De arbeidsmarkt van het sociaal domein

De arbeidsmarkt van het sociaal domein heeft de afgelopen jaren te maken gehad met grote veranderingen in de manier waarop het sociaal domein is georganiseerd. We onderzochten, samen met onze zusterorganisatie Cebeon, welke gevolgen deze veranderingen hebben gehad.

Hierbij beantwoordden we de volgende drie onderzoeksvragen:

  1. Hoe heeft het sociaal domein zich de afgelopen jaren ontwikkeld?
  2. Hoe ziet het sociaal domein er nu uit?
  3. Wat zijn de gevolgen van de verschillende inrichtingsvormen voor de arbeidsmarkt?

Het rapport en een samenvattende factsheet vindt u op de website van het AZW-programma.

AZW rapport ‘De arbeidsmarkt van het sociaal domein’ openbaar

De arbeidsmarkt van het sociaal domein heeft de afgelopen jaren te maken gehad met grote veranderingen in de manier waarop het sociaal domein is georganiseerd. We onderzochten, samen met onze zusterorganisatie Cebeon, welke gevolgen deze veranderingen hebben gehad.

Hierbij beantwoordden we de volgende drie onderzoeksvragen:

  1. Hoe heeft het sociaal domein zich de afgelopen jaren ontwikkeld?
  2. Hoe ziet het sociaal domein er nu uit?
  3. Wat zijn de gevolgen van de verschillende inrichtingsvormen voor de arbeidsmarkt?

In het onderstaande filmpje licht projectleider Jos Mevissen de uitkomsten van het onderzoek toe.

Het rapport en een samenvattende factsheet vindt u op de website van het AZW-programma. De komende weken publiceren we in een drieluik op onze website de antwoorden van de centrale onderzoeksvragen, welke uiteraard ook te lezen zijn in het rapport (eerste hoofdstuk).

TedxSalon Sekswerk en Stigma

Sekswerk en prostitutiebeleid staat de laatste tijd nadrukkelijk in de publieke aandacht. Politici en deskundigen buitelen over elkaar heen om te vertellen hoe het beter kan. In de discussie gaat het echter bijna uitsluitend over misstanden in de seksbranche. Dat is jammer. Want ook normalisering en destigmatisering zouden een belangrijke rol kunnen spelen van het verbeteren van de positie van sekswerkers in Nederland. Om zelf een steentje bij te dragen organiseren we op 31 oktober een avond over sekswerk en stigma. Wat is stigma? Welke impact heeft stigma op het dagelijks leven van sekswerkers? Deze avond zijn sekswerkers zelf aan het woord. Ze vertellen hun eigen verhaal.

31 oktober 2019
19.30 uur
Pay as you like
Met muziek van Teake Damstra
Reserveren kan via de website van Pakhuis de Zwijger

TedXSalon Sekswerk en Stigma Pakhuis de Zwijger

ESF subsidie: de sturende rol van verantwoordingseisen

Met behulp van Europese subsidie ESF Actieve Inclusie helpen gemeenten, scholen, UWV en het ministerie van JenV personen met een afstand tot de arbeidsmarkt naar werk. Uit onze evaluatie komt naar voren dat de precieze inzet van de subsidie sterk afhankelijk is van eisen omtrent administratie en verantwoording.

ESF Actieve Inclusie

Regioplan voert jaarlijks een verdiepend onderzoek uit naar de inhoud en effecten van de subsidieregeling. De huidige ESF-periode, die liep van 2014 tot 2020, is bijna ten einde. Achter de schermen wordt inmiddels gewerkt aan een nieuwe regeling ‘ESF-plus’ vanaf 2021. Daarom heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ons gevraagd om in ons meest recente onderzoek nader te kijken naar de samenhang tussen administratie en verantwoording en de uitgevoerde activiteiten.

De sturende rol van verantwoordingseisen

Aanvragers van ESF-subsidie moeten hun activiteiten zorgvuldig registreren en verantwoorden richting het ministerie . Het onderzoek laat zien dat deze verantwoordingseisen een grote rol spelen in hun keuze voor welke activiteiten zij financieren met ESF. Aanvragers kiezen hun activiteiten zodanig dat de administratieve lasten en eventuele risico’s op correcties minimaal blijven. Met het oog op de volgende ESF periode zijn meerdere suggesties gedaan voor vereenvoudiging van de verantwoordingseisen.

