Werkveld: Jeugd
De leerling-leraarratio in het speciaal basisonderwijs
In 2018 lag in het speciaal basisonderwijs het gemiddelde aantal leerlingen per volletijds leraar op 9,4. Dat is een lichte stijging ten opzichte van 2017 toen de leerling-leraarratio nog 9,2 was. Deze ontwikkeling roept vragen op omdat we in het basisonderwijs juist een tegenovergestelde ontwikkeling zien. We spraken met vertegenwoordigers van sbo-scholen en samenwerkingsverbanden over de mogelijke oorzaken. Ook keken we nog eens naar de cijfers over leerlingaantallen en het aantal leraren in het sbo.
Huiselijk geweld blijkt hardnekkig: veel uitval na overdracht Veilig Thuis
Huiselijk geweld is moeilijk te doorbreken. In Flevoland onderzochten we oorzaken voor de hoge caseload van Veilig Thuis. Daarbij constateerden we hoge recidive en veel uitval uit trajecten. Belangrijke oorzaken liggen in de kwaliteit van hulp en in de toerusting van het lokaal veld.
Recidive en uitval uit hulpverleningstrajecten
In het onderzoek is een representatieve steekproef van 100 meldingen bij Veilig Thuis Flevoland (VTF) onderzocht. In bijna twee derde van die casussen was minstens één keer eerder al sprake van melding bij VTF; bij een kwart betrof het 3 tot 7 eerdere meldingen. Melding bij Veilig Thuis en het daarop volgende (hulpverlenings-)traject leiden in een groot deel van de gevallen dus niet tot duurzame veiligheid. In het onderzoek zelf is voor een periode van 12-15 maanden onderzocht of er sprake was van nieuw geweld; dat bleek in bijna een derde van de casussen het geval en in nog eens 11 procent van de casussen was sprake van nieuwe zorgen over de veiligheid. Daarmee vormt het gebrek aan effectiviteit van de aanpak die volgt op een melding een belangrijke oorzaak voor de hoge caseload bij Veilig Thuis, naast het bestaan van risicofactoren in de populatie. Dat gebrek aan effectiviteit is echter niet zozeer Veilig Thuis aan te rekenen, maar betreft het resultaat van het handelen in het hele netwerk van partijen die zich met de opvolging van Veilig Thuismeldingen bezig houden.
Het onderzoek laat zien dat het beter moet: de uitval uit hulp is onacceptabel hoog en partijen werken in de aanpak onvoldoende samen. Met elke nieuwe Veilig Thuismelding wordt de kans op succesvol ingrijpen kleiner en de volwassenen en kinderen die het betreft krijgen niet de hulp die ze nodig hebben.
Aanknopingspunten voor de aanpak
De aanpak van huiselijk geweld kan ook echt beter. Het onderzoek biedt daar een aantal duidelijke aanknopingspunten voor. Ten eerste bevordert voldoende capaciteit en expertise bij het lokaal veld vroegtijdig handelen op signalen en voorkomt een opwaartse druk naar Veilig Thuis. Ten tweede zien we dat de aanwezigheid van één integrale plek waaraan Veilig Thuis casussen kan overdragen de samenwerking tussen Veilig Thuis en het lokaal veld ten goede komt. Met een beter geïnformeerde beslissing over het vervolgtraject als gevolg. En tot slot valt er nog veel winst te behalen met duidelijke regie en een systeemgerichte aanpak in casuïstiek, zowel in het verminderen van uitval, als in het realiseren van duurzame veiligheid. In een tijd waarin sprake is van hoge druk op de capaciteit van het lokaal veld en van specialistische hulp is dat mogelijk een lastige boodschap. Maar het is er ook één die hoop biedt: lukt het om effectiever te handelen, dan is de winst op de caseload bij alle betrokken partijen namelijk aanzienlijk.
Lees voor meer informatie ons rapport of bekijk de infographic.
Maatschappelijke effecten Flevodrome
Het onderzoek naar Flevodrome moet meer zicht bieden op de maatschappelijke effecten van de voorziening en hoe deze effecten zich verhouden tot de kosten. We voeren daarom een maatschappelijke kosten-baten analyse uit, waarbij we niet alleen kijken naar baten die in geld uit te drukken zijn, maar ook naar immateriële baten. De uitkomsten van het onderzoek moeten het college en de gemeenteraad van Lelystad helpen in de besluitvorming over de inzet en financiering van Flevodrome in de toekomst. Het onderzoek wordt naar verwachting in de zomer van 2020 afgerond.
Samen het verschil maken voor jongeren met een ondersteuningsbehoefte!
