Werkveld: Arbeid en sociale zekerheid
Samen beter. Ziekteverzuim binnen gemeentelijke organisaties.
In de sector gemeenten ligt het ziekteverzuim boven het landelijke gemiddelde. Dit in combinatie met krapte op de arbeidsmarkt; een vergrijzend personeelsbestand en toenemende zorgkosten vraagt om het op de gemeentelijke agenda plaatsen en houden van (vermindering van) ziekteverzuim. Maar hoe doe je dat precies? Wij onderzochten dit en de uitkomsten zijn relevant voor beleidsmakers, HR-managers, leidinggevenden, bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen en anderen geïnteresseerd in de aanpak en preventie van ziekteverzuim. Het rapport geeft ook aanbevelingen op sectorniveau. De WSGO, het College voor Arbeidszaken, VNG Risicobeheer en het A&O fonds Gemeenten gaan daar de komende maanden aandacht aan besteden.
Inzichten en aangrijpingspunten voor de aanpak en preventie van verzuim
In opdracht van het College voor Arbeidszaken van de VNG (CvA), VNG Risicobeheer, Werkgeversvereniging Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (WSGO) en het A&O fonds Gemeenten voerden wij een diepgravend onderzoek uit om te komen tot aangrijpingspunten op lokaal en sectoraal niveau voor de aanpak en preventie van verzuim. Vier elementen blijken cruciaal binnen gemeentelijke organisaties:
- Hoe vervult de leidinggevende zijn/haar rol in contact met medewerkers?
- Krijgen leidinggevenden gevraagd en ongevraagd feedback van experts op verzuimcaseniveau?
- Is een kwalitatief goede bedrijfsarts aangehaakt (goede en duurzame samenwerking)?
- Is er sprake van een continue proces: is men bewust bekwaam en borgt men wat werkt?
Stimulansen om blijvend aandacht te hebben voor ziekteverzuim zijn voor HR-medewerkers vooral zicht hebben op de mogelijkheden van preventie en -op de oorzaken van ziekteverzuim. Een belemmering voor blijvende aandacht is hoge werkdruk. Van belang blijkt dat leidinggevenden en HR, waar nodig, stelling nemen richting bestuur en politiek. Want werkdruk is ook een belangrijke beïnvloedbare oorzaak van langdurig verzuim in gemeentelijke organisaties.
Integreren in een breder kader van duurzame inzetbaarheid
Dit onderzoek laat zien dat gemeentelijke organisaties behoefte hebben aan een meer integrale visie op duurzame inzetbaarheid en verzuim op sectorniveau en aan het uitwisselen van ervaringen tussen organisaties. Dus niet de aanpak van verzuim los agenderen, maar integreren in een breder kader van organisatiecultuur; werksituatie; loopbaan en vitaliteit. Dat vergroot het draagvlak en de handelingsmogelijkheden binnen gemeentelijke organisaties. Denk aan het investeren in een positief werkklimaat; in de stijl van leidinggeven en de switch van aanbodgerichte naar vraaggerichte interventies. De vervolgvraag is dan hoe medewerkers gestimuleerd kunnen worden om in sterkere mate de eigen verantwoordelijkheid voor inzetbaarheid en gezondheid te pakken. Het antwoord hierop ligt toch vooral in het, met regelmaat, in een sfeer van vertrouwen, gevoerde persoonlijke gesprek. Het gaat om leiderschap (de mens centraal), dat gaat verder dan managen (van cijfers).
Samen beter
Dit rapport mondt uit in een advies voor gemeentelijke organisaties en voor de sector. Daarbij wordt gereflecteerd op eerder onderzoek van AEF (2014) en wordt een model gepresenteerd met indicatoren voor een gezondheidswinstindex. Het model maakt op integrale wijze overzichtelijk wat op individueel, organisatie- en sectorniveau aanknopingspunten zijn om te komen tot concrete acties voor het reduceren van ziekteverzuim. Het rapport bevat daarmee alle ingrediënten voor een vliegende start bij het op de agenda plaatsen en houden van (vermindering) van ziekteverzuim binnen gemeentelijke organisaties: samen beter!