Beoogde resultaten grotendeels behaald

Verder laat ons meest recente onderzoek zien dat er mede met behulp van ESF-subsidie meer leerlingen van vso- en pro-scholen werk hebben gevonden dan werd verwacht. Ook voor jongeren in civiel- en strafrechtelijke instellingen is het beoogde doel ruimschoots behaald. Alleen voor (ex)gedetineerden geldt dat zij nog niet vaak genoeg de weg naar werk weten te vinden, ondanks inspanningen vanuit ESF.

Meer informatie evaluatie ESF Actieve Inclusie

Het recent verschenen vierde verdiepende onderzoek is hier te vinden. Meer informatie over de evaluatie van ESF Actieve Inclusie? Neem contact op met Adriaan Oostveen.

VIA-pilot Spoor

In een van de VIA-pilots is geëxperimenteerd met het werken in co-creatie . De pilot richt zich op de re-integratie van statushouders in de spoorsector en op het leren werken in co-creatie. De evaluatie leert dat het werken in co-creatie ontegenzeggelijk sterke punten kent – denk aan draagvlak en netwerkvorming – maar ook grote afbreukrisico’s kent. De belangrijkste lessen: onderschat niet de moeilijkheidsgraad van deze werkvorm, manage de verwachtingen van de deelnemers en misschien wel vooral: regel vooraf de regie en beleg die bij een individuele (en sterke) partij en niet bij een collectief van partijen.

Vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is in 2018 het programma ‘Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt’ (VIA) gestart. Het VIA-programma is gericht op het versterken van de arbeidsmarktpositie van niet-westerse migranten, waaronder statushouders, en Nederlanders met een migratieachtergrond door het achterhalen van werkzame elementen in de arbeidsre-integratie van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond.

VIA bestaat uit acht thema’s, waarvan ‘Leren en Werken’ er één is. Hierbinnen valt ook de pilot ‘Duurzame arbeidsmarkt op de rails’ van een aantal werkgevers in de sector Spoor. Het doel van deze pilot is om leer-werkplekken (verder: werkplekken) te bieden aan dertig statushouders, om hen duurzaam te laten uitstromen in de spoorsector. Wat bijzonder is aan deze pilot dat is dat de werkplekken moeten ontstaan door een samenwerking in co-creatie tussen bedrijven in de spoorsector en gemeenten. Het proces van co-creatie wordt ondersteund door een bureau voor procesbegeleiding, dat onder meer verkennende gesprekken voert, een projectplan opstelt, kennisdeling stimuleert, bijeenkomsten organiseert en faciliteert en het proces monitort. Centraal in het projectplan staat dat de gemeenten en werkgevers het proces zo veel mogelijk samen vormgeven en uit de opgedane ervaringen lessen trekken, die in de toekomst door andere partijen gebruikt kunnen worden.

Het onderzoek is gebaseerd op een literatuurstudie over co-creatie, observaties van pilotbijeenkomsten, interviews met pilotdeelnemers (gemeenten, werkgevers en overige betrokken partijen), interviews met klantmanagers van gemeenten en met statushouders. Het onderzoek richt zich vooral op het optekenen van ervaringen met het werken in co-creatie en de lessen die daaruit te trekken zijn.

Meer informatie? Over het onderzoek is een artikel verschenen in Sociaal Bestek. Neem voor meer informatie over het onderzoek contact op met Bob.

Dragen duale trajecten bij aan effectieve inburgering van statushouders?

Vooruitlopend op de nieuwe inburgeringswet ontwikkelen gemeenten binnen pilots duale trajecten voor statushouders waarin zij parallel de taal leren en aan het werk gaan. Wij zullen deze pilot evalueren in opdracht van het ministerie van SZW.

Nieuwe inburgeringswet

Momenteel bereidt het Ministerie van SZW een wetsvoorstel voor waarin een nieuw inburgeringsstelsel wordt vormgegeven. De nieuwe wet zal op 1 januari 2021 ingaan. Vooruitlopend hierop wordt met een aantal onderdelen uit de wet alvast praktijkervaring opgedaan aan de hand van pilots. Zo wordt waardevolle informatie verkregen en ervaring opgedaan ten behoeve van de voorbereidingen op de inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringsstelsel.