Op donderdag 20 februari 2020 organiseerden Berenschot, Regioplan, Loopbaangroep-OU en De Normaalste Zaak de werktafel “Samen kansen creëren – inclusie versnellen voor jongeren met een ondersteuningsbehoefte op de arbeidsmarkt”. Hiermee beoogden zij kennis over effectieve begeleiding van jongeren met een beperking richting werk praktisch bruikbaar te maken. En oplossingsrichtingen voor dit maatschappelijke vraagstuk een stap dichterbij te brengen.
Voor jongeren met een beperking is de overgang van school naar werk vaak lastig. Dit vormt niet alleen een probleem voor de jongeren zelf, die daardoor vaker op de bank komen te zitten, maar ook voor gemeenten en werkgevers. Voor de initiatiefnemers een goede reden om kennisdragers vanuit verschillende gremia aan elkaar te koppelen.
Hans van der Molen (directievoorzitter Berenschot) kon bij de start van een stevig programma ruim veertig ondernemers, onderwijsinstellingen en overheden welkom heten. Hij schetste kort de impact van onderwijs en arbeidstoeleiding op zijn carrière. “Alle jongeren verdienen begeleiding bij het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten.”
Regievraagstukken
Aansluitend betoogde Rick Brink, minister van Gehandicaptenzaken, dat hij streeft naar kansen voor alle jongeren, ook voor degenen die aanvullende ondersteuning nodig hebben. Dit blijkt in de praktijk echter een weerbarstig onderwerp. “Voor een succesvolle instroom is inspanning nodig van de praktijk en de politiek”, zo zei hij.
Miranda Witvliet (Regioplan) en Marinka Kuijpers (bijzonder hoogleraar OU en directeur Loopbaangroep) informeerden en inspireerden de deelnemers met een actueel college. Helder werd dat bij arbeidstoeleiding vaak regievraagstukken spelen: welke rol vervult de werkgever, de opleider, de ouders, de gemeente en, niet op de laatste plaats, de jongere zelf?
Urgentie
Tijdens de werktafel werd duidelijk hoe urgent concrete actie is. “Mijn 17-jarige zoon mag morgen op gesprek komen bij zijn zesde school, ik ben benieuwd of zij de nodige ondersteuning kunnen bieden zodat hij zijn opleiding kan afronden. Daarna zien we wel weer”, vertelt Margôt aan de zaal. Moeder Ingrid vult aan: “Ik heb twee ontzettend leuke kinderen thuis, maar ze hebben wel extra aandacht nodig. De opleiding biedt die mogelijkheid ook, daar hebben we hard voor gevochten, maar of dat ook het geval is wanneer mijn kinderen de arbeidsmarkt op gaan, is onduidelijk.” Kortom, niet alleen onderwijs, ondernemers en overheid hebben een rol, ook ouders staan voor de immense taak om hun kinderen een goede start te geven in de maatschappij.
Na een vegetarische maaltijd volgde de werksessie waarin het formuleren van praktische oplossingsrichtingen voor dit maatschappelijke vraagstuk centraal stond. Er was ruimschoots aandacht voor de wijze waarop ondernemers, onderwijsinstellingen en overheden elkaar kunnen versterken, om zo het verschil te maken voor de jongeren met een ondersteuningsbehoefte. In verschillende subgroepen werden de ideeën getoetst door ervaringsdeskundige moeders. “Gaat dit het verschil maken voor mijn kind?”
Vliegwiel
Een idee dat nader uitgewerkt gaat worden is een vliegwiel met werk als basis voor het ontdekken van de eigen kwaliteiten: wat vinden jongeren leuk en waar zijn ze goed in? De focus ligt daarbij op de rol van de jongeren (wat vinden zij nodig) en het aanleren van reflectieve vaardigheden en competenties die van nut kunnen zijn op de arbeidsmarkt. Door een brug te slaan naar onderwijs en zorg, met simpelweg aandacht, goed overleg en buiten de gebaande paden durven kijken, zou een pilot met dit plan voor jongeren een mooie stap kunnen zijn naar duurzame arbeid.
Al met al een geslaagde werktafel die vruchtbare invalshoeken en praktische oplossingsrichtingen heeft opgeleverd voor de ruim 10.000 jongeren per jaar die moeite hebben de weg naar de arbeidsmarkt te vinden. En het moment om samen het verschil te maken, zodat ook deze talenten instromen op de arbeidsmarkt.

Dit artikel is geschreven door Ingrid Beukman-Lubberts, projectleider “Inclusief Werken” bij Berenschot.
Omgangsregeling tussen ouders na scheiding
Ouders die gaan scheiden moeten een ouderschapsplan maken met afspraken over de zorgrechten en -plichten. Is het wenselijk dat er een wettelijk uitgangspunt komt die bepaald dat de zorgrechten en -plichten in beginsel gelijk tussen de ouders verdeeld zijn? Ouders, of zo nodig de rechter, staat het dan wel vrij om daar van af te wijken en tot een andere verdeling te komen. ChristenUnie-Kamerlid Van der Graaf heeft een motie met deze vraag ingediend. Wij hebben door middel van een literatuurstudie een antwoord op deze vraag gezocht.