Webinar
In een webinar op 6 september 2022 ging Vera Haanstra in gesprek met Fieke Horsten over de resultaten van het onderzoek. Kijk het webinar terug op YouTube.

Meer informatie?
Neem contact op met Vera of Bjørn. Lees ook de nieuwsberichten van het A&O-fonds Gemeenten van de WSGO en van de VNG. Zie voor het eindrapport onderstaande link.
Krappe woningmarkt is belemmering voor werving leraren, politie en zorgpersoneel
In verschillende publieke sectoren is al voor een langere periode sprake van personeelstekorten, met alle gevolgen van dien. Onlangs werd het Witboek ‘Over de problemen en oplossingen van medewerkers in de publieke sector’1 gepubliceerd, waarin dit probleem anekdotisch werd geschetst. Overvolle klassen in het onderwijs, politie en defensie die hun veiligheidstaken niet goed meer kunnen uitvoeren en fysieke en mentale gezondheidsklachten zijn een direct gevolg van de tekorten. Recent werd duidelijk dat een deel van de basisscholen in Amsterdam zelfs (gedeeltelijk) dreigt te sluiten komend schooljaar omdat er onvoldoende personeel beschikbaar is.
Hoewel de personeelstekorten een landelijk probleem zijn, kampen de grote steden met de meeste tekorten. Zo zijn de lerarentekorten het grootst in Amsterdam (12,5 procent), Rotterdam (12,7 procent), Den Haag (14,9 procent) en Almere (14,6 procent). Dit geldt ook voor andere publieke sectoren, zoals politie en (jeugd)zorg. De grote steden zien personeel trekken naar de randgemeenten. Dat roept de vraag op wat hiervan de oorzaak is. Wat maakt het minder aantrekkelijk om te werken in deze grote steden?
Uit onze diverse onderzoeken blijkt dat één van de oorzaken ligt bij de woningmarkt. Landelijk is er sprake van krapte op de woningmarkt: de huizenprijzen van koopwoningen stijgen als jaren op rij en ook de wachttijden voor sociale huurwoningen stijgen. Ook hierbij geldt dat de krapte nog sterker speelt in de grote steden. Zo betaal je in Amsterdam voor een koopwoning gemiddeld € 6.658 per vierkante meter en moeten inwoners gemiddeld dertien jaar wachten op een sociale huurwoning. Steeds meer mensen trekken weg uit de steden omdat ze hier geen betaalbare woning kunnen vinden, zo ook mogelijk personeel voor de publieke sector.
Woningmarkt, reistijd en bereikbaarheid
Uit onze onderzoeken onder Amsterdamse leerkrachten3, politieagenten4 en personeel in de (jeugd)zorg en kinderopvang5 blijkt dat de woningmarkt, naast salaris en tevredenheid over de werkomgeving, een belangrijke factor is in de overweging om wel of niet in Amsterdam te willen (blijven) werken. Voor politie en leerkrachten geldt dat 40% de woningmarkt als een (sterk) belemmerende factor ervaart bij het solliciteren op een functie in Amsterdam, voor personeel in de zorg is dat 30% en in de jeugdzorg en kinderopvang ongeveer 20%. Ook de reistijd en bereikbaarheid van de werkplek zijn belangrijke factoren in het willen (blijven) werken in Amsterdam. Voor leerkrachten, politieagenten en medewerkers in de jeugdzorg en kinderopvang die wel in Amsterdam willen werken, maar niet in Amsterdam willen wonen, is goede bereikbaarheid naar hun werk belangrijk om uitstroom naar banen elders te voorkomen.
