NSOC: samenwerkingsverband tegen ondermijnende criminaliteit met twee jaar verlengd

De Nationale Samenwerking tegen Ondermijnende Criminaliteit (NSOC) is een belangrijk initiatief in de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Voor het ministerie van Justitie en Veiligheid evalueerden we de manier waarop uitvoering is gegeven aan het Actieplan NSOC, de opbrengsten die daaruit zijn voortgekomen, en welke potentiële meerwaarde deze multidisciplinaire samenwerking heeft voor de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.

De NSOC is een samenwerkingsverband van de Belastingdienst, de Douane, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), de Nationale Politie (NP), de Koninklijke Marechaussee (KMar) (en andere operationele onderdelen van het ministerie van Defensie) en het Openbaar Ministerie (OM). NSOC opereert op basis van het Actieplan NSOC.

De evaluatie van het Actieplan NSOC geeft zowel inzicht in de huidige stand van zaken als in de potentie van het samenwerkingsverband. Daarbij heeft de evaluatie concrete leerpunten opgeleverd om de effectiviteit van NSOC verder te vergroten. Het gaat bijvoorbeeld over een werkbaar juridisch kader voor meer efficiënte en effectieve gegevensdeling binnen NSOC en verduidelijken van de positionering van NSOC ten opzichte van andere organisaties en samenwerkingsverbanden.

Mede op basis van deze evaluatie heeft de Minister van Justitie en Veiligheid besloten om het samenwerkingsverband NSOC met ten minste twee jaar voort te zetten.

Het onderzoeksrapport is inmiddels openbaar. Verder plaatste het Ministerie van Justitie en Veiligheid inmiddels een bericht over de evaluatie.

Meer weten?

Neem dan gerust contact op met Coco Bastiaansen!

Weet jij echt hoe gender leidt tot geweld in relaties?

Wat hebben intieme terreur, stalking en femicide met elkaar gemeen? Dat één van de oorzaken onder het geweld ligt in gender: in de verwachtingen die we als samenleving aan man- en vrouwzijn koppelen. Die verwachtingen leiden tot rollen en patronen, veelal onbewust, die een rol spelen in de totstandkoming en escalatie van geweld in (ex-)partnerrelaties.

Juist bij heftige vormen van dit geweld, zoals intieme terreur, stalking en femicide, is gender een belangrijke oorzaak voor de patronen die tot het geweld leiden.

Test je kennis!

Weet jij wat gender eigenlijk precies is? Hoe gender leidt tot (ex-)partnergeweld? En hoe je balanceert op het dunne koord tussen stereotypering en gendersensitiviteit? Kom erachter door onze korte training over gender en huiselijk geweld te volgen. De training is gebaseerd op onze handreiking Gendersensitief handelen bij huiselijk geweld, een hulpmiddel voor casuïstiekbespreking dat is getest in verschillende regio’s. In twee dagdelen laat trainer Marleen Derks je ontdekken hoe gender doorwerkt in relaties, hoe het kan leiden tot geweld, en hoe je daar in de praktijk mee om kunt gaan.

Test je organisatie!

De training leidt niet alleen tot begrip van gender en handelingsperspectief voor de uitvoering. Een belangrijke uitkomst is ook het reflecteren op de organisatie: hoe bieden beleid, werkprocessen en keuzes voor instrumentarium meer of minder ruimte voor het effectief meenemen van de rol van gender in de uitvoering? Wij begeleiden die reflectie graag en komen waar relevant samen tot verbetersuggesties.

Meer weten?

Neem dan contact op met Katrien de Vaan.

Nationale Drug Monitor (2023)

De Nationale Drug Monitor (NDM) geeft inzicht in de actuele kennis over drugscriminaliteit, middelengebruik en strafbaar gedrag en wetgeving en beleid daaromtrent. Al vier jaar levert Regioplan een bijdrage aan deze onderdelen van de NDM door diverse bronnen te verzamelen, deze te analyseren en daarover rapporteren. Zo ontstaat inzicht in de grote stroom aan informatie op dit thema.