Internationale literatuur
Op basis van een literatuurstudie hebben wij een inventarisatie gemaakt van de voor- en nadelen van een min of meer gelijke verdeling van zorgrechten en -plichten tussen beide ouders én dit in verband gebracht met het welbevinden van de betrokkenen binnen een scheidingsgezin. Ook hebben we gekeken naar onderzoeken die zijn uitgevoerd in Zweden, België en Australië, landen waar een gelijke verdeling van zorgrechten en -plichten al het prioritair model is (geweest).
Niet de beoogde effecten
Ons onderzoek leert dat de literatuur geen directe of indirecte argumenten levert voor de conclusie dat een wettelijk uitgangspunt zoals hierboven beschreven wenselijk zou zijn om de belangen van kinderen en ouders bij echtscheiding te dienen. Zo suggereert het empirische bewijs uit landen waar een gelijke verdeling wettelijk is ingevoerd dat aanpassing van de wetgeving niet de beoogde positieve gevolgen heeft.
Meer informatie?
Neem contact op met Sanne.
Kansrijk leren kiezen voor een goede toekomst
In het Nationaal programma Rotterdam-Zuid (NPRZ) werken professionele partners samen met de bewoners van Rotterdam-Zuid aan een gezond toekomstperspectief voor Rotterdam-Zuid. Voor de onderwijscomponent van het NPRZ is in 2016 het driejarige project BRIDGE gestart. BRIDGE is gericht op het bevorderen van de arbeidsmarktkansen van schoolverlaters in Rotterdam-Zuid. Het programma omvat twintig interventies voor loopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB), waaronder de AanDeBak-garanties. Daarnaast is er aandacht voor ouderbetrokkenheid en professionalisering van leerkrachten.
In de periode 2017-2019 hebben wij samen met prof. dr. Marinka Kuijpers onderzoek gedaan naar de inzet van LOB op de scholen voor po, vo en mbo in Rotterdam-Zuid, naar de uitvoeringspraktijk van LOB op de scholen en naar de ervaren opbrengsten. Uit het onderzoek komt het belang naar voren van het ontwikkelen van loopbaancompetenties. Het onderzoek geeft handvatten om, ook in de toekomst, de doelstellingen van BRIDGE te kunnen behalen. Het gezamenlijk optrekken van het NPRZ met de scholen is daarbij belangrijk om de beoogde impact te maken: jongeren van Rotterdam-Zuid een goed toekomstperspectief bieden.
Meer informatie over het NPRZ en het uitvoeringsplan voor 2019-2022 vindt u op de website van NPRZ.
Bent u benieuwd naar de resultaten van het onderzoek? Meer informatie treft u hier of neem contact op met Miranda.
Belang van een goede alliantie binnen zorg voor jeugd
Een goede alliantie is belangrijk voor positieve hulpverleningsresultaten binnen de zorg voor jeugd. Aandacht voor de alliantie, en (cliënt- en professional) factoren die daarmee samenhangen, is nodig bij alle partijen in het jeugddomein om de kans op positieve hulpverleningsresultaten te vergroten. Dat blijkt uit de bundeling van kennis uit de projecten onder het ZonMw programma ‘Effectief werken in de jeugdsector: Algemeen werkzame factoren’.
Met het ZonMw programma ‘Effectief werken in de jeugdsector: Algemeen werkzame factoren’ wordt inzicht verkregen in wat werkt in de jeugdsector waarom, voor wie, wanneer en onder welke condities. Ons onderzoek naar het verband tussen de werkalliantie en de motivatie voor begeleiding bij jongeren met een lvb is onderdeel van dat programma.
In dat onderzoek keken we of de motivatie voor begeleiding samenhangt met de relatie die jongeren met een lvb hebben met hun begeleider. Veel jongeren met een licht verstandelijke beperking (lvb) ontvangen langdurige begeleiding bij het dagelijks functioneren. Motivatie voor begeleiding is een belangrijke factor voor het succes daarvan.
De bundeling van projectresultaten heeft geleid tot een rapportage, een factsheet voor cliënten en hulpverleners en een animatievideo. Het doel hiervan is om zicht te krijgen op wenselijke vervolgstappen in het werkveld, onderwijs, beleid en vervolgonderzoek.
Meer informatie?
Ons onderzoek dat deel uitmaakt van het ZonMw programma ‘Effectief werken in de jeugdsector: Algemeen werkzame factoren’ vindt u hier. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Miranda.