Pilot duale trajecten

Op zes thema’s worden pilots ontwikkeld. Een van de zes pilotthema’s is het thema duale trajecten, waarbinnen taalverwerving wordt gecombineerd met toeleiding naar participatie. Bekend is namelijk dat inburgeraars het snelst volwaardig meedoen in de Nederlandse maatschappij als zij zo vroeg mogelijk worden geactiveerd en de taal leren op een zo hoog mogelijk niveau. Inburgeraars die de Nederlandse taal in een maatschappelijke context toepassen, zullen deze taal sneller leren. En doordat deze inburgeraars al vanaf het begin maatschappelijk actief zijn, hebben ze een grotere kans om een betaalde baan te verwerven. Voor de inrichting van een inburgeringstraject betekent dit dat werken en leren in combinatie moet worden aangeboden, dat een dergelijk traject snel moet beginnen en dat daarbij sprake moet zijn van maatwerk.

Procesevaluatie

De pilots Duale trajecten worden door ons onderzocht middels een procesevaluatie. Hierin beschrijven we de inrichting en werkwijze van de pilots en brengen we de werkzame elementen en knelpunten in kaart. Ook monitoren we de kwantitatieve uitkomsten. Een tussenrapportage is voorzien voor februari 2020 en de eindrapportage volgt in september 2020. Daarnaast ontwikkelen we een handreiking voor gemeenten met daarin concrete lessen voor gemeenten om duale trajecten in te bedden in hun beleid. Dit onderzoek voeren we uit in opdracht van het Ministerie van SZW.

 

Meer weten over onze evaluatie van de Pilot Duale Trajecten voor Statushouders? Neem contact op met Jeanine Klaver. 

Evaluatie Pilot duale trajecten voor statushouders

Op 1 januari 2022 wordt de Nieuwe Wet inburgering ingevoerd. In de aanloop hiernaar doen gemeenten alvast ervaring op met elementen uit de nieuwe inburgeringswet, door middel van pilots rondom zes thema’s. Een van de pilotthema’s is duale trajecten, waarbinnen taalverwerving wordt gecombineerd met toeleiding naar participatie. Wij voeren in opdracht van het Ministerie van SZW voor deze pilot een procesevaluatie uit.

Ervaringen van betrokkenen
Pilotgemeenten, inburgeraars en werkgevers zijn over het algemeen positief over de duale trajecten. Inburgeraars vinden het prettig om praktijkgericht taalonderwijs te krijgen, zeker wanneer zij analfabeet of moeilijk leerbaar zijn. Ook geven zij aan veel over de Nederlandse werkcultuur te leren. Werkgevers zijn vaak ook positief over inburgeraars, met name over hun motivatie. Wel merken zij dat zij veel moeten investeren om de statushouder goed te laten landen. Taalniveau blijft een uitdaging en wanneer dit niet voldoende ontwikkelt kan het een reden zijn om een statushouder geen contract aan te bieden.

Inrichting van de duale trajecten
In de negen pilots wordt op verschillende manieren vormgegeven aan de duale trajecten. Wat het beste werkt, hangt af van de context. De belangrijkste keuzes die gemeenten hierin maken zijn:

  1. Leg je de regie bij de gemeente of een externe partij gelegd?
  2. Kies je voor een groepsgewijze of individuele aanpak?
  3. In hoeverre integreer je taalonderwijs en participatie?
  4. Hoe stimuleer je praktische taalvaardigheid?
  5. Op welke vormen van participatie zet je in en wanneer?
  6. Steek je de matching met een participatieplaats aanbod- of vraaggericht in?

In ons rapport is te lezen hoe de negen pilotgemeenten deze punten hebben aangepakt en welke lessen daaruit te trekken zijn voor andere gemeenten. De handreiking biedt een beknopt overzicht van de belangrijkste geleerde lessen.

Meer informatie?
Neem contact op met Yannick.

Eén min één is niet altijd nul: WW’ers niet de oplossing voor het lerarentekort

Kan het tekort aan leraren in het primair onderwijs worden ingevuld door stille reserve uit de WW? Een deel van de WW’ers is onder voorwaarden benoembaar, maar voor een deel is re-integratie naar het onderwijs -alle inspanningen ten spijt- niet reëel.