Rol gemeente
Om potentiële uitval te voorkomen, zouden gemeentes enerzijds een rol kunnen nemen in het beschikbaar maken van huurwoningen voor medewerkers. In de gemeente Amsterdam geldt al een dergelijke regeling voor leerkrachten en zorgpersoneel: zij krijgen voorrang op sociale – en middeldure huurwoningen. Op dit moment ligt er, naar aanleiding van ons onderzoek ‘woon en werkoverwegingen politie Amsterdam’, een voorstel van het college van B&W om ook politieagenten voorrang te geven op een woning. Ook andere gemeenten werken met dergelijke regelingen. Uit ons onderzoek blijkt dat niet alleen het beschikbaar stellen van huurwoningen een bijdrage kan leveren aan het personeelstekort, maar ook het verbeteren van de parkeermogelijkheden. Samen met andere investeringen, zoals een hoger salaris en het vergroten van de zij-instroom, kan worden bijgedragen aan werving en behoud van personeel. Dat is belangrijk om ervoor te zorgen dat de publieke sector zijn werk goed kan blijven doen.
[1] Hoffer, J. & Debie, J. (2021). Witboek. Over de problemen en oplossingen van de medewerkers in de publieke sector. Utrecht: ACOP FNV.
[2] Van der Aa, E. & Hielkema, D. (2021). Lerarentekort: Amsterdams scholen dreigen na de vakantie niet meer open te kunnen. Amsterdam: Het Parool.
[3] Groot, J., Leemans, A., Lubberman, J., & Rossing, H. (2018). Een eigen huis.. Een onderzoek naar de relatie tussen de Amsterdamse woningmarkt en het lerarentekort. Amsterdam: Regioplan.
[4] Bijman, D. & Lubberman, J. (2020). Woon – en werkoverwegingen politie Amsterdam. Een onderzoek naar de invloed van de Amsterdamse woningmarkt op de in – en uitstroom van politiemedewerkers. Amsterdam: Regioplan.
[5] Groot, J., Rossing, H., & Lubberman, J. (2018). Woon – en werkoverwegingen kinderopvang en (jeugd)zorg. Onderzoek naar de Amsterdamse woningmarkt en tekorten in kinderopvang, zorg en jeugdzorg. Amsterdam: Regioplan.
Aanzienlijke verschillen in behoefte en invulling zij-instroom po, vo en mbo
Het ministerie van OCW heeft een groot kwalitatief evaluatieonderzoek laten uitvoeren naar zij-instroom in het lerarenberoep. De resultaten worden gebruikt om de routes voor mensen die vanuit een andere studie of beroepsloopbaan willen overstappen naar een lerarenbaan verder te verbeteren en te moderniseren.
Het onderzoek dat we samen met ECBO uitvoerden richtte zich op drie groepen zij-instromers:
- zij-instromers die een verkorte of flexibele deeltijdopleiding volgen aan een lerarenopleiding;
- zij-instromers die via het leren en werken-traject Zij-instroom in het Beroep een bevoegdheid halen om als docent les te geven in het po, vo en mbo (ZiB’ers); en
- zij-instromers die via datzelfde traject een pedagogisch-didactisch getuigschrift (PDG) halen om (praktijkvak)docent in het mbo te worden (PDG’ers).
Duidelijk is dat er bij de scholen in zowel po, vo als mbo behoefte is aan zij-instromers, maar ook dat de omvang en de achtergrond van die behoefte verschilt tussen de sectoren. In het mbo is die behoefte door de aard van de sector structureel. In het po is die behoefte sterk gestegen vanwege de lerarentekorten. In het vo is de behoefte relatief gezien lager. Het is echter de vraag hoe bestendig met name de vraag naar ZiB’ers in sectoren po en vo blijft als tekorten verdwijnen. Schoolbesturen geven namelijk aan dat zij een voorkeur hebben voor regulier opgeleide leraren.
In het rapport gaan we per sector in op de verschillen in de routes voor zij-stromers, op de motieven van zij-instromers en scholen om met elkaar in zee te gaan, de succesfactoren en belemmeringen in de verschillende fases van de trajecten en de redenen voor uitval. Ook gaan we in op het effect van de toename van zij-instroom op de opleidingen en scholen en op de kwaliteit van het onderwijs.