Er wordt veel verschillende informatie verzameld over drugscriminaliteit, middelengebruik en daaraan gerelateerd strafbaar gedrag. Ook groeit de kennis over dit onderwerp door nieuw (wetenschappelijk) onderzoek. Beleidsmakers en andere professionals zijn gebaat bij een actueel overzicht van en inzicht in deze grote stroom aan informatie. Daarom updaten we tweemaal per jaar het overzicht van actuele informatie in de NDM. De meest actuele informatie is te vinden op de website.

Meerdere onderdelen

We leveren sinds 2020 een bijdrage aan de updates van onderdelen van de NDM. Het gaat om de onderdelen over drugscriminaliteit en aan middelengebruik gerelateerd strafbaar gedrag. Sinds 2023 zijn daar de onderdelen over wetgeving, beleid en preventie rondom drugs en criminialiteit bijgekomen. Daarnaast leveren we een bijdrage aan de producten voor de European Monitoring Centre for Drugs en Drug Addiction (EMCDDA).

De belangrijkste ontwikkelingen van afgelopen jaar zijn weergegeven in een factsheet.

Doorlopend onderzoek

Voor de updates van de onderdelen van de NDM verrichten we doorlopend onderzoek. Daarvoor verzamelen, analyseren en rapporteren we informatie uit verschillende bestaande registraties en bronnen. Denk bijvoorbeeld aan registraties van de politie, reclassering, Dienst Justitiële Inlichtingen (DJI) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Ook organiseren we duidingssessies met experts uit de strafrechtketen en wetenschap. Zo verrijken we de cijfers met ervaringen en expertise uit de praktijk en wetenschap.

Het onderzoek voor de Nationale Drug Monitor voeren we uit in opdracht van Wetenschappelijke Onderzoek- en Datacentrum (WODC). Het Trimbos-Instituut produceert de NDM als geheel.

 

Update criminaliteitsonderdelen Nationale Drug Monitor (NDM)

De Nationale Drug Monitor (NDM) geeft jaarlijks inzicht in de actuele trends en cijfers rondom drugscriminaliteit, middelengebruik en daaraan gerelateerd strafbaar gedrag. Vandaag is weer een update van deze onderdelen – met bijbehorende factsheet – verschenen.

De factsheet van de Nationale Drug Monitor (NDM) geeft in één oogopslag inzicht in de actuele cijfers en ontwikkelingen op het gebied van drugscriminaliteit, strafbaar gedrag dat aan middelengebruik is gerelateerd, en de wetgeving en het beleid op dit gebied.

Actuele ontwikkelingen

De factsheet besteedt aandacht aan drie actuele ontwikkelingen:
– de afname in geregistreerde softdrugsproblematiek;
– minder strafrechtelijke afdoeningen van Opiumwetzaken;
– CBR-maatregelen voor alcohol in het verkeer zijn bijna op het niveau van voor de coronapandemie.

Het onderzoek voor de Nationale Drug Monitor voeren we twee keer per jaar uit in opdracht van Wetenschappelijke Onderzoek- en Datacentrum (WODC). Het Trimbos-Instituut produceert de NDM als geheel.

Wil je meer informatie?

Lees dan de factsheet (met daarin meer informatie over de belangrijkste ontwikkelingen) en/of de notitie met opbrengsten van de groepsgesprekken.

Evaluatie Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding

Doel van de Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding is om meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij een evaluatie van deze wet uit.

Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. Doel van de Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding is om te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Ook probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.

Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.

Borging van expertise

Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen van wie ouders in detentie verblijven.

Ook is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan zulke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in zulke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.

Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege de personeelstekorten en het hoge personeelsverloop waar ook GI’s mee te kampen hebben.

Het niet benoemen van een bijzondere curator

Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.

Conclusies

De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken.

Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken hoe en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over zijn of haar leven worden genomen.

Meer weten?

Download dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.