Leraren in de WW: potentiële oplossing voor het lerarentekort

Afgelopen jaar ging het er vaak over: de tekorten aan leraren. Ook nu maken meerdere scholen zich hevige zorgen over de vraag of er na de vakantie voor iedere klas wel een leraar is. Verschillende oplossingen zijn nodig om in dit tekort te kunnen voorzien. Eén zo’n oplossing is de re-integratie van WW’ers die voorheen in het primair onderwijs hebben gewerkt. Eind september 2018 ontvingen ongeveer 11.000 oud-medewerkers uit het primair onderwijs een WW-uitkering, waarvan naar schatting negentig procent met een bevoegdheid. Ruim voldoende WW’ers om in de vacatures te voorzien, toch? Eén en éen is twee, of beter gezegd, één min één is nul. Ons onderzoek naar het potentieel aan stille reserve, uitgevoerd voor het ministerie van OCW, laat echter zien dat het niet zo eenvoudig ligt.

Belemmeringen voor terugkeer in het onderwijs: locatie, werkdruk in het onderwijs en naderend pensioen

Het potentieel voor terugkeer is van diverse factoren afhankelijk. Zo is het aantal WW’ers hoger in regio’s waar de tekorten lager zijn, maar is er vrijwel geen verhuisbereidheid. Ook wil lang niet iedereen weer in het onderwijs aan het werk vanwege de werkdruk en de eigen gezondheid. Daar komt bij dat twee derde van de WW’ers ouder is dan 55 jaar en veel werkervaring heeft (gemiddeld 27 jaar). Zij hebben grotendeels recht op een uitkering die nagenoeg tot aan de pensioengerechtigde leeftijd doorloopt. WW’ers hebben de (onterechte) angst die rechten te verliezen als ze aan het werk gaan. Desondanks solliciteren ze wel, maar worden vervolgens niet uitgenodigd voor een gesprek. Werkgevers geven aan gemotiveerde WW’ers graag aan te nemen, maar vragen zich -zeker in tekortgebieden- af hoe het kan dat iemand nog werkloos is. Daarbij weten vraag en aanbod elkaar lang niet altijd te vinden.

In het onderzoek is onderscheid gemaakt naar potentieel voor re-integratie op basis van de eigen motivatie van WW’ers:

  1. een groep met laag potentieel voor re-integratie die niet meer wil werken (29%);
  2. een groep met gemiddeld potentieel voor re-integratie (48%) die wel wil werken, maar niet als leerkracht in het primair onderwijs;
  3. een groep met hoog potentieel voor re-integratie (23%) die wel weer wil werken als leraar in het primair onderwijs.

Vergroten kansen en mogelijkheden voor herintrede in het onderwijs

Uit ons onderzoek volgt de conclusie dat we enerzijds te maken hebben met WW’ers die – alle inspanningen ten spijt – niet meer in het primair onderwijs aan het werk zullen gaan. Deze groep ontbreekt het niet alleen aan kunnen en willen, maar ook aan kansen en mogelijkheden. Het bestaan van deze groep is niet puur aan de WW’ers zelf te wijten. Betrokken partijen, zoals sociale partners, uitkeringsinstanties en het ministerie, hebben deze situatie mede gecreëerd dan wel laten bestaan. Tegelijkertijd is er ook een groep WW’ers met meer potentie voor re-integratie. Uitgaande van de situatie in het najaar van 2018 gaat het dan naar schatting om maximaal 2.750 personen. Hoewel deze groep gezien hun leeftijd nog maar een beperkte tijd beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, kunnen belemmeringen worden weggenomen of verminderd om tot verbeterde re-integratie van een substantieel deel van de stille reserves te komen. Zo denken wij onder andere aan:

  • het inrichten van matchingpools;
  • het verbeteren kennis over WW-rechten en -plichten;
  • het inzetten op actieve re-integratie naar andere functies;
  • het versterken van het personeelsbeleid.

Lees het rapport Stille reserve in de WW. Onderzoek naar potentieel voor re-integratie in het po. Meer weten over dit onderzoek? Neem contact op met Jos Lubberman.