De vraag in hoeverre het wenselijk is dat Zij-instroom in het Beroep meer onderdeel wordt van de reguliere opleiding is sterk sectorafhankelijk. Met name voor het PDG-traject in het mbo bestaat een sterke behoefte om de huidige situatie te laten zoals die is. In ons onderzoek zien met name de betrokken lerarenopleidingen mogelijkheden om ZiB-trajecten en verkorte en flexibele deeltijdopleidingen meer bij elkaar te brengen. Het uitgangspunt daarbij is meer aandacht voor wat de zij-instromer al kan (assessment) en een passender, op maat gesneden, opleidingsaanbod.
Meer weten? Lees het onderzoeksrapport of neem contact op met Bjørn Dekker.
Zij-instroom in het po, vo en mbo
Het ministerie van OCW heeft een groot kwalitatief evaluatieonderzoek laten uitvoeren naar zij-instroom in het lerarenberoep. De resultaten worden gebruikt om de routes voor mensen die vanuit een andere studie of beroepsloopbaan willen overstappen naar een lerarenbaan verder te verbeteren en te moderniseren.
Deze kwalitatieve evaluatie had niet alleen betrekking op het traject Zij-instroom in het Beroep, waarvoor een speciale subsidieregeling beschikbaar is, maar ook op andere zij-instroomtrajecten , zoals verkorte en flexibele deeltijdopleidingen.
In de uitvoering van dit onderzoek werkten we samen met ECBO. Gezamenlijk hebben we een desk-research uitgevoerd en in totaal ruim 120 mensen gesproken over zij-instroom. Uit de gesprekken hebben we vanuit verschillende perspectieven (de zij-instromer, de schoolbesturen en de lerarenopleidingen) een beeld gekregen van motieven, ervaringen, ontwikkelingen en van dingen die goed lopen en die beter kunnen. Het rapport geeft inzicht in alle fases van het traject en in de verschillen die er zijn tussen de verschillende sectoren po, vo en mbo.
Werkt u bij een gemeente aan prostitutiebeleid? Vul dan deze enquête in!
In opdracht van het WODC doet Regioplan momenteel onderzoek naar de Nederlandse seksbranche. Dit onderzoek richt zich op de aard en omvang van de seksbranche, het gemeentelijk beleid en op de organisatie en resultaten van toezicht en handhaving. Het onderzoek dient mede als nulmeting voor de komende, mogelijke Wet regulering sekswerk.
Een cruciaal onderdeel van het onderzoek is een online enquête onder alle gemeenten in Nederland. De inbreng van gemeenten is onmisbaar om zicht te houden op de seksbranche en effecten van toekomstige wetgeving te achterhalen. Houdt u zich binnen uw gemeente bezig met prostitutiebeleid? Klik dan op de onderstaande link en vul de enquête in.
U kunt de enquête hier vinden.
Alvast vriendelijk dank voor uw medewerking. We waarderen het zeer als u de enquête deelt binnen uw relevante netwerk. De enquête is tot 30 september in te vullen.
Heeft u vragen of opmerkingen over deze enquête?
Twijfel dan niet om contact op te nemen met onderzoeker Gianni van den Braak via gianni.van.den.braak@regioplan.nl of +31 20 531 5336. Bij afwezigheid van Gianni van den Braak kunt u contact opnemen met projectleider Yannick Bleeker (yannick.bleeker@regioplan.nl).
Hoe staat het ervoor met het programma ‘Een nieuw bestaan, een nieuwe baan’?
Met het programma ‘Een nieuw bestaan, een nieuwe baan’ subsidieert Instituut Gak projecten gericht op de arbeidsmarktparticipatie van statushouders. In de tussenrapportage bespreken we de opbrengsten van de eerste 8 afgeronde projecten. Ook bespreken we welke elementen uit de aanpak volgens deelnemers, projectmedewerkers en werkgevers bijdragen aan het vinden van werk of een opleiding.