Evaluatie clausulering recht op omgang na partnerdoding

De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt meer duidelijkheid te brengen in het proces dat moet leiden tot een besluit over contact/omgang na partnerdoding. In opdracht van het WODC voerden wij samen met onderzoekers van Avans Hogeschool een evaluatie van deze wet uit.

Geweldsdelicten waarbij sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding en waarbij minderjarige kinderen achterblijven, hebben altijd grote impact op de nabestaanden. Het achterblijven van minderjarige kinderen betekent dat er urgente vraagstukken ontstaan. Hierbij is het toelaten van contact tussen de verdachte ouder en het minderjarige kind een van de meest prangende kwesties. De Wet clausulering recht op contact/omgang na partnerdoding beoogt te garanderen dat de besluitvorming hierover op een zorgvuldige manier plaatsvindt. Tevens probeert de wet te waarborgen dat kinderen in de besluitvorming in dit proces voldoende worden gehoord en dat hun stem voldoende wordt meegewogen.

Uit het onderzoek blijkt dat professionals regelmatig meer ruimte nemen in de uitvoering van de wet dan deze strikt gezien voorschrijft. Zo leidt het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) moet uitvoeren, niet altijd tot een duidelijk afgebakend advies over contact/omgang. Adviezen van de RvdK en besluiten van kinderrechters worden regelmatig opener gelaten, om zodoende ruimte te bieden voor maatwerk in deze complexe casuïstiek. Doorgaans worden de Gecertificeerde instellingen (GI’s) daarbij door de RvdK het meest geschikt geacht om zelf afwegingen te maken over contact/omgang, aangezien GI’s vrijwel altijd de voogdij over het kind krijgen in partnerdodingszaken.

Borging van expertise

Alhoewel ruimte voor maatwerk in dergelijke complexe casuïstiek belangrijk is, dient wel te worden bewaakt dat de juiste expertise geborgd is in de besluitvorming over wel of geen omgang. Een weloverwogen besluit over omgang vereist namelijk een veelzijdige blik, waarbij zowel aandacht is voor de negatieve als de positieve effecten van omgang op de ontwikkeling van het kind. Dit vereist specifieke expertise, bijvoorbeeld op terreinen zoals identiteitsvorming en loyaliteitsgevoelens van kinderen wiens ouders in detentie verblijven.

Tevens is er in de meeste gevallen van partnerdoding sprake van femicide, waarbij de mannelijke dader zijn vrouwelijke (voormalige) partner heeft gedood. Aan dergelijke misdrijven ligt doorgaans een andere dynamiek ten grondslag dan casussen waarin de vrouw haar mannelijke (voormalige) partner heeft gedood. Van professionals die afwegingen moeten maken in partnerdodingscasussen vergt dit specifieke kennis over de gewelds- en relatiepatronen die in dergelijke casuïstiek spelen en de wijze waarop deze patronen de ontwikkeling van het kind kunnen beïnvloeden.

Alhoewel dit onderzoek niet gaat over de mate waarin de betrokken professionals over deze expertise beschikken, roept het wel vragen op over of deze expertise voldoende is geborgd, wanneer alle beslissingsruimte bij de GI’s wordt belegd. Deze vraag is des te meer van belang vanwege personeelstekorten en het hoge personeelsverloop, waar ook GI’s mee te kampen hebben.

 

Het niet benoemen van een bijzondere curator

Ook moet niet uit het oog worden verloren dat de stem van het kind goed moet worden meegewogen in het uiteindelijke besluit over omgang. Om dit te waarborgen heeft de wet nu voorzien in de verplichte benoeming van een bijzondere curator die als onafhankelijke partij het kind moet vertegenwoordigen. In de praktijk komt het echter voor dat er geen bijzondere curator wordt betrokken tijdens de gerechtelijke contact/omgangsprocedure. Door professionals die reeds betrokken zijn wordt soms weinig meerwaarde gezien in de benoeming van een bijzondere curator. Daarbij speelt mee dat het voor een kind belastend kan zijn als er te veel partijen betrokken zijn.