Tweede Kamer geïnformeerd over voortgang Actieplan Perspectief voor vijftigplussers

Minister Koolmees heeft op 8 juli de definitieve versie van de monitorrapportage van het actieplan ‘Perspectief voor vijftigplussers’ aan de Tweede Kamer aangeboden.

Evaluatie Actieplan Perspectief voor vijftigplussers

De kern van het actieplan is om oudere werknemers te ondersteunen bij het vinden van een nieuwe baan. Het doel is dat vijftigplussers meer wendbaar worden op de arbeidsmarkt en dat werkgevers minder terughoudend zijn bij het aannemen van vijftigplussers.

Het WW-bestand bestaat voor bijna de helft uit mensen van 50 jaar of ouder. Deze groep stroomt minder gemakkelijk uit dan andere leeftijdsgroepen. Daarom is de beleidsaandacht met het actieplan gefocust op de vijftigplusser op de arbeidsmarkt. Bij de start van het actieplan is tussen sociale partners en het ministerie van SZW afgesproken het ingezette beleid, bestaande uit zes afzonderlijke beleidslijnen, te evalueren. Het onderzoek bestaat uit een tussentijdse monitor van het implementatieproces en de uitvoering en een evaluatie op proces en effect. Hierover gaat in 2020 gerapporteerd worden. De algemene vraagstelling luidt: In welke mate zijn de met het actieplan gefinancierde maatregelen doeltreffend, waardoor zijn de beleidsdoelen al dan niet gerealiseerd en welke leerpunten kunnen worden geformuleerd om de doeltreffendheid van de maatregelen te vergroten?

In de eerste rapportage wordt een eerste beeld geschetst van de voortgang op de zes beleidslijnen: het ontwikkeladvies, de werkgeversdienstverlening, financiële instrumenten, intensieve dienstverlening aan WW’ers, experimenten Meer Werk en Campagne en Boegbeelden. De (eind)evaluatie in 2020 zal focussen op effectiviteit en leerpunten. De opbrengsten van deze evaluatie kunnen, tegen de achtergrond van het in de toekomst langer moeten doorwerken, zeer relevant worden voor beleid, gericht op de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

Op 8 juli 2019 is onze monitorrapportage aangeboden aan de Tweede Kamer over de implementatie en uitvoering van het actieplan. In 2020 volgt de eindrapportage, gericht op het in kaart brengen van de doeltreffendheid van het actieplan. Meer weten? Neem contact op met Jos Mevissen.

 

Helft onderwijspersoneel verwacht pensionering vóór AOW-gerechtigde leeftijd

Helft onderwijspersoneel verwacht pensionering vóór AOW-gerechtigde leeftijd

Iets meer dan de helft van het oudere onderwijspersoneel verwacht vóór de AOW-gerechtigde leeftijd met pensioen te gaan. De meest genoemde reden om eerder te stoppen met werken is de werkdruk in het onderwijs. Meer dan de helft noemt deze reden. Andere veelgenoemde redenen zijn dat werknemers rustiger aan willen doen en andere dingen willen gaan doen.

Weinig bereidheid tot langer doorwerken

We hebben gevraagd of het onderwijspersoneel bereid zou zijn om tijdelijk langer door te werken wanneer de school dat vraagt, omdat er geen opvolger vindbaar is. Ongeveer één op de tien staat hier positief tegenover.

Achtergrond van het onderzoek

In het kader van het lerarentekort wilde de Algemene Onderwijsbond (AOb) in het voorjaar van 2019 laten onderzoeken wanneer zestigplussers in het onderwijs verwachten met pensioen te gaan. Vóór 1 mei maken scholen hun formatie rond en moeten leraren en onderwijsondersteuners aangegeven hebben of zij deze zomer vertrekken, zodat scholen voor de openvallende plaatsen kunnen gaan werven. Middels een enquête onder AOb-leden geboren voor 1962 hebben we de uitstroom van onderwijspersoneel in beeld gebracht.

In het nieuws

De AOb publiceerde naar aanleiding van dit onderzoek het nieuwsbericht ‘Werkdruk jaagt zestigplusser de klas uit‘. Nieuwsuur maakte een rapportage onder de titel ‘Helft oudere leraren wil eerder stoppen met werken‘.

Meer weten? Neem contact op met Bjørn Dekker of lees het het volledige onderzoeksrapport hier: Uitstroom richting pensioen in het po, vo en mbo