Stappen gezet richting werk
Een op de drie deelnemers is na het project uitgestroomd naar betaald werk, een opleiding of een andere vorm van (onbetaald) werk. Bij deelnemers die nog niet werken of een opleiding volgen zijn vaak wel stappen in de goede richting te zien. Zo hebben zij hun persoonlijk kapitaal uitgebreid door hun sociale netwerk uit te breiden, hun taalvaardigheid te verbeteren, culturele werknemersvaardigheden te leren of vakspecifieke kennis op te doen. Ook hebben deelnemers vaak meer zelfvertrouwen gekregen door het project en weten zij beter wat zij willen en kunnen. Tenslotte is in veel projecten aandacht besteed aan de Nederlandse arbeidsmarkt en solliciteren, waardoor deelnemers beter zijn in werk zoeken en solliciteren.
Vooral aandacht voor aanbodzijde
Opvallend is dat in de projecten vooral aandacht wordt besteed aan de aanbodzijde door de kennis en vaardigheden van statushouders te verbeteren. De vraagzijde blijft nog onderbelicht. Veel projecten bieden nazorg om de werkgevers en statushouders te begeleiden in de eerste periode. Daarnaast is het belangrijk dat werkgevers tijd willen investeren in het inwerken van een statushouder en collega’s realiseren dat het soms ook aanpassing van hun kant vergt. Om vraag en aanbod samen te brengen lijkt intensieve bemiddeling tussen werkgever en statushouder het meest succesvol.
Meer informatie?
Lees het tussenrapport of neem contact op met Jeanine Klaver.
Duaal inburgeren: hoe kunnen leren en participeren elkaar versterken?
Op 1 januari 2022 wordt de Nieuwe Wet inburgering ingevoerd. In de aanloop hiernaar doen gemeenten alvast ervaring op met elementen uit de nieuwe inburgeringswet, door middel van pilots rondom zes thema’s. Een van de pilotthema’s is duale trajecten, waarbinnen taalverwerving wordt gecombineerd met toeleiding naar participatie. Wij voeren in opdracht van het Ministerie van SZW voor deze pilot een procesevaluatie uit.
Ervaringen van betrokkenen
Pilotgemeenten, inburgeraars en werkgevers zijn over het algemeen positief over de duale trajecten. Inburgeraars vinden het prettig om praktijkgericht taalonderwijs te krijgen, zeker wanneer zij analfabeet of moeilijk leerbaar zijn. Ook geven zij aan veel over de Nederlandse werkcultuur te leren. Werkgevers zijn vaak ook positief over inburgeraars, met name over hun motivatie. Wel merken zij dat zij veel moeten investeren om de statushouder goed te laten landen. Taalniveau blijft een uitdaging en wanneer dit niet voldoende ontwikkelt kan het een reden zijn om een statushouder geen contract aan te bieden.
Inrichting van de duale trajecten
In de negen pilots wordt op verschillende manieren vormgegeven aan de duale trajecten. Wat het beste werkt, hangt af van de context. De belangrijkste keuzes die gemeenten hierin maken zijn:
1. Leg je de regie bij de gemeente of een externe partij gelegd?
2. Kies je voor een groepsgewijze of individuele aanpak?
3. In hoeverre integreer je taalonderwijs en participatie?
4. Hoe stimuleer je praktische taalvaardigheid?
5. Op welke vormen van participatie zet je in en wanneer?
6. Steek je de matching met een participatieplaats aanbod- of vraaggericht in?
In ons rapport is te lezen hoe de negen pilotgemeenten deze punten hebben aangepakt en welke lessen daaruit te trekken zijn voor andere gemeenten.
Meer informatie? Neem contact op met Jeanine Klaver.