 

Conclusies

De complexiteit van partnerdodingscasussen maakt het wenselijk dat professionals enige bewegingsruimte hebben in het bepalen van wat het kind op een bepaald moment nodig heeft. Dat initiële adviezen van de RvdK inzake contact/omgang minder afgebakend zijn dan de wet voorschrijft, is vanuit dat oogpunt verdedigbaar, mits er naar manieren wordt gekeken om de rechtbank of de RvdK tot op zekere hoogte nog enige regie te laten behouden. Zo kunnen kinderrechters een zaak aanhouden, waardoor er op een later moment nog eens naar het contact/omgangsvraagstuk kan worden gekeken. Daarnaast kan het ook te verdedigen zijn dat er geen bijzondere curator wordt benoemd, mits het kind dan wel door een andere partij wordt vertegenwoordigd. Wel is het van belang dat dan goed wordt gekeken op welke wijze en door wie het kind dan wel wordt vertegenwoordigd, zodat de wensen van het kind voldoende worden meegewogen in de besluiten die over diens leven worden genomen.

Meer weten?

Download hieronder dan ons eindrapport of neem contact op met Katrien de Vaan of Niek van Ansem.

Sterke lokale teams op veiligheid: bouwstenen voor implementatie

De Leidraad ‘Werken aan veiligheid. Leidraad voor gemeenten voor de opdrachtverstrekking aan lokale teams’ maakt duidelijk aan welke kwaliteitseisen de aanpak van huiselijk geweld, kindermishandeling en ontwikkelingsbedreiging van kinderen in lokale teams moet voldoen. Het werkpakket Werken aan veiligheid van het programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming helpt gemeenten en uitvoeringsorganisaties om hier nader invulling aan te geven. Katrien de Vaan van Regioplan ondersteunt regio’s en gemeenten bij de implementatie van de Leidraad, onder andere als lid van het Expertteam Leidraad Werken aan veiligheid, dat het werkpakket ontwikkelde.

Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming vraagt om sterke lokale teams, die een centrale rol spelen in de aanpak van onveiligheid in relaties. De Leidraad Werken aan veiligheid is een belangrijk instrument in het gereed maken van lokale teams voor het oppakken van die rol. Dat is een regionaal proces, omdat gemeenten onderling afhankelijk zijn voor een effectieve aanpak van deze thematiek waarin ook regionale partners een belangrijke rol spelen. Het is ook een proces waar veel regio’s al jaren aan werken, geïnitieerd onder het programma Geweld hoort nergens thuis met de voorloper van de Leidraad: het Kwaliteitskader Werken aan veiligheid voor lokale teams en gemeenten.

Het Expertteam Leidraad Werken aan veiligheid, waar Katrien onderdeel van uitmaakt, helpt gemeenten en regio’s al sinds 2020 bij de implementatie van deze verbeterslag in de lokale teams. De andere leden van het team zijn Marieke Blanken, Trijntje Kootstra en Els van der Weele. Alle producten die zij de afgelopen jaren ontwikkeld hebben ter ondersteuning van gemeenten bij deze opgave, zijn nu gebundeld in het Werkpakket Werken aan veiligheid.

Daarnaast ondersteunt Katrien ook los van het Expertteam regio’s bij de implementatie van de versterking van lokale teams en de ontwikkeling richting het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Meer weten? Neem vooral contact op!

 

 

Implementatie GREVIO-aanbevelingen online geweld tegen vrouwen

Regioplan deed in opdracht van het ministerie van OCW onderzoek naar de implementatie van de GREVIO-aanbevelingen over de ‎digitale dimensie‎ van geweld tegen vrouwen. Het onderzoek had als doel om in kaart te brengen wat er nodig is om de GREVIO-aanbevelingen te implementeren. Dit deden we onder andere met een deskstudie en een serie interviews: met professionals die betrokken zijn bij beleid en uitvoering en met experts in online geweld.

