatten voor het initiatief en het platform. Welke obstakels kom je tegen bij het begeleiden van statushouders naar betaald werk? En hoe kun je ervoor zorgen dat nieuwkomers snel en gelijkwaardig aan het werk kunnen?”

Nieuwe werelden

Het onderzoekswerk voor deze platforms sluit goed aan bij Mariska’s achtergrond in arbeidsmarktvraagstukken, vertelt ze. “Maar inmiddels kwamen er ook nieuwe onderwerpen op mijn pad. Zo ben ik betrokken bij een onderzoek op het gebied van jeugdzorg. En voor een grote gemeente onderzoeken we in hoeverre initiatieven op het gebied van antidiscriminatie en verbinding ook daadwerkelijk bijdragen aan de gestelde beleidsdoelen. Allebei nieuwe werelden, erg leuk om daar dieper in te duiken.”

Veel ruimte

Bij Regioplan bevindt Mariska zich onder gelijkgestemden, heeft ze gemerkt. “Iedereen werkt hier vanuit eenzelfde soort drive om met gedegen onderzoek bij te dragen aan maatschappelijke vraagstukken. Tegelijkertijd krijg je veel ruimte om te ontdekken welke thema’s je interesseren en waar je graag aan zou willen werken. Ook krijg je alle ruimte om jezelf te ontwikkelen, bijvoorbeeld op het gebied van persoonlijk leiderschap.”

Actieonderzoek

Ondertussen kruipt het bloed waar het niet gaan kan en komt Mariska’s eerste liefde – menselijk gedrag – met enige regelmaat om de hoek kijken. “Uiteindelijk bevatten veel beleidsvraagstukken ook vaak een gedragscomponent; als je goed inzicht hebt in menselijk gedrag en in de barrières die mensen ervaren, kun je beter beleid maken. Het lijkt me interessant om te kijken hoe we als onderzoeksteam gedrag nóg meer zouden kunnen meenemen in onze beleidsevaluaties.”

“Dat sluit ook goed aan bij de stappen die Regioplan op dit moment zet op het gebied van actieonderzoek, waarbij de onderzoeker niet alleen observeert en interpreteert, maar ook zélf deelneemt aan het onderzoeksproces. Het lijkt me enorm interessant om, vanuit mijn kennis van sociale psychologie en menselijk gedrag, verder bij te dragen aan die ontwikkeling.”