Met alles opnieuw starten: procesevaluatie van het programma Stichting Nieuw Thuis Rotterdam
Het SNTR-programma
Stichting Nieuw Thuis Rotterdam (SNTR) is in 2016 opgericht door Stichting de Verre Bergen om tweehonderd Syrische vluchtelingengezinnen te helpen om snel te integreren in de Rotterdamse samenleving. Daartoe biedt SNTR de deelnemende gezinnen een huurwoning en een intensief integratieprogramma, bestaande uit maatschappelijke begeleiding, taallessen en loopbaanbegeleiding. Het SNTR-programma is daarmee uniek in zijn soort. Deelnemers krijgen bijvoorbeeld vier dagdelen per week taalles en worden regelmatig thuis bezocht voor hulp met praktische zaken en het vergroten van de zelfredzaamheid. De ambitie is dat de gezinnen zo beter de Nederlandse taal leren, zelfredzamer worden en zich thuis gaan voelen in Rotterdam.
Onderzoek: het BRIDGE-project
De Erasmus Universiteit voerde in opdracht van Stichting De Verre Bergen een meerjarig onderzoek uit naar de werking en effectiviteit van het SNTR-programma. Dit zogenoemde BRIDGE-project omvat meerdere onderzoeken, te weten een procesevaluatie, een monitor van de uitkomsten, een effectevaluatie en een onderzoek naar de kinderen en jongeren van het SNTR-programma. De procesevaluatie is in samenwerking uitgevoerd door Regioplan en de EUR.
De procesevaluatie
Het doel van de procesevaluatie is te laten zien in hoeverre de SNTR-aanpak in de praktijk zo wordt uitgevoerd als beoogd en op welke wijze dit volgens de betrokkenen bijdraagt aan de beoogde doelen. Hiertoe zijn in 2019 onder meer interviews gevoerd met uitvoerders en deelnemers en zijn huisbezoeken en coachingsgesprekken geobserveerd. De resultaten zijn beschreven in een rapport genaamd ‘Alles onder één dak: De uitvoering van het SNTR-programma voor Rotterdamse statushouders in beeld’.
In 2020 is er een vervolg op de procesevaluatie uitgevoerd, waarin een nieuwe ronde interviews is gedaan langs de betrokken uitvoerders en samenwerkingspartners. Het voornaamste doel hiervan was om recente ontwikkelingen in het SNTR-programma sinds 2019 in kaart te brengen. Daarnaast is naar enkele thema’s verdiepend onderzoek gedaan, en is extra aandacht besteed aan de rol van de context op de uitvoering en ervaren bijdrage van het SNTR-programma. De bevindingen hiervan zijn samen met die uit de andere deelonderzoeken uit het BRIDGE-project verwerkt in de overkoepelende eindrapportage, genaamd ‘Met alles opnieuw starten‘.
Bevindingen procesevaluatie
Kijkend naar de verschillende onderdelen van het SNTR-programma, zien we dat de maatschappelijke begeleiding statushouders intensief ondersteunt bij het nemen van allerlei bureaucratische hobbels en bijdraagt aan het oplossen van veel praktische problemen (‘brandjes blussen’). Tegelijkertijd constateren we dat het mede hierdoor niet altijd lukt om systematisch te werken aan de zelfredzaamheid van de deelnemers. Verder zien we dat deelnemers gemotiveerd en begeleid worden om zich te oriënteren op (een vorm van) werk, en worden ondersteund bij het ontwikkelen van hun vaardigheden en zelfvertrouwen. Dit onderdeel van het programma kan nog beter worden uitgewerkt, onder andere door de samenwerking met de gemeente Rotterdam te versterken. De SNTR-aanpak kenmerkt zich tevens door een intensief taalprogramma. Voor sommige deelnemers draagt dit duidelijk bij aan een snellere taalverwerving, maar er zijn ook deelnemers voor wie het intensieve programma te snel gaat. Ook blijkt het taalprogramma moeilijk te combineren met (een vorm van) werk.