Aanleiding onderzoek

De aanleiding voor dit onderzoek ligt in de Algemene Aanbeveling 1 van GREVIO. Hierin doet deze groep experts aanbevelingen aan de landen die het Verdrag van Istanbul ondertekend hebben, over hoe zij de digitale dimensie van geweld tegen vrouwen effectief kunnen aanpakken. Het ministerie van OCW heeft ons naar aanleiding van een motie van het lid Van der Laan gevraagd om een onderzoek uit te voeren om in beeld te brengen wat nodig is om de GREVIO-aanbevelingen te implementeren.

Aanpak online geweld in kinderschoenen en gefragmenteerd

De aanpak van de digitale dimensie van geweld tegen vrouwen staat in Nederland in alle door GREVIO gehanteerde clusters (preventie, bescherming, vervolging en gecoördineerd beleid) nog in de kinderschoenen en is zeer gefragmenteerd. In het veld is men zich steeds meer bewust van de breedte van de verschijningsvormen, de snelheid van de ontwikkelingen en de impact op slachtoffers en (in bredere zin) op de hele samenleving. Wat duidelijk tijdens het onderzoek naar voren is gekomen is dat er een grote behoefte is aan het bijeenbrengen van bestaande kennis, het versterken van de capaciteit (zowel in kennis als in aantallen en zowel in bescherming, vervolging als preventie), de verbinding met de offline aanpak van geweld tegen vrouwen en een verbinding met de aanpak cybercriminaliteit, een verbeterde bescherming van slachtoffers en het versterken van bewustwording en preventie in de hele samenleving (individuele burgers en professionals).

Verbeteracties

Om de aanbevelingen te kunnen implementeren hebben we een stappenplan met verbeteracties opgesteld waar het ministerie samen met verschillende stakeholders mee aan de slag kan. De verbeteracties zijn voornamelijk gericht op het vrijmaken van capaciteit en middelen voor professionals om voor te sorteren op een te verwachten hoger aantal slachtoffers dat zich meldt, het monitoren en aanpassen van nieuwe wet- en regelgeving die in werking treedt (zoals de wet seksuele misdrijven en de Digital Services Act), actieve coördinatie op het verbinden van de aanpak van alle vormen van online geweld, het verbinden en integreren van verschillende stukjes beleid die zich nu op onderdelen van de problematiek richten om zo overkoepelend beleid te kunnen creëren, en het verbinden, bundelen en ontsluiten van technologische expertise.

Meer weten?

Benieuwd naar de resultaten? Lees het onderzoeksrapport of neem contact op met Wiebe Korf.

Wetten die faillissementsfraude moeten voorkomen, werken maar beperkt

Om faillissementsfraude te bestrijden en de maatschappelijke schade ervan te beperken, zijn de Wet versterking positie curator (2017) en de Wet civielrechtelijk bestuursverbod (2016) in werking getreden. Deze wetten bereiken de genoemde doelen niet of hooguit beperkt. Dat komt vooral doordat curatoren hun fraudeonderzoek moeten bekostigen uit de bezittingen (de boedel) van de (rechts)persoon die failliet is. Vooral bij frauduleuze faillissementen schieten deze middelen meestal te kort of zijn ze er helemaal niet. Dat blijkt uit het evaluatierapport van Regioplan in opdracht van het WODC.

Bij faillissementsfraude sluist een ondernemer of bestuurder bijvoorbeeld vlak voor een faillissement geld weg naar bankrekeningen die buiten het bereik zijn van de curator. Deze fraude zorgt voor veel maatschappelijke schade. Zo kunnen schuldeisers, zoals leveranciers en personeel, niet meer betaald worden. Volgens diverse schattingen komt fraude bij een kwart tot een derde van de faillissementen voor.

Geen geld voor fraudeonderzoek en vaak geen opvolging van meldingen

Sinds de Wet versterking positie curator in 2017 in werking is getreden, is de curator verplicht om bij elk faillissement onderzoek te doen naar fraude. De curator die het faillissement afwikkelt en de rechter-commissaris die daar toezicht op houdt, kunnen fraudesignalen melden bij de opsporingsinstanties. De extra werkzaamheden van de curator voor het fraudeonderzoek moeten worden betaald uit de boedel. Juist bij frauduleuze faillissementen is deze vaak leeg of onvoldoende. Daardoor blijft het verplichte fraudeonderzoek in de praktijk vaak beperkt.