Kwetsbare groepen en hun incassoproblematiek
Kwetsbare groepen als zwerfjongeren kampen met grote problemen. Ze hebben vrijwel allemaal schulden, ook bij overheidsorganisaties. Rigide incassoprocedures verergerden tot voor kort de problemen meer dan dat zij deze oplosten. Met de Brede Schuldenaanpak en de Rijksincassovisie komt daarin verandering maar vooralsnog zijn er ook nog knelpunten.
Over het onderzoek naar zwerfjongeren en andere kwetsbare groepen en hun incassoproblematiek bij de overheid, schreven we een artikel in het online tijdschrift Sociaal Bestek. Lees het artikel Onderzoek naar maatwerk bij schulden van zwerfjongeren hier.
Impactmonitor Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht
Overgewicht onder kinderen en jongeren neemt toe. Zo ook in Amsterdam. In 2012 startte de gemeente Amsterdam daarom met de Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht (AAGG). Het uiteindelijk streven van het programma is dat alle Amsterdamse kinderen op gezond gewicht zijn in 2033. De AAGG wil graag meer zicht op het (mogelijke) succes van het programma en handvatten voor de verdere inrichting van de aanpak. Wij helpen de AAGG daarom bij het ontwikkelen van een impactmonitor.
Maatwerk en flexibiliteit vereist bij ondersteunen thuiszitters
De laatste jaren hebben de partners van het Thuiszitterspact en betrokken partijen de nodige inspanningen geleverd om tot een betere thuiszittersaanpak te komen. Dit zien we onder meer terug in het belang dat de partijen hechten aan dit thema en het gegeven dat het terugdringen van het aantal thuiszitters hoog op de agenda staat. Echter, stijging of daling van het aantal thuiszittende jongeren is niet zonder meer een succes- of faalfactor.
De (toegenomen) aandacht heeft onder meer geleid tot beter inzicht in het aantal thuiszitters en het met lokale partijen samen zoeken naar oplossingen voor thuiszittende jongeren. Hierin zit wel iets ‘dubbels’. Zo heeft het betere inzicht enerzijds bijgedragen aan meer geregistreerde thuiszitters en daarmee discussie over passend onderwijs, terwijl er anderzijds meer aandacht is gekomen voor thuiszittende leerlingen en het zoeken van een oplossing voor deze groep. Stijging of daling van het aantal thuiszittende jongeren is dan ook niet zonder meer een succes- of faalfactor.
In opdracht van de partners van het pact hebben wij onderzocht wat er aan landelijke ondersteuning geboden kan worden om het aantal thuiszitters terug te dringen en om de ambities van het Thuiszitterspact sneller te realiseren. Op basis van secundaire analyses van duo-data, web-enquêtes, groepsinterviews en een afsluitende interactieve sessie met vertegenwoordigers van gemeenten, zorg, onderwijs en ouders concluderen we dat het realiseren van een passend aanbod vaak (nog) een langere doorlooptijd dan drie maanden vraagt. Ook zien we dat de factoren die realisatie van een passend aanbod belemmeren dan wel bevorderen zeer divers zijn en samenhangen met de individuele en lokale situatie. Verder blijkt dat het voor betrokken partijen nog lastig is om gemaakte afspraken (in de sluitende aanpak) in de praktijk te brengen. Dit komt onder meer door diversiteit in de werkwijze en verantwoordelijkheden van de verschillende werkterreinen (onderwijs, gemeenten en zorg).
Aanbevelingen
Oplossingen voor een deel van de groep vereisen een hoge(re) mate van maatwerk en flexibiliteit. Een duurzame oplossing binnen drie maanden is niet altijd mogelijk. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang er vanaf het ontstaan van de (dreigende) thuiszitsituatie gewerkt wordt aan een oplossing en er op korte termijn zicht is op een oplossing. We bevelen de partners in het Thuiszitterspact aan zich het komende jaar te richten op:
- kind echt centraal zetten (wat verstaan we daaronder, wat mogen betrokkenen verwachten?);
- deskundigheidsbevordering en kennisuitwisseling (versterken van kennis over wet- en regelgeving, uitwisselen praktijkervaringen);
- elkaars taal spreken (meer uitwisseling tussen betrokken partijen en eenduidige communicatie);
- regelen van betrokken medewerkers met mandaat (zodat betrokken medewerkers daadwerkelijk beslissingen kunnen nemen);
- focus op preventie (vroegtijdige signalering door beter in beeld krijgen van en handelen op geoorloofd verzuim, vinger aan de pols houden);
- regio-indeling kritisch bekijken (regionale verantwoordelijkheid voor thuiszitters verhelderen).
Onze adviezen zijn verwerkt in een impulsagenda en in de acties die op dit moment reeds lopen.
Meer informatie?
Meer informatie over de uitkomsten van het onderzoek en onze aanpak zijn te lezen in ons onderzoeksrapport. Heeft u nog vragen? Neem contact op met Jos Lubberman.