Overkoepelende bevindingen EUR Bridge project
De overkoepelende eindrapportage ‘Met alles opnieuw starten’ trekt op basis van de verschillende deelonderzoeken van het EUR Bridge project een algehele conclusie over de werking en de effectiviteit van het SNTR-programma. Centraal hierbij staat een effectmeting die is uitgevoerd op basis van een longitudinale panelsurvey, waarbij SNTR-deelnemers zijn vergeleken met een controlegroep van statushouders die door de gemeente zijn begeleid. De resultaten laten zien dat de SNTR-deelnemers op zowel taalverwerving, zelfredzaamheid als participatie niet significant beter scoren dan de vergelijkingsgroep. Hiervoor zijn meerdere potentiële verklaringen te geven. Zo kan de invloed van beleid beperkt zijn in verhouding tot andere factoren, en hebben weerbarstigheden in de uitvoering van het programma wellicht betere resultaten in de weg gestaan. Ook kan het zijn dat de effecten van het SNTR-programma pas op een later moment zichtbaar zullen worden. Daarom is een derde veldwerkronde van de survey afgenomen, waarover later gepubliceerd zal worden.
Meer informatie
Voor meer informatie over de procesevaluatie, neem contact op met Adriaan of Jeanine.
Voor meer informatie over het EUR Bridge project en het overkoepelende eindrapport ‘Met alles opnieuw starten’, neem contact op met Meta van der Linden of Jaco Dagevos.
Monitor en evaluatie versnelling en intensivering armoede- en schuldenaanpak
Met de versnelling en intensivering van de armoede- en schuldenaanpak wil het kabinet dat kwetsbare groepen die door de coronacrisis financieel (harder) zijn geraakt vroegtijdig, snel en adequaat geholpen worden om (een stapeling van) problemen te voorkomen. In het kader van deze aanpak wordt aan verschillende initiatieven subsidie verleend. De initiatieven beogen om bestaande en nieuwe groepen met armoede- en/of schuldenproblematiek zo vroeg mogelijk te vinden, te bereiken en te informeren, om de ondersteuning aan deze groepen laagdrempeliger en passender te maken en om gemeenten en uitvoeringsorganisaties bij de uitvoering van maatregelen te versterken.
Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat de versnelling en intensivering van de armoede- en schuldenaanpak zal worden gemonitord en geëvalueerd. Wij gaan hiermee aan de slag en zullen de komende twee jaar (tot en met eind 2022) de voortgang van de initiatieven in kaart brengen en onderzoeken in hoeverre de initiatieven hebben bijgedragen aan het behalen van de doelen van de aanpak. Behalve dat we effecten van de versnelling en intensivering inzichtelijk maken, dragen we er met de monitor en evaluatie ook aan bij dat tussentijds kan worden bijgestuurd en dat initiatieven van elkaar kunnen leren. Dit doen we samen met Roeland van Geuns, lector armoedeinterventies aan de Hogeschool van Amsterdam.
Communicatie loondoorbetaling bij ziekte
De afgelopen jaren zijn verschillende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat maximaal twee jaar loondoorbetaling bij ziekte zo veel mogelijk leidt tot werkhervatting van zieke werknemers. Deze maatregelen zijn erop gericht om de verplichtingen rondom loondoorbetaling bij ziekte makkelijker, goedkoper en duidelijker te maken.
Om ervoor te zorgen dat deze maatregelen het gewenste effect hebben, is communicatie over loondoorbetaling bij ziekte van essentieel belang zodat werkgevers, werknemers en andere betrokkenen weten welke verantwoordelijkheden zij wel en niet hebben wanneer een werknemer uitvalt wegens ziekte.
In dit onderzoek hebben we gesproken met werkgevers, werknemers en bedrijfsartsen. Op basis van hun ervaringen hebben we cruciale momenten, acties en bijbehorende behoeftes van betrokkenen in de twee jaar loondoorbetaling bij ziekte in kaart gebracht. Tot slot zijn deze behoeftes vertaald naar mogelijke communicatieactiviteiten.
Het onderzoek is uitgevoerd is samenwerking met Muzus in opdracht van het ministerie van SZW.