Daarnaast is het vertrouwen in de opvolging van fraudemeldingen een knelpunt. De capaciteit voor onderzoeken naar faillissementsfraude bij de opsporingsdienst van de Belastingdienst (FIOD), de politie en het Openbaar Ministerie is beperkt. Curatoren hebben de ervaring dat deze vaak geen opvolging krijgen. Dit leidt ertoe dat zij minder gemotiveerd zijn om fraudesignalen te melden, dat ze er minder aandacht aan besteden en dat de kwaliteit van de meldingen laag is.

Bestuursverbod beperkt effectief en weinig ingezet

Op basis van de Wet civielrechtelijk bestuursverbod van 2016 kan de curator bij de rechter een bestuursverbod van maximaal vijf jaar vorderen voor bestuurders van failliete ondernemingen, die betrokken waren bij ernstige onregelmatigheden rond faillissementen. De wet geeft deze bevoegdheid ook aan het Openbaar Ministerie. Als de rechter het bestuursverbod oplegt, mag iemand maximaal vijf jaar niet als bestuurder van een rechtspersoon optreden.

Volgens de curatoren en de rechters-commissarissen is het civielrechtelijk bestuursverbod een goed bruikbaar instrument om frauderende ondernemers een halt toe te roepen. Maar ze ervaren ook beperkingen aan de effectiviteit door de mogelijkheden voor ontwijking. Denk aan het starten van een onderneming op de naam van iemand anders of onder buitenlands recht.

Hoe vaak een civielrechtelijk bestuursverbod is opgelegd sinds de nieuwe wet, is niet precies bekend. Een registratie bij de Kamer van Koophandel, die in de wet is aangekondigd, ontbreekt nog. In dit onderzoek zijn slechts 46 procedures gevonden waarin de curator (40 keer) of het Openbaar Ministerie (6 keer) een civielrechtelijk bestuursverbod heeft gevorderd. In alle gevallen waarin tot nu toe uitspraak is gedaan, is een bestuursverbod opgelegd, ook in hoger beroep. Opvallend is dat vrijwel al deze procedures zijn gevoerd in pilots van het ministerie van Justitie en Veiligheid, de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie, of ze zijn gevoerd als nevenvordering bij een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. Ook dat heeft te maken met de financiering die uit de middelen van de failliete rechtspersoon moet komen. Deze zijn er vaak niet en als ze er wel zijn, gaat dit ten koste van de vorderingen van de schuldeisers of het salaris van de curator.

Maatregelen om effectiviteit te verbeteren

Om de effectiviteit van de beide wetten te verbeteren, zijn maatregelen nodig op het gebied van de financiering van de curator en de opvolging van meldingen door de bevoegde instantie. Ook zijn afspraken over eenheid van beleid en uitvoering rondom de fraudetaak gewenst, omdat tussen en binnen de ketenorganisaties – curatoren, rechtbanken, FIOD, politie en de Belastingdienst – verschillend met de uitvoering wordt omgegaan.

Meer weten?

Lees dan ons eindrapport of de samenvatting.

Coco Bastiaansen MSc

Ik krijg energie van verdieping in sociaal maatschappelijke vraagstukken en de rol van beleid hierin. Beleid is bedoeld om richting te geven en bij te dragen aan het optimaal functioneren van de samenleving en heeft daarmee effect op het welzijn van de mensen binnen deze samenleving. Als Socioloog met praktijkervaring binnen de maatschappelijke hulpverlening bekijk ik beleidsvraagstukken door twee brillen: zowel vanuit de maatschappelijke- als de beleidscontext. Bij Regioplan ben ik werkzaam als medior onderzoeker binnen het team Zorg & Veiligheid en hou ik me bezig met verscheidene onderwerp binnen dit domein.